Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:409

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
21-10-2020
Zaaknummer
AUA20191793
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Executiegeschil, Beschikking vernietigd, Terugbetaling, Onverschuldigde betaling, Nakoming ongedaanmakingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 9 september 2020

Behorende bij A.R. no. AUA20191793

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

POST ARUBA N.V.,

te Aruba,

hierna te noemen: Post Aruba,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

1 [GEDAAGDE 1],

2. [GEDAAGDE 2],

beiden te Aruba,

hierna te noemen: [gedaagden],

gemachtigde: de advocaat mr. M.O. Lopez.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek met een usb-stick met audio opnames;

- de akte uitlating producties zijdens Post Aruba.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1 [

Gedaagden] zijn echtelieden, gehuwd in gemeenschap van goederen.

2.2

Op 1 november 1996 is [gedaagde 1] in dienst getreden bij Post Aruba.

2.3

Op 16 juni 2016 is [gedaagde 1] door Post Aruba op staande voet ontslagen.

2.4

Bij vonnis in kort geding van 26 oktober 2016 in zaak nr. K.G. no. 2184 van 2016 heeft het Gerecht het verzoek van [gedaagde 1] om doorbetaling van loon afgewezen.

2.5

Bij beschikking van 3 juli 2018 in zaak nr. E.J. 3084 van 2016 (AUA201600986) heeft het Gerecht onder meer Post Aruba veroordeeld om aan [gedaagde 1] zijn loon te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van iedere loontermijn tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tot een einde is gekomen, en om [gedaagde 1] binnen 14 dagen na betekening van deze uitspraak weer toe te laten tot het werk. Tegen deze beschikking heeft Post Aruba op 24 juli 2018 hoger beroep ingesteld.

2.6

Bij beschikking van 18 september 2018 in zaak nr. AUA201600986 heeft het Gerecht op het verzoek van [gedaagde 1] om verbetering van de beschikking van 3 juli 2018 de beslissing opgenomen in die beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.7

Bij beschikking van 2 oktober 2018 in zaak nr. E.J. no. AUA201802340 heeft het Gerecht onder meer de tussen [gedaagde 1] en Post Aruba gesloten arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen met ingang van 10 oktober 2018 ontbonden, indien en voor zover in (bodem)rechte onherroepelijk komt vast te staan dat die overeenkomst nog bestaat en bepaalt dat Post Aruba in dat geval een billijkheidsvergoeding van Afl. 225.000,- bruto aan [gedaagde 1] dient te betalen, met dien verstande dat een eventueel door Post Aruba aan [gedaagde 1] uit te keren bedrag aan cessantia in mindering strekt op die vergoeding.

2.8

In een uittreksel van de besluitenlijst van de vergadering van de ministerraad van 7 september 2018 staat het volgende:

“Ingekomen stuk

Brief SEPPA d.d. 5 september 2018 inzake de langslepende zaak m.b.t. de onrechtvaardige behandeling Aruba Post NV jegens hun medewerkers de heren […] en [gedaagde 1].

De Ministerraad gaat akkoord met voorstel MinSoZAr en MinTCP om aan deze langslepende zaak een einde te maken gelet op ingewonnen inlichtingen alsmede rechterlijke uitspraak en Aruba Post NV verzoeken over te gaan tot stopzetten van de ontslagprocedure, zodat betrokkenen zo spoedig mogelijk met hun werkzaamheden kunnen hervatten.”

2.9

Per WhatsApp (audio) van onderscheidenlijk 8 september, 13 oktober, 19 oktober, 2 november en 22 december 2018 heeft de minister van Sociale Zaken en Arbeid [gedaagde 1] het volgende bericht:

“Mi ta kere cu bo por bisa bo abogado cu ba compronde cu ministerraad a tuma e decishon cu e casonan ta wordu para y cu boso lo wordu tewerkgesteld bek na Postkantoor (…)

Door cu nos a papie ayera [Minister SOZAR], [Minister AZ], [Minister TCP] y otro ministernan di MEP anto door di esey mi a wordu informa cu e ordu a bai pa postkantoor y abogado di postkantoor cu si e deseo di [gedaagde 1] ta pa bai bek trabou e ta bai bek trabou y claro nan mester pagabo tur loke nan debebo di tur e tempo.

