Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:532

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
18-12-2020
Zaaknummer
AUA201904387
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

wijziging gezag en bepalen omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 1 december 2020

Behorend bij EJ nr. AUA201904387

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

op het verzoek van

[Verzoeker] ,

wonende in Aruba,

VERZOEKER, hierna de vader,

gemachtigde: de advocaat mr. G.L. Griffith,

tegen

[Verweerster] ,

wonende in Aruba,

VERWEERSTER, hierna de moeder,

gemachtigde: de advocaat mr. C. Helen Lejuez.

Belanghebbende:

[Minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2005 in Aruba,

de minderjarige.

1 DE VERDERE PROCEDURE

Het eerdere verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van 3 maart 2020, waarbij een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige is bepaald en de Voogdijraad is verzocht om een onderzoek te doen naar de sociale omstandigheden van partijen ter beantwoording van de vraag of een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders indien zij het gezag gezamenlijk zouden uitoefenen, en de vraag of en zo ja, op welke wijze invulling dient te worden gegeven aan het omgangsrecht van de vader.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het rapport van de Voogdijraad, ingediend op 24 augustus 2020,

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting met gesloten deuren van 20 oktober 2020, waar zijn verschenen de partijen in persoon en bijgestaan door hun gemachtigden, en de raadsonderzoeker van de Voogdijraad, mevrouw [naam raadsonderzoeker].

De uitspraak is bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

Gezag

2.1

Aan de orde is ten eerste het verzoek van de vader om voortaan gezamenlijk met de moeder het gezag over de minderjarige uit te oefenen

2.2

Uit het rapport van de Voogdijraad kan worden afgeleid dat beide ouders betrokken zijn in het dagelijkse leven van de minderjarige en dat zij in staat zijn om samen tot beslissingen aangaande de minderjarige te komen. De Voogdijraad acht het voor de ontwikkeling van de minderjarige van belang dat beide ouders betrokken zijn en blijven bij zijn opvoeding en verzorging. Geconcludeerd wordt dat de minderjarige niet klem of verloren zal raken, indien de ouders het gezag gezamenlijk gaan uitoefenen. Geadviseerd wordt het gezag te wijzigen in die zin dat de vader voortaan samen met de moeder met het gezag wordt belast.

2.3

De moeder kan zich niet verenigen met het advies van de Voogdijraad, en persisteert in haar standpunt dat gezamenlijk gezag niet in het belang is van de minderjarige, omdat de vader een totaal andere levensopvatting dan de moeder heeft, vooral waar het opvoeding, normen en waarden betreft. Volgens de moeder kunnen zij en de vader elkaar niet uitstaan en reageren zij vijandig op elkaar, hetgeen niet in het belang van de minderjarige is.

2.4

Het gerecht overweegt als volgt.

2.4.1

Het ouderlijk gezag omvat op grond van artikel 1:247 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW) de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind, en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Het ouderlijk gezag brengt een aantal bevoegdheden met zich die nodig zijn voor de in voormeld kader te nemen beslissingen, waarbij gedacht moet worden aan zaken als de schoolkeuze, medische behandelingen of levensbeschouwelijke aangelegenheden. In geval van gezamenlijk gezag dienen dergelijke beslissingen tezamen met de andere gezaghebbende ouder te worden genomen. Voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag is dan ook vereist, dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen en wel zodanig dat het kind niet klem of verloren zal raken tussen de ouders.

2.4.2

In dit geval kan uit de stukken en het verhandelde ter zitting het volgende worden afgeleid.

De minderjarige is geboren uit een kortstondige affectieve relatie tussen partijen. De vader was gedurende de zwangerschap en tot drie maanden na de geboorte in het buitenland. Daarna en sindsdien is vader steeds actief betrokken geweest in het leven van de minderjarige. Partijen konden altijd goed met elkaar communiceren, en zaten wat betreft de verzorging en opvoeding van de minderjarige, met name waar het betrof schoolkeuzes, vakanties en omgangsregelingen, op één lijn. Dit veranderde na de oktobervakantie in 2019, toen de moeder erachter kwam dat de minderjarige, tijdens zijn vakantie met de vader in Nederland, met goedvinden van de vader seks heeft gehad met een prostituee. De moeder was hiervan erg aangedaan en heeft hierna aangifte tegen de vader gedaan wegens aanranding van de eerbaarheid van de minderjarige. De vader is door de politie verhoord. De moeder heeft toen ook besloten dat de minderjarige voorlopig geen contact of omgang meer met de vader mocht hebben. Volgens de minderjarige – tijdens het verhoor bij de rechter – heeft de moeder toen gezegd dat hij vanaf zijn 18de zijn vader weer zou mogen zien. Hij was het daar niet mee eens.

