Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:563

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
23-12-2020
Zaaknummer
AUA201903624
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Dwingend bewijs en tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 16 december 2020

Behorend bij A.R. nr. AUA201903624

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[eiser],

wonende in Aruba,

EISER, hierna ook te noemen: [eiser],

thans procederend in persoon (voorheen de advocaat mr. H.F. Falconi),

tegen:

[gedaagde],

wonende in Aruba,

GEDAAGDE, hierna ook te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingediend op 18 oktober 2019;

- de conclusie van antwoord, ingediend op 20 november 2019;

- de conclusie van repliek met producties, ingediend op 26 februari 2020;

- de conclusie van dupliek, ingediend op 24 juni 2020.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1 [

gedaagde] huurde van juni 2013 tot en met september 2014 van [eiser] een woning gelegen aan de [adres] (hierna: de woning). In 2014 vorderde [eiser] in kort geding onder zaaknummer K.G. 562 van 2014 ontruiming door [gedaagde] van de woning en betaling van de achterstallige huurpenningen (hierna: de kort gedingzaak).

2.2

Op 30 september 2014 heeft [gedaagde] een schuldbekentenis plus betalingsovereenkomst ondertekend, waaruit blijkt dat [gedaagde] uit hoofde van onbetaalde huurpenningen een bedrag van Afl. 12.754,52 (inclusief proces- en buitengerechtelijke kosten) schuldig is aan [eiser] (hierna: de schuldbekentenis). In de schuldbekentenis is verder opgenomen dat [gedaagde] haar schuld binnen zes maanden na 30 september 2014, uiterlijk op 31 maart 2015, dient te hebben afgelost en dat, indien [gedaagde] zich niet aan haar betalingsverplichtingen houdt, zij dan over (het resterende deel van) de hoofdsom een contractuele rente van 18% per jaar verschuldigd zal zijn en alle kosten voor inwinning van het verschuldigd bedrag voor haar rekening komen.

2.3

Na het ondertekenen van de schuldbekentenis is de kort gedingzaak op 5 november 2014 door [eiser] ingetrokken.

2.4

Bij brief van 15 april 2015 is [gedaagde] door [eiser] gesommeerd om de openstaande

achterstand van Afl. 12.754,52 (te vermeerderen met kosten) binnen zeven dagen aan [eiser] te voldoen.

2.5

Bij brief van 13 september 2019 is [gedaagde] door [eiser] gesommeerd om de openstaande achterstand van Afl. 26.146,79 (te vermeerderen met kosten) binnen zeven dagen aan [eiser] te voldoen.

2.6

Krachtens daartoe verkregen verlof van dit gerecht heeft [eiser] op 2 oktober 2019 conservatoir beslag gelegd onder de naamloze vennootschap Taxi Address Service – TAS N.V. (werkgever van [gedaagde]).

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [

eiser] vordert dat het gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van Afl. 26.146,79, vermeerderd met de contractuele rente van 18% per jaar vanaf 30 september 2019, alsmede vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten van Afl. 1.913,10 en de wettelijke rente vanaf 15 april 2015, met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de proceskosten.

3.2

Op de grondslagen van de vordering en het daartegen gevoerde verweer zal hierna, bij de beoordeling van de vordering worden ingegaan.

4 DE BEOORDELING

4.1 [

eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de schuldbekentenis, zodat de hoofdsom vermeerderd met proceskosten opeisbaar is.

4.2 [

gedaagde] voert verweer tegen de hoogte van de hoofdsom en de verzochte proceskosten. Ter onderbouwing van haar verweer stelt [gedaagde] dat de bedragen zoals opgenomen in de schuldbekentenis onjuist zijn. Volgens [gedaagde] is zij slechts een bedrag van Afl. 6.750,- verschuldigd aan [eiser], bestaande uit vier maanden achterstallige huurpenningen te verminderen met één maand borg ((4 x Afl. 2.250,-) – Afl. 2.250,- =). Verder stelt [gedaagde] (naar het gerecht begrijpt) dat zij niet aan de uit de schuldbekentenis voortvloeiende betalingsverplichtingen gehouden kan worden, omdat [eiser] de schuldbekentenis niet heeft ondertekend en er om die reden geen sprake was van wilsovereenstemming.

4.3

Voorop wordt gesteld dat de onderhavige schuldbekentenis aangemerkt dient te worden als een onderhandse akte. Ingevolge het bepaalde in artikel 136 lid 2 van het Wetboek van Rechtsvordering (hierna: Rv.) levert een onderhandse of authentieke akte ten aanzien van de verklaring van één partij omtrent hetgeen in de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat.

4.4

In artikel 137 lid 1 Rv. is bepaald dat op een onderhandse akte waarin verbintenissen van slechts één persoon zijn vastgelegd, voor zover die verbintenissen strekken tot voldoening van een geldsom, artikel 136 lid 2 Rv. niet van toepassing, tenzij deze partij de akte geheel met de hand heeft geschreven of heeft voorzien van een goedkeuring die de geldsom voluit in letters vermeldt.

4.5

Uit de schuldbekentenis blijkt dat deze is voorzien van een goedschrift door [gedaagde], waarbij de geldsom voluit met de hand is geschreven. De schuldbekentenis heeft om die reden naar het oordeel van het gerecht ingevolge artikel 137 lid 1 jo. 136 lid 2 Rv dwingend bewijskracht.

