Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:390

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
14-10-2020
Zaaknummer
AUA201903498
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenrecht - Weigering verblijfsvergunning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 31 augustus 2020

Lar nr. AUA201903498

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[appellant],

verblijvende in Aruba,

APPELLANT,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

gericht tegen:

de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. N.R. Sneek (DIMAS).

PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 16 april 2019 heeft verweerder het verzoek van appellant om een vergunning tot tijdelijk verblijf om alhier werkzaam te zijn en te verblijven, afgewezen, omdat het Departamento di Progreso Laboral (DPL) negatief heeft geadviseerd. Hiertegen heeft appellant op 10 mei 2019 bezwaar gemaakt.

Bij beslissing van 8 oktober 2019 heeft verweerder het bezwaar van appellant, ongegrond verklaard en de beschikking gehandhaafd.

Tegen deze beslissing op bezwaar (hierna: de bestreden beslissing) heeft appellant op 9 oktober 2019 beroep bij dit gerecht ingesteld.

Verweerder heeft op 6 december 2019 een verweerschrift ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2020. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Paula occuperende voor mr. N.R. Sneek. Tevens waren aanwezig mrs. [X] en [XX], beiden werkzaam bij DPL.

OVERWEGINGEN

Het wettelijk kader

1.1

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) wordt, behalve de in de artikelen 1 en 3 vermelde personen, niemand in Aruba toegelaten zonder vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf.

1.2

Ingevolge artikel 7, eerste lid van de Ltu wordt een vergunning tot tijdelijk verblijf verleend door of namens de minister. De vergunning heeft een duur van ten hoogste een jaar.

Ingevolge het zesde lid van dit artikel kunnen aan vergunningen voorwaarden worden verbonden in het algemeen belang. Aan de vergunning worden bovendien, de minister, belast met arbeidsverhoudingen, gehoord, voorwaarden verbonden ten aanzien van het uitoefenen van een bepaald beroep of bedrijf, respectievelijk het in dienst zijn van een bepaalde werkgever en in een bepaalde functie.

1.3

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ltu, kan de vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf door of namens de minister worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waartoe ook de bescherming van de volksgezondheid en de arbeidsmarkt wordt gerekend te behoren.

De feiten

2.1

Bij verklaring van 13 juni 2018, doch afgegeven op 24 augustus 2018, met kenmerk 229.2018, heeft de minister van Sociale Zaken en Arbeid schriftelijk bezwaar geuit tegen de toetreding van appellant tot de Arubaanse arbeidsmarkt. In de verklaring staat – voor zover hier van belang – het volgende:

“Hiermede wordt verklaard dat u op 8 maart 2018 een vacaturemelding bij de afdeling Arbeidsbemiddeling en Re-integratie van het Departamento di Progreso Laboral (DPL) heeft geplaatst voor de functie van veehouder .

Reden(en) van bezwaar:

Een verklaring van geen bezwaar wordt niet afgegeven indien het een functie betreft waarvoor het onaannemelijk is dat er geen lokaal aanbod voorhanden is, ongeacht het feit of bemiddeling door het DPL al dan niet sollicitanten heeft opgeleverd. De werkgever dient zich op deugdelijke wijze in te spannen en op de lokale arbeidsmarkt te zoeken naar geschikte lokale arbeidskrachten.

Reden waarom bezwaar bestaat tegen toetreding tot de Arubaanse arbeidsmarkt van appellant , geboren op [xxx] te Haïti .”

2.3

Bij beschikking van 16 april 2019 heeft verweerder het verzoek van appellant van 26 februari 2019 om verlening van een (eerste) vergunning tot tijdelijk verblijf om alhier als veehouder bij [A] werkzaam te zijn, afgewezen. In die beschikking staat – voor zover hier van belang – het volgende:

“(…) de aanvraag is afgewezen.

Uit ambtsberichten is gebleken dat u niet voldoet aan de voorwaarden die gesteld zijn aan deze verblijfstitel. De afgegeven DPL verklaring met kenmerk #229.2018 is negatief.(…)”

2.4

Bij de bestreden beslissing op bezwaar heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. In die beslissing staat -voor zover hier van belang- het volgende:

“(…) Reden dat uw bezwaarschrift ongegrond is bevonden is, dat u geen verklaring van geen bezwaar afgegeven door de DPL bij de indiening van de aanvraag heeft overgelegd. (…)

Het bovenstaande betekent dat u niet voldoet aan de voorwaarden die gesteld zijn aan deze verblijfstitel. (…) De Minister van Justitie, Veiligheid en Integratie is onbevoegd om het advies van de DPL te wijzigen aangezien dit een bevoegdheid is van de Minister belast met Arbeid.

