Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:420

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
14-10-2020
Datum publicatie
28-10-2020
Zaaknummer
AUA202002158
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Huur. Onverkorte niet gematigde toepassing van het in de huurovereenkomst neergelegde boetebeding leidt tot een buitensporig en daarmee onaanvaardbaar resultaat. Het impliciete beroep van gedaagde op matiging van de overeengekomen boete wordt gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 14 oktober 2020

Behorend bij K.G. AUA202002158

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[EISER],

wonende in Aruba,

eiser,

hierna ook te noemen: [Eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Croes,

tegen:

[GEDAAGDE],

wonende in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: [Gedaagde],

procederend in persoon.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit

-het verzoekschrift, met producties;

-de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van vrijdag 18 september 2020 om 09:30 uur.

1.2 [

Eiser] is samen met zijn gemachtigde ter zitting verschenen en [gedaagde] is verschenen in persoon. Partijen hebben in twee termijnen het woord gevoerd en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen. Ter zitting heeft [eiser] onderdeel 2. van zijn petitum ingetrokken.

1.3

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1 [

[Eiser] heeft gesteld en gevorderd zoals omschreven in zijn verzoekschrift.

2.2 [

Gedaagde] heeft verweer gevoerd.

3 DE BEOORDELING

3.1

Het spoedeisend belang van [eiser] bij de door hem verzochte ontruiming ligt besloten in de aard van dat verzoek en de daaraan ten gronde gelegde stellingen. Nu dit het geval is kan in redelijkheid en om proceseconomische reden niet van [eiser] worden gevergd om zijn vordering ter zake van betaling van achterstallige huur voorzover door [gedaagde] erkend ter beoordeling aan de bodemrechter voor te leggen.

3.2

Vast staat in dit geschil in elk geval het volgende. Krachtens een “enkele jaren geleden” tussen partijen gesloten huurovereenkomst (hierna de huurovereenkomst) huurt [gedaagde] van [eiser] de aan [eiser] toebehorende in Aruba te [adres] gelegen woning (hierna: de woning) tegen een maandelijks te betalen huur ad Afl. 2.350,-- (inclusief de kosten van gas, internet en kabel). De huurovereenkomst bepaalt dat [gedaagde] in geval van niet of te late betaling van huur gerekend vanaf de vijfde dag na iedere verschenen betaaldag van iedere huurtermijn per dag een boete verschuldigd is aan [eiser] van

minimaal Afl.10,--, telkens oplopend naar hogere bedragen naar gelang de huur onbetaald blijft.

3.3

In het licht van voormelde feitelijkheden stelt [eiser] als grondslag voor zijn vorderingen dat [gedaagde] de huur vanaf december 2019 tot aan de dag van de zitting niet heeft betaald. Ter zake van die door [gedaagde] bestreden stelling en zijn stelling dat de bij de huurovereenkomst overeengekomen boete onrechtmatig hoog is heeft het volgende te gelden.

3.4

Naar het oordeel van het Gerecht leidt onverkorte niet gematigde toepassing van het in de huurovereenkomst neergelegde boetebeding tot een buitensporig en daarmee onaanvaardbaar resultaat. Daartoe wordt het volgende overwogen, waarbij voorop wordt gesteld dat (de gemachtigde van) [eiser] ter zitting heeft verklaard dat het niet onbegrijpelijk is als het Gerecht tot enige matiging van de boete overgaat.

3.5

Gesteld noch is gebleken dat partijen hebben onderhandeld met betrekking tot het in de huurovereenkomst neergelegde boetebeding en/of de hoogte van de overeengekomen boete. Evenmin is gesteld of gebleken op grond waarvan kennelijk [eiser] de hoogte van de boete heeft bepaald. Daar komt bij dat niet is gesteld of gebleken dat de verbeurde boetes in verhouding staan tot daadwerkelijke overigens niet door [eiser] inzichtelijk gemaakte schade als gevolg van te late huurbetalingen. Dit temeer omdat [eiser] tevens aanspraak maakt of kan maken op door [gedaagde] te betalen wettelijke rente over te late betaling van huur bij wijze van wettelijk forfaitair vastgestelde schadevergoeding. Dit één en ander leidt tot de conclusie dat het Gerecht de overeengekomen boete billijkheidshalve zal matigen tot Afl. 4,-- per dag, in dier voege dat [gedaagde] gemiddeld per maand maximaal (25 x 4 =) Afl. 100,-- aan boete ten behoeve van [eiser] kan verbeuren. In zoverre wordt het impliciete beroep van [gedaagde] op matiging van de overeengekomen boete gehonoreerd.

3.6

Ter zitting is gebleken en vast komen te staan dat [gedaagde] thans 42 maanden de woning huurt. Naar eigen zeggen van [eiser] heeft [gedaagde] gedurende die periode in totaal Afl. 113.808,-- betaald aan [eiser] aan huur en boete, ofwel in totaal (113.808,-- minus (42 x 2.350,--) =) Afl. 15.108,-- aan boete, ofwel gemiddeld (15.108,-- : 42 =) Afl. 359,71 aan boete per maand. De maximale gematigde boete die [gedaagde] over voormelde 42 maanden had kunnen verbeuren bedraagt echter (42 x 100,-- =) Afl. 4.200,--. Aldus had [gedaagde] aan huur plus maximale boete - zo daarvan sprake was - over 42 maanden niet meer dan ((42 x 2.350,--) + 4.200,--) = (98.700,-- + 4.200,-- =) Afl. 102.900 hoeven te betalen aan [eiser]. Aldus heeft [gedaagde] tot en met september 2020 (113.808,-- minus 102.900,-- =) op zijn minst Afl. 10.908,-- maar mogelijk nog meer dan dat te veel betaald aan [eiser], hetgeen op zijn minst maar mogelijk meer dan dat goed is voor (10.908,-- : 2.350,-- =) ruim 4,5 maanden vooruitbetaalde huur.

3.7

Vorenstaande brengt mee dat in een bodemprocedure te verwachten valt dat de ontruimings- en de geldvordering (ter zake van beweerdelijke achterstallige huur) van [eiser] zullen worden afgewezen. De thans door [eiser] verzochte voorzieningen zullen daarom worden afgewezen.

3.8

Afweging van de belangen van partijen maakt vorenstaande niet anders, nu het Gerecht geen zwaarwegender belangen ziet zijdens [eiser] bij toewijzing van het door hem verzochte ten opzichte van de belangen van [gedaagde] bij afwijzing daarvan.

3.9 [

Eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [gedaagde], tot aan deze uitspraak begroot op nihil omdat [gedaagde] in persoon heeft geprocedeerd.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

-wijst af het door [eiser] verzochte;

-veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [gedaagde], tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 14 oktober 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.