Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:415

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
07-10-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
AUA202002129
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort Geding. Ontruiming. Ex-partners.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 7 oktober 2020

Behorend bij AUA202002129 KG

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[naam eiseres],

te Aruba,

EISERES, hierna ook te noemen: [eiseres],

gemachtigde: mr. S.A. Kock,

tegen:

[naam gedaagde],

te Aruba,

GEDAAGDE, hierna ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. D.G. Croes.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingediend op 1 september 2020;

- de bij e-mail van 16 september 2020 door [gedaagde] toegezonden producties;

- de mondelinge behandeling op 7 oktober 2020.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Partijen hebben een relatie gehad van 23 jaar. Partijen zijn niet gehuwd geweest.

2.2

Op 10 oktober 2008 hebben partijen een samenlevingsovereenkomst gesloten (verzoekschrift, prod. III), waarin onder meer het volgende is bepaald:

“(…)

ALGEMEEN

Artikel 1.

1. Tussen de partners zal geen vermogensrechtelijke gemeenschap van goederen bestaan behoudens:

a. de mogelijkheid dat goederen gemeenschappelijk worden verkregen krachtens een rechtshandeling welke door hen gemeenschappelijk werd verricht;

b. de verkrijging van de goederen ten behoeve van de gewone gang van de huishouding zoals bedoeld in Artikel 2. (…)

BEEINDIGING VAN DE OVEREENKOMST

Artikel 6

Als de samenleving eindigt, eindigt daarmee ook samenlevingsovereenkomst.-

Deze samenleving eindigt:

- (…)

- door eenzijdige opzegging bij aangetekende brief of door deurwaardersexploot; bij die opzegging dient tenminste een termijn van drie (3) maanden in acht genomen te worden.

(…).”

2.3 [

eiseres] is sedert 6 juli 2011 rechthebbende op een recht van erfpacht ten aanzien van een perceel domeingrond, groot zeshonderd vierkante meter (600 m2), kadastraal bekend als Land Aruba Tweede Afdeling Sectie A nummer 930, met de zich daarop bevindende woning, plaatselijk bekend als [naam perceel] (hierna: het perceel) (verzoekschrift, prod. 2) Dit perceel was tijdens de levering aan haar op 6 juli 2011 onbebouwd.

2.4

Bij notariële akte van hypotheekverlening van 26 oktober 2011 (zie producties [gedaagde]) heeft [eiseres] als onderzetter een recht van hypotheek verleend op het perceel met de daarop in aanbouw zijnde woning tot zekerheid van terugbetaling van een lening van Afl. 135.000,- die [gedaagde] als kredietnemer met Volkskredietbank van Aruba was aangegaan voor de bouw van de woning.

2.5

Op het perceel is een woning gebouwd (hierna: de woning). Partijen hebben in de woning voor een periode van minimaal zes jaar samengewoond.

2.6

In 2018 is de affectieve relatie van partijen tot een einde gekomen. Zij zijn gezamenlijk in de woning blijven wonen.

2.7 [

eiseres] heeft diverse aangiften tegen [gedaagde] gedaan van het plegen van geweld tegen haar (verzoekschrift, prod. IV e.v.).

2.8

Bij brief van 10 juli 2019 heeft [eiseres] het samenlevingscontract opgezegd en heeft zij [gedaagde] verzocht de woning te verlaten (verzoekschrift, prod. 3).

2.9

Bij brief van 30 oktober 2019 heeft [eiseres] wederom aan [gedaagde] verzocht om de woning te verlaten. [gedaagde] is ook verzocht om de auto’s en goederen die bestemd zijn voor het drijven van zijn garage te verwijderen.

2.10

Aan de verzoeken van [eiseres] heeft [gedaagde] tot op heden niet voldaan. [gedaagde] verblijft nog steeds in de woning.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [

eiseres] vordert dat het Gerecht, bij vonnis in kort geding en uitvoerbaar bij voorraad:

- [ gedaagde] veroordeelt om de woning te [naam perceel] te verlaten en te ontruimen met alle zich daarin bevindende goederen, voor zover deze niet eigendom zijn van [eiseres], om de woning met afgifte van alle sleutels ter vrije beschikking van [eiseres] te stellen, en om al de door [gedaagde] te [naam perceel] geplaatste auto’s weg te nemen, binnen twee weken na het wijzen van dit vonnis;

- [ gedaagde] veroordeelt tot het betalen van een gebruiksvergoeding gelijk aan Afl. 1.000,- per maand vanaf maart 2019 tot en met de datum van de daadwerkelijke ontruiming;

- met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de proceskosten.

3.2 [

eiseres] grondt de vordering erop dat:

- zij uit hoofde van het recht van erfpacht de enige gerechtigde is tot de woning;

- [ gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft;

- zij wegens het door [gedaagde] jegens haar gepleegde geweld er belang bij heeft dat [gedaagde] de woning verlaat.

3.3 [

gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd:

- dat door hem geen geweld is gepleegd jegens [eiseres] en dat de aangiftes van haar niet op waarheid berusten;

- dat hij de woning met eigen handen heeft gebouwd;

- dat hij voor de aanschaf van de materialen voor de bouw van de woning een lening is aangegaan bij de Volkskredietbank, welke lening in de loop der jaren uit zijn inkomen is afgelost.

