Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:500

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
20-11-2020
Datum publicatie
02-12-2020
Zaaknummer
409 van 2020
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arubaanse strafzaak: Verdachte heeft met een jongen van 15 jaar ontuchtige handelingen gepleegd. Verklaring van het slachtoffer wordt ondersteund door de verklaring van de getuige bij de politie en de verklaring van verdachte zelf. Vordering van de benadeelde partij tot materiele kosten voor psychologische behandeling van de minderjarige wordt deels niet-ontvankelijk verklaard. Vordering wordt onderbouwd met slechts een ‘quotation’ en bevat geen rapportage.

Straf: gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: P-2020/05829

Zaaknummer: 409 van 2020

Uitspraak: 20 november 2020 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],

wonende in Aruba,

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Aruba.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2020. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadslieden, mrs. P.M.E. Mohamed en D.L. Emerencia, advocaten in Aruba.

De wettelijk vertegenwoordigster van de benadeelde partij, [moeder van het slachtoffer], heeft zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.

De officier van justitie, mr. P.A.J. van der Biezen, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig (24) maanden, waarvan zes (6) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie (3) jaren, met aftrek van voorarrest.

Zijn vordering behelst voorts:

de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van Afl. 5.000,- en de niet-ontvankelijkverklaring van die benadeelde partij in hetgeen zij overigens heeft gevorderd.

De raadslieden hebben bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

dat hij op of omstreeks 15 mei 2020 te Aruba, opzettelijk met [slachtoffer] (geboren op 21 december 2004), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, mede bestaande uit de penis van die [slachtoffer], terwijl die een korte broek aan had, met zijn verdachtes hand aan te raken en/of verdachtes hand in de boxer van die [slachtoffer] te steken en zijn penis eruit te halen en/of vervolgens de penis van die [slachtoffer] op een neer te bewegen (masturberen) totdat die [slachtoffer] een zaadlozing heeft gekregen.

Formele voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, met dien verstande:

dat hij op of omstreeks 15 mei 2020 te Aruba, opzettelijk met [slachtoffer] (geboren op 21 december 2004), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, mede bestaande uit de penis van die [slachtoffer], terwijl die een korte broek aan had, met zijn verdachtes hand aan te raken en/of verdachtes hand in de boxer van die [slachtoffer] te steken en zijn penis eruit te halen en/of vervolgens de penis van die [slachtoffer] op een neer te bewegen (masturberen) totdat die [slachtoffer] een zaadlozing heeft gekregen.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door het Gerecht gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling zal vervolgens aan het vonnis worden gehecht.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat naast de verklaring van het veronderstelde slachtoffer geen steunbewijs voorhanden is.

Het Gerecht verwerpt dit verweer, dat zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit vonnis zullen worden opgenomen.

Het Gerecht heeft geen enkele reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer te twijfelen. Het slachtoffer heeft - samengevat - het volgende verklaard:

Op 15 mei 2020 lag hij in zijn slaapkamer op het bed naar Facebook te kijken op zijn telefoon. Hij had alleen een korte broek aan. De verdachte kwam op een gegeven moment naast hem op het bed zitten en liet hem op zijn mobiele telefoon een mobiele telefoon zien die hij wilde kopen. De verdachte begon hem op een gegeven moment bij zijn navel te strelen en zijn geslachtsdeel op zijn korte broek aan te raken. De verdachte deed zijn hand vervolgens in de korte broek van het slachtoffer, haalde zijn penis uit zijn broek en begon hem te masturberen totdat hij een zaadlozing kreeg. De sperma kwam op de hand van de verdachte terecht, waarna hij de sperma van zijn vingers aflikte. De verdachte gaf het slachtoffer daarna wipes om de sperma weg te halen.

Het slachtoffer heeft bij de politie verklaard dat hij dit meteen aan zijn moeder heeft verteld toen zij thuis kwam en dat toen zijn moeder de verdachte met zijn verklaring confronteerde, de verdachte verschillende keren aan zijn moeder heeft verzocht om hem te vergeven en aan zijn moeder heeft gezegd dat het nooit meer zou gebeuren en dat het likken van de sperma niet waar is (dus wel het masturberen van het slachtoffer). Het slachtoffer heeft ook verklaard dat de verdachte hem ook om vergiffenis heeft gevraagd en op een gegeven moment aan zijn moeder heeft gezegd dat hij op zijn knieën zal gaan om haar te vragen hem te vergeven en het gebeuren tussen hen te laten.

De verklaringen van het slachtoffer vinden steun in de verklaringen van de moeder en de verklaringen van de getuige [getuige] die hij op 16 mei 2020 en 9 juni 2020 tegenover de politie heeft afgelegd. Het Gerecht acht deze verklaringen, zoals afgelegd kort na het incident, betrouwbaar en gaat daarvan uit.

Beiden hebben verklaard dat de moeder de verdachte die dag meteen heeft geconfronteerd met de verklaring van het slachtoffer en dat de verdachte vervolgens verschillende keren excuses heeft aangeboden aan de moeder en zelfs op zijn knieën is gegaan en daarbij excuses heeft aangeboden en aan de moeder heeft verzocht om het gebeuren tussen hen te laten. De moeder heeft ook verklaard dat toen hij de verdachte met de verklaring van haar zoon confronteerde hij aan haar heeft gezegd dat haar zoon wel liegt over het doen van de sperma in zijn mond (dus niet over het masturberen) en dat de verdachte daarna zijn excuses aanbood.