In casu zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die zouden kunnen leiden tot een ander oordeel en geconcludeerd kan worden dat de afwijzende beschikking op goede gronden staaft.

De beschikking d.d. 16 april 2019 blijft derhalve gehandhaafd. (…).”

De standpunten van partijen

3.1

Appellant kan zich niet verenigen met de afwijzing van zijn vergunningsaanvraag en heeft zich -samengevat- op het standpunt gesteld dat de beslissing een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert, nu de enige reden voor de afwijzing, namelijk het negatieve advies van het DPL, onjuist is.

Ter onderbouwing hiervan heeft appellant aangevoerd, dat nu in het advies uitdrukkelijk wordt aangegeven dat het DPL geen lokale kracht heeft of kan aanwijzen, hij niet negatief kan adviseren. Voorts voert appellant aan dat uit de bestreden beslissing blijkt dat verweerder “zich gewoon neerlegt bij het advies van het DPL en dus geen eigen toetsing uitvoert”. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante betoogd dat de enige kandidaat die door DPL naar de werkgever was gestuurd, naar alcohol rook en bij de vorige werkgever mede om die reden was ontslagen. Tenslotte heeft appellant aangevoerd dat er geen lokale arbeidskrachten zijn die bereid zijn het verzochte werk te verrichten, omdat het zeven dagen in de week werken betekent, in de hete zon.

3.2

Aan de bestreden beslissing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat appellant niet voldoet aan de vereisten voor een vergunning, nu hij niet beschikt over een verklaring van het DPL van geen bezwaar om toe te treden tot de Arubaanse arbeidsmarkt.

Ter zitting is namens verweerder aangevoerd, dat er geen positieve verklaring is afgegeven, omdat het in dit geval gaat om een vacature voor een laagopgeleide arbeidskracht zonder enige werkervaring, zodat niet aannemelijk is dat voor die functie geen lokale kandidaten voorhanden zijn. Het is aan de werkgever om zich meer in te spannen om een lokale kracht te vinden.

De beoordeling

4.1

Uit artikel 7, zesde lid van de Ltu volgt dat verweerder, bij zijn besluitvorming omtrent de verlening van vergunning tot tijdelijk verblijf met het oog op het verrichten van arbeid in loondienst, zijn collega, belast met arbeidsverhoudingen, (hierna: de minister van Sociale Zaken en Arbeid) dient te raadplegen. Ter zitting is gebleken dat dit raadplegen bestaat uit het toetsen van de vacature aan de Arubaanse arbeidsmarkt, waarbij wordt nagegaan of er lokale arbeidskrachten zijn die voldoen aan de gevraagde functievereisten van de vacature, het een en ander ingevolge het gehanteerde beleid arbeidsparticipatie. Uit artikel 9, eerste lid aanhef en onder sub a, van de Ltu volgt dat een vergunning tot tijdelijk verblijf kan worden geweigerd in verband met de bescherming van de Arubaanse arbeidsmarkt.

4.2

Nu het in dit geval gaat om een vacature voor de functie van veehouder, waarvoor geen opleidingsvereiste geldt en geen (relevante) werkervaring vereist is, heeft verweerder naar het oordeel van het gerecht terecht doorslaggevend gewicht toegekend aan de verklaring van de minister van Sociale Zaken en Arbeid, dat er bezwaar is tegen de toetreding van appellant tot de arbeidsmarkt. Aangenomen dient immers te worden dat er lokale arbeidskrachten zijn die voldoen aan de gevraagde functievereisten van de vacature. Hier doet niet aan af dat het DPL met betrekking tot de vacaturemelding slechts één kandidaat heeft verwezen, die bovendien door de beoogde werkgever ongeschikt is geacht. Niet is immers gebleken dat de beoogde werkgever zelf voldoende inspanning heeft verricht om een lokale arbeidskracht te vinden. Daarbij geldt dat de werkgever geen onredelijke en/of onrechtmatige eisen aan een werknemer mag stellen, zoals het bereid moeten zijn om 7 dagen per week te werken.

4.3

Gelet op het bovenstaande is het gerecht van oordeel dat verweerder op goede grond heeft geweigerd appellant een vergunning tot tijdelijk verblijf om hier als veehouder werkzaam te zijn, te verlenen. Het gerecht weegt hier ook mee dat appellant, die de beslissing op zijn vergunningsaanvraag in het buitenland dient af te wachten nu het een eerste vergunning betreft, kennelijk reeds – zonder verblijfstitel – in Aruba verblijft en werkt.

5. Het beroep is ongegrond.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en werd in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2020 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken).

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de dag van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.