Nos ta wardando awe [Minister TCP] el a priminti cu awe e ta handle e cos aki (…)

Djis pa bo sa despues di ministerraad [Minister TCP] a bai reuni cu [directeur Post Aruba] y basicamente a nos ta verwacht pa e bise cu bo mester bai bek trabou nan mester paga bo loke bo mester (…)

[Minister AZ] a duna ordu den chat group di MEP pa tur hende oficialmente sinta na mesa y jega na un acuerdo y no ta bai hoger beroep.”

2.10

Op 7 november 2018 heeft Post Aruba [gedaagde 1] een bedrag van Afl. 11.569,11 betaald.

2.11

Bij vonnis in kort geding van 6 maart 2019 in zaak nr. K.G. AUA201900404 heeft het Gerecht het verzoek van Post Aruba om [gedaagde 1] te verbieden om de uitspraken van 3 juli 2018 en van 18 september 2018 te executeren in afwachting van de beslissing van het Hof in het door Post Aruba ingestelde hoger beroep afgewezen.

2.12

Op 12 april 2019 heeft Post Aruba [gedaagde 1] een bedrag van Afl. 126.459,47 betaald.

2.13

Bij beschikking van 16 april 2019 heeft het Hof de beschikking van het Gerecht van 3 juli 2018 vernietigd. Tegen deze beschikking zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

2.14

Bij beschikking van 17 mei 2019 heeft het Gerecht Post Aruba verlof verleend om conservatoir beslag te leggen op het recht van erfpacht van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op het perceel domeingrond en de daarop gelegen woning, plaatselijk bekend [adres] te Aruba, ter verzekering van een vordering van Post Aruba van Afl. 160.000,-.

2.15

Op 24 mei 2019 is namens Post Aruba conservatoir derdenbeslag gelegd op het recht van erfpacht op het perceel.

2.16

Bij brief van 8 augustus 2019 heeft [gedaagde 1] de minister van Sociale Zaken en Arbeid en de minister van Transport, Communicatie en Primaire Sector het volgende geschreven:

“Bij ministerraadbesluit van 7 september 2018 heeft deze besloten; het stopzetten van het ontslagprocedure bij Aruba Post NV en mijn wedertewerkstelling. (zie bijlage 1)

Ondanks dit besluit, is nog steeds geen gehoor aan gegeven door de desbetreffende ministers die het in de ministerraad hebben voorgedragen (MinSozaR en MinTCP) en waarvan de minister van TCP verantwoordelijk is voor de uitvoering hiervan.

Gaarne verzoek ik u z.s.m. uitvoering aan dit besluit te geven.”

3 HET VERZOEK EN HET VERWEER

3.1

Post Aruba verzoek het Gerecht om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om aan Post Aruba te betalen het bedrag van Afl. 139.191,57, vermeerderd met de wettelijke rente per 16 juni 2016, met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten.

3.2

Aan deze vordering legt Post Aruba het volgende ten grondslag. Post Aruba heeft het bedrag van Afl. 139.191,57 aan [gedaagde 1] betaald, op basis van (executie) van de beschikking van het Gerecht van 3 juli 2018. Deze beschikking is bij beschikking van het Hof van 16 april 2019 vernietigd. Dit brengt met zich dat de betaling aan [gedaagde 1] zonder grond is gedaan. Gelet hierop, vordert Post Aruba terugbetaling van dit bedrag dat zij aan hem heeft betaald.

3.3 [

Gedaagde 1] verzoekt het Gerecht hem verlof te verlenen om kosteloos te procederen. [Gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer, strekkende tot afwijzing van de vordering. [Gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat Post Aruba enige vordering op hen heeft. Verder voeren zij aan dat Post Aruba [gedaagde 1] heeft aangemaand, noch in gebreke heeft gesteld, zodat hij niet in verzuim is. Verder betogen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zowel het Gerecht in zijn beschikking van 3 juli 2018, als de ministerraad in zijn besluit van 7 september 2018, de wedertewerkstelling en doorbetaling van loon van [gedaagde 1] heeft bevolen. Daaraan, gesteund door de berichten die hij van de minister van Sociale Zaken en Arbeid heeft ontvangen, heeft [gedaagde 1] het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat hij weder tewerk zou worden gesteld en dat zijn loon zou worden doorbetaald. Ten slotte voeren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan dat de ministerraad heeft besloten dat de hoger beroepsprocedure tegen de beschikking van het Gerecht van 3 juli 2018 zou worden stopgezet. Door daar geen gevolg aan te geven, heeft Post Aruba jegens [gedaagde 1] onrechtmatig gehandeld, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