4 DE BEOORDELING

Spoedeisend belang

4.1 [

gedaagde] heeft allereerst betwist dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij de door haar ingestelde vordering tot ontruiming, maar dit verweer slaagt niet. Uit hetgeen [eiseres] aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, volgt dat zij een voldoende spoedeisend belang heeft. Dat partijen in de woning zijn blijven samenwonen nadat de relatie is geëindigd en nog steeds in hetzelfde bed slapen, zoals [gedaagde] onweersproken ter zitting heeft aangevoerd, rechtvaardigt niet zonder meer dat [eiseres] geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening heeft. Ook zou juist zijn, zoals van de zijde van [gedaagde] is gesteld, dat hij geen geweld jegens [eiseres] heeft gebruikt, dan nog is op grond van hetgeen beide partijen ter zitting omtrent hun relatie hebben aangevoerd voorshands voldoende aannemelijk geworden dat het samenwonen al geruime tijd zeer moeizaam verloopt en dat dit psychisch belastend is voor [eiseres].

Ontruiming

4.2

Voor een toewijzing van een vordering tot ontruiming, zoals de voorliggende vordering, bestaat in kort geding onder meer aanleiding indien aannemelijk is dat ook de bodemrechter zal oordelen dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft. Het Gerecht is van oordeel dat dat in deze zaak het geval is. Daartoe overweegt het Gerecht als volgt.

4.3

Niet in geschil is dat uitsluitend aan [eiseres] het recht van erfpacht is geleverd. Dit brengt mee dat zij de uitsluitend gerechtigde is geworden van het perceel en de daarop later gerealiseerde woning. Gezien hetgeen hiervoor onder 2.2 en 2.3 is vermeld, staat ook vast dat de woning niet uit hoofde van de samenlevingsovereenkomst of anderszins binnen een tussen partijen bestaande gemeenschap valt. Dat [gedaagde] de woning met eigen handen heeft gebouwd en de aflossingen heeft betaald op de lening waarmee de materialen van de woning zijn gefinancierd (zoals door hem gesteld), brengt op zichzelf niet mee (indien die stellingen van [gedaagde] komen vast te staan) dat [gedaagde] medegerechtigde tot het perceel en de daarop gebouwde woning is geworden. Hooguit brengt dit mee dat [gedaagde] een vordering heeft op [eiseres] tot vergoeding van de bedragen die aldus door hem voor de bouw van de woning zijn aangewend, zoals [eiseres] heeft aangevoerd. [gedaagde] heeft verder niet aangevoerd dat hij op grond van een (huur)overeenkomst in de woning verblijft of dat hem ter zake een ander gebruiksrecht toekomt. Dat brengt mee dat voorshands aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft. Feiten en omstandigheden die meebrengen dat bij een afweging van belangen het belang van [gedaagde] meebrengt dat op korte termijn niet van hem kan worden gevergd dat hij de woning verlaat, zijn gesteld noch gebleken. De op dit onderdeel gevraagde voorziening zal om die reden thans in kort geding worden toegewezen, met dien verstande dat op grond van redelijkheid en billijkheid aan [gedaagde] de in het dictum vermelde ontruimingstermijn zal worden gegund.

4.4

Afweging van de belangen van partijen maakt al het vorenstaande niet anders, nu het Gerecht geen zwaarwegender belangen ziet zijdens [gedaagde] bij afwijzing van het door [eiseres] verzochte ten opzichte van de belangen van [eiseres] bij toewijzing daarvan, behoudens het navolgende. De titel tot ontruiming van het gehuurde mag niet ten uitvoer worden gelegd indien en voorzover er van overheidswege in het kader van de volksgezondheid noodvrijheidsbeperkende maatregelen gelden in de zin van ‘shelter in place’ en/of een avondklok (‘toque de keda’). Evenmin mag de titel tot ontruiming niet worden uitgevoerd zolang [gedaagde] wegens een (mogelijke) besmetting met het coronovirus conform de door de overheid gestelde regels in quarantaine moet verblijven. Het Gerecht zal aldus bepalen.

Gebruiksvergoeding

4.5

De door [eiseres] gevorderde gebruiksvergoeding zal worden afgewezen omdat voorshands vaststaat dat [gedaagde] niet het exclusieve genot heeft gehad van de woning.

4.6

Gelet op de omstandigheid dat partijen een affectieve relatie hebben gehad, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.7

Gezien het overgelegde bewijs van onvermogen zal aan [eiseres] toestemming worden verleend om kosteloos te mogen procederen.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit Gerecht, recht doende in kort geding:

5.1

verleent [eiseres] toelating om kosteloos te procederen;

5.2

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien (14) dagen na betekening van dit vonnis de woning te [naam perceel] te ontruimen met alle zich daarin bevindende goederen die aan hem toebehoren en om de woning onder afgifte van de sleutels daarvan ter vrije beschikking te stellen van [eiseres];

5.3

bepaalt dat voormelde ontruimingstitel niet ten uitvoer mag worden gelegd en niet door [gedaagde] nageleefd hoeft te worden indien en voorzover er in Aruba van overheidswege in het kader van de volksgezondheid noodvrijheidsbeperkende maatregelen gelden in de zin van ‘shelter in place’ en/of een avondklok (‘toque de keda’) en indien hij wegens een (mogelijke) besmetting met het coronavirus conform de door de overheid gestelde regels in quarantaine moet verblijven;

5.4

veroordeelt [gedaagde] om, binnen veertien (14) dagen na betekening van dit vonnis, al de door hem geplaatste auto’s te [naam perceel] weg te nemen;

5.5

compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

5.6

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.7

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag, 7 oktober 2020 in aanwezigheid van de griffier.