Uit het onderzoek ter zitting en het dossier zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen. De verklaringen zijn gedetailleerd en consistent en de getuigen hebben hun verklaringen doorgelezen en ondertekend.

De getuige [getuige] heeft op 20 oktober 2020 een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. Bij de rechter-commissaris verklaart hij nu dat hij zich niet kan herinneren dat de verdachte excuses heeft aangeboden en op zijn knieën is gegaan. Voorts verklaart hij nu (in tegenstelling tot zijn verklaring bij de politie) dat hij alles heeft gezien en dat de verdachte het slachtoffer niet heeft gemasturbeerd maar dat het slachtoffer dat zelf heeft gedaan zoals de verdachte aan de politie heeft verklaard. Het Gerecht acht deze verklaring ongeloofwaardig en onbetrouwbaar. Uit het onderzoek ter zitting is gebleken dat de getuige [getuige] vóór het afleggen van zijn verklaring bij de rechter-commissaris vijf keer de verdachte in het KIA heeft bezocht en gesproken. De getuige beschouwt de verdachte - zoals hij bij de politie heeft verklaard - als zijn grote broer. De verklaring van de getuige [getuige] bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting dat hij ten tijde van de verhoren bij de politie depressief was omdat zijn vader in maart 2020 was overleden en dat hij hierdoor niet correct aan de politie heeft verklaard en dat hij zich nu wel beter kan herinneren wat er op 15 mei 2020 is gebeurd, wordt als volstrekt ongeloofwaardig en onaannemelijk terzijde geschoven.

De verklaringen van het slachtoffer vinden ook steun in de verklaring van de verdachte onder meer inhoudende:

  • -

    dat hij die dag naar de slaapkamer van het slachtoffer is gegaan en hem met zijn mobiele telefoon een foto van een mobiele telefoon liet zien;

  • -

    dat het slachtoffer op zijn bed lag en een korte broek aanhad zonder hemd;

  • -

    dat hij het slachtoffer enkele keren met zijn vlakke hand een “stoot had gegeven” in de omgeving van zijn buik en dat hij niet weet of hij hem misschien toen bij zijn navel had “geduwd of zo”.

  • -

    dat het slachtoffer een zaadlozing heeft gehad na masturbatie en dat hij wipes voor het slachtoffer heeft gebracht om de sperma op zijn buik weg te halen.

Anders dan door de verdediging bepleit, is het Gerecht dan ook van oordeel dat de verklaringen van het slachtoffer voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen in het dossier. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen,

strafbaar gesteld bij artikel 2:202, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft met een 15-jarige jongen ontuchtige handelingen gepleegd, waarbij verdachte het slachtoffer heeft gemasturbeerd. Aldoende heeft de verdachte, die op grond van zijn leeftijd overwicht had, misbruik gemaakt van de vertrouwensrelatie tussen hem en het slachtoffer, en inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke en geestelijke integriteit. De ervaring leert dat de kans groot is dat hij daarmee een normale seksuele ontwikkeling van het slachtoffer heeft verstoord. Handelend als bewezenverklaard kan verdachte slechts het oog hebben gehad op bevrediging van zijn eigen lustgevoelens, waarbij hij zich in het geheel niet heeft bekommerd om de schade die hij daarbij bij zijn slachtoffer kan aanrichten. Het Gerecht rekent dit de verdachte zwaar aan.

Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Ten nadele van de verdachte geldt dat hij ter terechtzitting geen blijk heeft gegeven in te zien dat zijn handeling laakbaar was.

Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat na te melden straf passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

Schadevergoeding

[moeder van het slachtoffer] heeft zich, als wettelijk vertegenwoordigster van haar minderjarig kind [slachtoffer] (het slachtoffer), in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt totaal Afl. 7.585,00 aan materiële schade.

Materiële schade ten aanzien van de korte broek

Nu de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de korte broek ad Afl. 85,- niet is weersproken, zal deze worden toegewezen.

De verdediging heeft voor het overige de vordering gemotiveerd betwist.

Materiële schade ten aanzien van de psychologische behandelingen

[moeder van het slachtoffer] zal in deze vordering (ad Afl. 7.500,-) gedaan namens het slachtoffer niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd. Voor toewijzing van deze vordering moet komen vast te staan dat het slachtoffer door het bewezenverklaarde geestelijk letsel heeft opgelopen waarvoor de gestelde psychologische behandelingen/sessies noodzakelijk zijn. Dit zal in de regel betekenen dat een rapportage door een deskundige onontbeerlijk is. De benadeelde partij heeft de gestelde trauma niet onderbouwd met zo een rapportage. Er is slechts een quotation van een psycholoog overgelegd ten aanzien van een behandelplan voor trauma bij het slachtoffer voor een periode van 6 tot 12 maanden (60 sessies) die de betreffende psycholoog in de toekomst met het slachtoffer zou willen verrichten. De quotation en de gestelde trauma is echter op geen enkele wijze (bijvoorbeeld met een psychologisch rapport) onderbouwd. De benadeelde partij kan daarom in zoverre niet worden ontvangen en dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Proceskosten

Nu de benadeelde partij voor een groot deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal zij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21 en 1:62 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de vierentwintig [24] maanden;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, groot zes [6] maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op drie [3] jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade toe tot een bedrag van Afl. 85,- (zegge: vijfentachtig gulden), en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verklaart de benadeelde partij [moeder van het slachtoffer] in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten voor zover die betrekking hebben op de betwiste vordering van de benadeelde partij, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.M.D. Angela, bijgestaan door mw. L.H. Hoogenbergen, (zittingsgriffier), en op 20 november 2020 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Aruba.