4 DE BEOORDELING

Inzake [gedaagde 1]

4.1

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad brengt een onherroepelijk geworden vernietiging door de appelrechter van een rechterlijke uitspraak in eerste aanleg mee dat de rechtsgrond ontvalt aan hetgeen reeds ter uitvoering van die uitspraak is verricht, en dat op de voet van artikel 6:203 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een vordering tot ongedaanmaking van de verrichte prestatie ontstaat. In deze rechtspraak ligt besloten dat de vernietiging van een rechterlijke uitspraak terugwerkende kracht heeft, en dat de vordering strekkende tot ongedaanmaking van de verrichte prestatie op de voet van artikel 6:203 BW ontstaat op het moment waarop ter uitvoering van die uitspraak is gepresteerd, ongeacht of daarbij sprake is van een prestatie als bedoeld in lid 1, lid 2, dan wel lid 3 (vergelijk HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1052).

Vast staat dat Post Aruba [gedaagde 1] Afl. 139.191,57 heeft betaald ter uitvoering van de beschikking van het Gerecht van 3 juli 2018 waarbij Post Aruba tot doorbetaling van het loon vanaf de datum van het ontslag is veroordeeld, dat het Hof deze beschikking heeft vernietigd, en dat de beschikking van het Hof onherroepelijk is geworden. Gezien voormelde rechtspraak van de Hoge Raad brengt dit met zich dat aan de betaling door Post Aruba aan [gedaagde 1] van het bedrag van Afl. 139.191,57 de rechtsgrond is komen te ontvallen en dat op de voet van artikel 6:203 BW een vordering tot ongedaanmaking van die prestatie is ontstaan. Omdat de onverschuldigde betaling een geldsom betreft, strekt de vordering tot ongedaanmaking tot teruggave van een gelijk bedrag (artikel 6:203, lid 2, BW).

4.2

Anders dan [gedaagde 1] betoogt, geeft de omstandigheid dat de ministerraad heeft besloten “Aruba Post NV verzoeken over te gaan tot stopzetten van de ontslagprocedure, zodat betrokkenen zo spoedig mogelijk met hun werkzaamheden kunnen hervatten”, geen grondslag voor de betaling van loon aan [gedaagde 1] vanaf de datum van zijn ontslag. Die betaling is gedaan ter uitvoering van de beschikking van het Gerecht van 3 juli 2018. Nog daargelaten welke betekenis toekomt aan een besluit van de ministerraad in een arbeidsgeschil als het onderhavige, is bij dat besluit slechts besloten Post Aruba te verzoeken de beschikking van het Gerecht van 3 juli 2018 na te leven en de ontslagprocedure stop te zetten, derhalve het hoger beroep tegen die beschikking in te trekken. Kennelijk heeft deze beslissing Post Aruba geen aanleiding gegeven het hoger beroep in te trekken. Dat hoger beroep heeft geresulteerd in de beschikking van het Hof van 16 april 2019, waarbij de beschikking van het Gerecht van 3 juli 2018 is vernietigd. Zoals hiervoor onder 4.1 is overwogen, is daarmee de rechtsgrond aan de loondoorbetaling na de datum van het ontslag komen te ontvallen. Voor zover [gedaagde 1] meent dat Post Aruba door het hoger beroep niet in te trekken, jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, omdat hij er gelet op het besluit van de ministerraad van 7 september 2018 en de uitlatingen van de minister van Sociale Zaken en Arbeid op mocht vertrouwen dat Post Aruba zou berusten in de beschikking van het Gerecht van 3 juli 2018 en deze beschikking zou uitvoeren, staat het hem vrij om ter zake een vordering in te stellen.

4.3

De voorliggende vordering van Post Aruba, uit onverschuldigde betaling, strekt tot nakoming van de ongedaanmakingsverplichting die voor [gedaagde 1] is ontstaan met het onherroepelijk worden van de beschikking van het Hof van 16 april 2019. Voor een zodanige vordering is verzuim niet vereist, zodat het verweer van [gedaagde 1] dat hij niet in verzuim is hem in zoverre niet baat.