4.6

Het verweer van [gedaagde] dat er geen sprake is geweest van wilsovereenstemming, omdat alleen [gedaagde] deze heeft ondertekend, wordt verworpen. Van belang is dat de akte de verklaring inhoudt betreffende de verplichtingen van degene die de onderhandse akte ondertekent. Dat is in het onderhavige geval [gedaagde]. Dat in de schuldbekentenis, waarin een eenzijdige verklaring is opgenomen, tevens is vermeld dat de schuld voortvloeit uit een (wederkerige) huurovereenkomst, onttrekt haar niet aan de werking van de artikelen 136 en 137 Rv.

4.7

Op grond van artikel 130 lid 2 Rv. staat tegenbewijs, ook tegen dwingend bewijs, vrij. Volgens [gedaagde] is de in de schuldbekentenis opgenomen hoofdsom niet juist. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij naar de bij de schuldbekentenis gevoegde bijlage, waarin de hoofdsom is gespecificeerd.

4.8 [

gedaagde] heeft op zich niet betwist dat zij de huur verschuldigd was over de maanden juni tot en met september 2014, zoals opgenomen in de specificatie. Volgens haar wordt ten onrechte een bedrag van Afl. 2.750,00 per maand berekend, in plaats van het volgens haar overeengekomen huurbedrag van Afl. 2.250,00 per maand. Met dit verweer miskent [gedaagde] dat in de specificatie over de vier maanden huur een korting van Afl. 2.000,00 wordt opgevoerd, zodat per saldo Afl. 2.250,00 per maand in rekening wordt gebracht. Wel stelt [gedaagde] correct dat over de vier maanden aldus een bedrag van Afl. 9.000,00 was verschuldigd, en niet Afl. 9.256,00, zoals in de specificatie in rekening wordt gebracht. Nu [eiser] naar aanleiding van dit verweer niet gemotiveerd heeft gesteld waarom bovenop het bedrag van Afl. 9.000,00 nog een bedrag van Afl. 256,00 aan huurachterstand in rekening is gebracht, heeft [gedaagde] in zoverre het dwingend bewijs van de schuldbekentenis voldoende ontzenuwd.

4.9

Voor het overige heeft [gedaagde] de verschuldigdheid van de andere in de specificatie opgenomen posten onvoldoende betwist. Het gerecht zal het aanbod om ten aanzien van die posten (tegen)bewijs te leveren, dan ook passeren.

4.10

De stelling dat een bedrag van Afl. 2.250,00 aan betaalde borg in mindering moet worden gebracht, wordt eveneens verworpen. Een borg heeft in het algemeen de strekking om kosten in verband met het herstel van het gehuurde na de oplevering te dekken. Zij strekt er in het algemeen niet toe om in mindering te worden gebracht op de laatste huurtermijnen. Hierbij sluit aan dat in de specificatie uitdrukkelijk is opgenomen dat de deposit van Afl. 2.250,00 zal worden verrekend na controle van de woning. Derhalve stelt [gedaagde] ten onrechte dat het bedrag van de borg in mindering had moeten worden gebracht op het bedrag dat zij uit hoofde van de huurachterstand verschuldigd was en daarmee ook op het bedrag waartoe zij zich in de schuldbekentenis heeft verbonden. [gedaagde] heeft derhalve ook op dit punt de dwingende bewijskracht van de schuldbekentenis niet ontzenuwd.

4.11

Voor zover [gedaagde] van oordeel is dat de borg thans dient te worden verrekend, wordt dat verweer verworpen. Van de zijde van [eiser] is gesteld dat de borg nodig was om herstellingen aan de woning uit te voeren. Daarmee betwist [eiser] dat hij gehouden is de borg terug te geven, zodat niet voldaan is aan de voorwaarden voor verrekening.

4.12

De conclusie uit het voorgaande is dat de het in de schuldbekentenis opgenomen bedrag met Afl. 256,00 moet worden verminderd. Derhalve zal een bedrag van Afl. 12.754,52 – Afl. 256,00 = Afl. 12.498,52 aan hoofdsom worden toegewezen.

4.13 [

eiser] vordert zowel toewijzing van de wettelijke als de contractuele rente. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:119 lid 3 BW zal uitsluitend de contractuele rente worden toegewezen, nu deze hoger is dan de wettelijke rente. Om die reden zal de gevorderde wettelijke rente worden afgewezen. Het gerecht zal het bedrag van Afl. 12.498,52 toewijzen, te vermeerderen met de contractuele rente van 18% per jaar vanaf 15 april 2015, nu de hoofdsom op die datum reeds opeisbaar is. Het meerdere zal worden afgewezen

4.14

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen conform het Procesreglement 2018 worden toegewezen tot een bedrag van Afl. 1.500,-, zijnde 1,5 punt van het liquidatietarief 4.

4.15 [

gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld, aan de zijde van [eiser], inclusief de kosten van het leggen van beslag, begroot op Afl. 750,- aan griffierecht, Afl. 900,70 aan explootkosten en op Afl. 2.000,00 aan salaris voor gemachtigde.

5 DE UITSPRAAK

Het gerecht:

5.1

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van Afl. 12.498,52, te vermeerderen met de contractuele rente van 18% per jaar vanaf 15 april 2015 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van Afl. 1.500,-;

5.2

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [eiser] worden begroot op Afl. 750,- aan griffierecht, op Afl. 900,70 aan explootkosten en op Afl. 2.000,00 aan salaris voor gemachtigde;

5.3

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag, 16 december 2020 in aanwezigheid van de griffier.