Uit het rapport van de Voogdijraad kan worden afgeleid dat de minderjarige het bij beide ouders goed heeft. Voor beide ouders is studeren een prioriteit, bij beide ouders zijn er regels en structuur, beide ouders praten veel met de minderjarige en stimuleren hem om steeds zijn best te doen, en met beide ouders doet de minderjarige leuke dingen, zoals naar de film, het strand of uiteten gaan. De minderjarige wil graag contact blijven houden met beide ouders.

2.4.3

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van het gerecht niet gebleken dat er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders, dan wel dat het afwijzen van het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met de moeder met het gezag te belasten anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

Weliswaar is gebleken dat de communicatie tussen partijen nog steeds niet optimaal is, doch dit brengt niet zonder meer mee dat in het belang van de minderjarige het verzoek van de vader om gezamenlijke gezagsuitoefening dient te worden afgewezen.

Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat de ouders -kennelijk- in staat zijn om met elkaar te communiceren omtrent zaken die de minderjarige aangaan. Het gerecht acht de ouders geschikt en in staat de minderjarige naar behoren te verzorgen en op te voeden. Voorts worden zij in staat geacht om zodanig met elkaar te communiceren dat zij tot onderlinge afspraken kunnen komen over de situaties die zich rond de minderjarige kunnen voordoen. Van de ouders mag verwacht worden dat zij zich daarvoor zullen inzetten en het gerecht acht hen daartoe in staat.

2.5

In het belang van de minderjarige zal het gerecht daarom de ouders gezamenlijk belasten met het gezag over hem.

Omgang

2.6

Wat betreft het verzoek van de vader om een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige vast te stellen, overweegt het gerecht als volgt.

2.6.1

Bij de tussenbeschikking van 3 maart 2020 heeft het gerecht een voorlopige omgangsregeling bepaald. Uit het rapport van de Voogdijraad en het verhandelde ter zitting is gebleken dat deze omgang enkele maanden goed verliep tot de zomervakantie in juli 2020. De vader heeft toen de omgang met de minderjarige gestopt, omdat hij erachter kwam dat de minderjarige marihuana heeft gerookt en daarover heeft gelogen. De vader heeft de minderjarige toen bij de moeder thuis afgezet, terwijl de moeder op dat moment in quarantaine was in verband met covid-19. De vader heeft sindsdien geen contact of omgang meer met de minderjarige gehad, omdat hij vindt dat de minderjarige hem eerst zijn excuses moet aanbieden. Ter zitting heeft de vader te kennen gegeven dat hij wellicht op een andere manier had kunnen reageren en dat hij het contact met de minderjarige niet wil verbreken.

2.6.2

Uitgangspunt is dat het in het algemeen in het belang van een kind is te achten dat het contact heeft met de niet-verzorgende ouder, in dit geval de vader, en in beginsel hebben beiden ook recht op omgang met elkaar, tenzij zwaarwegende belangen van het kind zich daartegen verzetten. Van dergelijke zwaarwegende belangen is in deze niet gebleken.

2.6.3

Het gerecht ziet in hetgeen ter zitting is besproken aanleiding om een duidelijke en concrete omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige vast te stellen. Een vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige brengt met zich mee de verplichting voor de vader jegens de minderjarige en de moeder om zich aan de omgangsregeling te houden, en de verplichting voor de moeder jegens de vader en de minderjarige om de omgang tussen hen niet te belemmeren. Hierbij geldt dat deze omgangsregeling door partijen in overleg met elkaar kan worden uitgebreid, en dat bij de uitvoering van de omgangsregeling enige flexibiliteit van de ouders mag worden verwacht. Het gerecht verwacht van de ouders dat zij zich inzetten om de omgangsregeling soepel te laten verlopen.

2.7

Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

3 DE BESLISSING

Het gerecht:

bepaalt dat de vader, [verzoeker], voortaan gezamenlijk met de moeder, [verweerster], het gezag over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2005 in Aruba, zal uitoefenen,

bepaalt de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige als volgt:

op elke vrije dag van de vader, vanaf ’s middags na school tot 19:00 uur, dan wel met overnachting, in onderling overleg te bepalen,

waarbij de vader de minderjarige van school of thuis ophaalt en daarna weer thuisbrengt,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, ter zitting van dinsdag 1 december 2020 in aanwezigheid van de griffier.