4.4

Post Aruba vordert wettelijke rente, vanaf de dag van het ontslag op staande voet. [Gedaagde 1] betwist wettelijke rente verschuldigd te zijn, omdat hij niet in verzuim is. Het Gerecht overweegt hierover het volgende. Ingeval de ontvanger van een onverschuldigde betaling met betrekking tot de ongedaanmakingsvordering in verzuim is, kan hem de vertragingsschade die degene die onverschuldigd heeft betaald lijdt gedurende de periode tussen het ontstaan van de vordering uit onverschuldigde betaling, te weten het tijdstip van de betaling, en het tenietgaat daarvan door voldoening door de ontvanger in rekening worden gebracht (6:85 BW). Voor het in rekening brengen van wettelijke rente over de periode voor het tijdstip van de betaling, zoals Post Aruba vordert, bestaat dan ook geen grond.

[Gedaagde 1] heeft de stelling dat Post Aruba hem na de beschikking van het Hof van 16 april 2019 heeft gemaand tot terugbetaling weersproken. Gelet hierop, lag het op de weg van Post Aruba om zijn stelling ter zake nader te onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan, zodat het Gerecht de stelling van Post Aruba dat zij [gedaagde 1] voordat zij de onderhavige vordering heeft ingesteld tevergeefs tot betaling heeft gemaand, als onvoldoende onderbouwd passeert. Verder heeft Post Aruba onvoldoende onderbouwd dat en waarom [gedaagde 1] de betaling te kwader trouw heeft aangenomen (artikel 6:205 BW). Ten tijde van de betaling bestond daarvoor met de beschikking van het Gerecht van 3 juli 2018 grond, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat [gedaagde 1] wist of behoorde te weten dat Post Aruba hem geen betaling verschuldigd was. De enkele omstandigheid dat tegen de beschikking van het Gerecht van 3 juli 2018 hoger beroep aanhangig was, is daartoe onvoldoende. Dat brengt met zich dat [gedaagde 1] niet in verzuim was, zodat hij Post Aruba geen wettelijke rente verschuldigd is ingaande het tijdstip waarop aan hem onverschuldigd is betaald.

Gelet op het voorgaande, wordt de gevorderde wettelijke rente op na te melden wijze toegewezen.

4.5

Gezien het overgelegde bewijs van onvermogen, zal het Gerecht [gedaagde 1] verlof verlenen om kosteloos te procederen.

4.6

Als de in het ongelijk gestelde partij, zal [gedaagde 1] worden veroordeeld in de proceskosten.

Inzake [gedaagde 2]

4.7 [

Gedaagde 2] heeft betwist dat Post Aruba enige vordering op hen heeft.

Post Aruba heeft de vordering jegens [gedaagde 2] onvoldoende nader onderbouwd. Post Aruba heeft niet betoogd dat en waarom zij onverschuldigd aan [gedaagde 2] heeft betaald. De enkele stelling dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] echtelieden zijn, gehuwd in gemeenschap van goederen, zodat de verplichting om terug te betalen op beiden rust, is daartoe onvoldoende. Dat Post Aruba voor verhaal van haar vordering het aandeel van [gedaagde 1] in de gemeenschap of een gemeenschappelijk goed kan uitwinnen, brengt niet met zich dat Post Aruba een vordering ter zake jegens [gedaagde 2] heeft.

4.8

Gelet hierop, wordt de vordering afgewezen.

4.9

Als de in het ongelijk gestelde partij, zal Post Aruba worden veroordeeld in de proceskosten.

5 DE UITSPRAAK

het Gerecht:

Inzake [gedaagde 1]

5.1

verleent [gedaagde 1] verlof om kosteloos te procederen;

5.2

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan Post Aruba van een bedrag van Afl. 139.191,57, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2019 totdat volledig zal zijn betaald;

5.3

veroordeelt [gedaagde 1] in de kosten van de procedure, die die tot de datum van uitspraak aan de kant van Post Aruba worden begroot op Afl. 940,- aan griffierecht, Afl. 204,15 aan explootkosten en Afl. 4.000,- (2 punten in tarief 7) aan salaris van de gemachtigde;

5.4

wijst af het meer of anders gevorderde;

Inzake [gedaagde 2]

5.5

wijst de vordering af;

5.6

veroordeelt Post Aruba in de kosten van de procedure, die die tot de datum van uitspraak aan de kant van [gedaagde 2] worden begroot op Afl. 4.000,- (2 punten in tarief 7) aan salaris van de gemachtigde;

In beide zaken

5.7

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 9 september 2020 in aanwezigheid van de griffier.