Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:398

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
14-10-2020
Zaaknummer
AUA202001158
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorziening bij voorraad – tijdelijke plaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 3 juni 2020

Gaza nr. AUA202001158

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek tot het treffen van een voorziening bij voorraad als bedoeld in

artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[verzoeker],

wonend te Aruba,

VERZOEKER,

gemachtigde: mr. E. Duijneveld,

tegen:

de Minister van Justitie, Veiligheid en Integratie,

zetelend te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. V. Emerencia (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij beslissing van 19 maart 2020 (de bestreden beschikking) heeft de commandant van de Brandweer verzoeker geïnformeerd dat hij tijdelijk op de afdeling Logistiek/Magazijn wordt geplaatst totdat het onderzoek naar de gebeurtenissen op 15 december 2019 is afgerond.

Hiertegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt, als bedoeld in artikel 35 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La), door indiening van een bezwaarschrift op 16 april 2020 bij dit gerecht.

Op 16 april 2020 heeft verzoeker zich tevens tot het gerecht gewend met een verzoek tot het treffen van een voorziening bij voorraad als bedoeld in artikel 94 van de La.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 20 mei 2020, alwaar zijn verschenen verzoeker bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

OVERWEGINGEN

Het wettelijk kader

1. Ingevolge artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is.

De feiten

2.1

Verzoeker is ambtenaar bij de Dienst Brandweer.

2.2

Verzoeker is naar aanleiding van een incident op 15 december 2019 de toegang tot alle dienstlokalen, -gebouwen, -terreinen en voertuigen van de Dienst Brandweer ontzegd.

2.3

Bij advies van het DRH is aan verweerder geadviseerd om verzoeker tijdelijk in een andere functie te plaatsen totdat het onderzoek naar de gebeurtenissen op 15 december 2019 is afgerond.

2.4

Bij de bestreden beschikking is verzoeker tijdelijk op de afdeling Logistiek/Magazijn geplaatst.

Standpunten van partijen

3.1

Verzoeker kan zich niet verenigen met de in de bestreden beschikking genomen beslissing om hem tijdelijk op een andere afdeling te plaatsen en stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat de bestreden beschikking in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dan met name met het motiverings-, rechtszekerheids- en fair-play beginsel. Verzoeker voert voorts aan dat verweerder niet met voldoende voortvarendheid werkt aan het afronden van het disciplinair onderzoek. Ter zitting heeft verzoeker desgevraagd gesteld dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek, daar hij momenteel geen overuren kan maken en daar hij door de lange duur van het disciplinair onderzoek risico loopt op reputatieschade.

3.2

Verweerder heeft aan de bestreden beschikking ten grondslag gelegd dat nu de periode van de aan verzoeker opgelegde toegangsontzegging (inclusief de verlenging hiervan) reeds is uitgewerkt, verzoeker, conform advies van het Departamento di Recurso Humano (DRH), tijdelijk op de afdeling Logistiek/Magazijn wordt geplaatst totdat het disciplinair onderzoek is afgerond. Ter zitting heeft verweerder voorts aangevoerd dat het niet om een definitieve plaatsing gaat, maar dat het een tijdelijke plaatsing betreft totdat een beslissing is genomen omtrent de op te leggen disciplinaire straf. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat het disciplinair onderzoek momenteel in de afrondingsfase is en dat de beslissing omtrent de disciplinaire straf recent aan de Gouverneur is aangeboden ter ondertekening.

De beoordeling

4.1

Voor het treffen van een voorziening bij voorraad zal slechts aanleiding bestaan, indien verzoeker een zodanig spoedeisend belang heeft, dat niet van hem kan worden gevergd dat hij de beslissing in de bodemzaak afwacht.

4.2

Ter zitting heeft verzoeker desgevraagd te kennen gegeven dat zijn spoedeisend belang ligt in het feit dat hij in zijn tijdelijke functie op de afdeling Logistiek/Magazijn geen overuren kan draaien en dat hij door de lange duur van het disciplinair onderzoek risico loopt op reputatieschade.

4.3.1

De voorzieningenrechter stelt vast dat het door verzoeker primair gestelde belang bij de verzochte voorziening een financieel belang betreft. Een dergelijk belang vormt volgens vaste rechtspraak op zichzelf geen reden om een voorziening bij voorraad te treffen. Dit kan slechts anders zijn indien het financiële belang zodanig zwaarwegend is dat sprake is van een actuele financiële noodsituatie. Dat in het onderhavige geval sprake is van een zwaarwegend financieel belang als hiervoor bedoeld, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in een onomkeerbare financiële noodsituatie komt te verkeren. Evenmin heeft verzoeker onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat hij door de plaatsing in een tijdelijke functie risico loopt op reputatieschade. .3.2 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is, gelet op het vorenstaande, het voor het treffen van een voorlopige voorziening vereiste spoedeisend belang dan ook niet aanwezig.

5. Nu het verzoek het voor het inwilligen daarvan noodzakelijke spoedeisend belang ontbeert, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. M. Soffers, ambtenarenrechter, en wordt geacht in het openbaar te zijn uitgesproken op 3 juni 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.