Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:386

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
14-10-2020
Zaaknummer
AUA202001663
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenrecht - voorlopige voorziening – Bevel tot uitzetting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 24 augustus 2020

Lar nr. AUA202001663

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek in de zin van artikel 54 van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[verzoeker],

van Venezolaanse nationaliteit,

VERZOEKER,

gemachtigden: de advocaten mrs. R.L.F. Dijkhoff en J.J.C. Odor,

gericht tegen:

de Minister van Justitie, Veiligheid en Integratie,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. J. Paula (DIMAS).

PROCESVERLOOP

Bij bevelschrift van 2 juni 2020 (de bestreden beschikking) heeft verweerder de uitzetting van verzoeker bevolen.

Tegen deze beschikking heeft verzoeker op 3 juli 2020 bezwaar gemaakt.

Op 15 juli 2020 heeft verzoeker bij dit gerecht een verzoekschrift als bedoeld in artikel 54 van de Lar ingediend.

Het gerecht heeft het verzoek behandeld ter zitting van 12 augustus 2020, alwaar zijn verschenen verzoeker bijgestaan door mr. J. Odor, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

Uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Het wettelijk kader

1.1

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.

1.2

Ingevolge artikel 15, eerste lid aanhef en onder d, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) kunnen uitgezet worden personen die tot tijdelijk verblijf werden toegelaten, wanneer zij in het land worden aangetroffen, nadat de geldigheidsduur van hun tijdelijke verblijfsvergunning is verstreken of nadat de geldigheid van de vergunning door enige andere oorzaak is vervallen.

De feiten

2.1

Aan verzoeker is op 29 oktober 2019 een eerste vergunning tot tijdelijk verblijf verleend om als inwonende dienstbode bij [A] werkzaam te zijn. De vergunning was geldig van 7 juni 2018 tot en met 7 juni 2019.

2.2

Verzoeker heeft op 4 maart 2020 een verzoek tot verlenging van zijn vergunning ingediend. Op dit verzoek is nog niet beslist.

De standpunten van partijen

3.1

Verweerder heeft aan de bestreden beschikking onder meer ten grondslag gelegd dat verzoeker sinds 8 juni 2019 niet in het bezit is van een geldige verblijfstitel, dat hij niet staat ingeschreven in de registers, en dat hij werkend als monteur is aangetroffen.

Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat het verzoek om verlenging van de verblijfsvergunning zeer waarschijnlijk zal worden afgewezen, nu verzoeker, in strijd met het oogmerk van zijn aanvraag om als inwonende dienstbode te mogen werken, als automonteur bij [X] werkzaam was.

3.2

Verzoeker heeft weersproken dat hij tijdens de controle verricht door de medewerkers van het bureau Vreemdelingentoezicht op 2 juni 2020, als automonteur bij [X] werkzaam was. Volgens verzoeker was hij toen het bedrijfspand aan het schoonmaken, op verzoek/in opdracht van zijn werkgever/garantsteller, die tevens directeur en eigenaar is van [X]. Zijn verzoek strekt – naar het gerecht begrijpt – tot schorsing van het uitzettingsbevel, zodat hij alhier de beslissing op zijn bewaar kan afwachten.

De beoordeling

3.1

Voor zover de toetsing aan het in artikel 54, eerste lid, van de Lar neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van het gerecht een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.

3.2

Vast staat dat verzoeker sinds 8 juni 2019 zonder geldige verblijfstitel in Aruba verblijft, zodat verweerder op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, van de Ltu bevoegd is verzoeker uit te zetten.

3.3

De voorzieningenrechter is van oordeel dat een onmiddellijke uitvoering van het bevel tot uitzetting met het daarin opgenomen inreisverbod van 18 maanden, voor verzoeker onevenredig nadeel zou opleveren en dat verzoeker in de gelegenheid moet worden gesteld de beslissing op zijn bezwaar hier af te wachten.

De voorzieningenrechter is tot deze beslissing gekomen op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

In dit geval is gebleken dat verzoeker een verzoek tot verlenging van zijn vergunning tot tijdelijk verblijf bij dezelfde werkgever en onder dezelfde voorwaarden, aanhangig heeft, en dat verweerder nog niet op deze aanvraag heeft beslist. Dat verzoeker deze verlengingsaanvraag niet vóór het verlopen van zijn geldige verblijfsvergunning heeft ingediend, ligt kennelijk aan het feit dat verweerder hem pas in oktober 2019 een eerste vergunning heeft verleend, die toen al was verlopen. Dat hij niet staat ingeschreven in de registers ligt ook hieraan, en kan verzoeker dan ook niet worden tegengeworpen. Tenslotte is niet gebleken op grond waarvan verweerder tot zijn conclusie is gekomen dat verzoeker als automonteur werkzaam was. Dit klemt te meer nu verzoeker voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat hij tijdens de controle het bedrijfspand aan het schoonmaken was op verzoek van zijn werkgever/garantsteller.

3.4

Het bevel tot uitzetting zal worden geschorst.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- schorst het bevel tot uitzetting van [verzoeker], geboren op [xxx] in Venezuela, totdat op het daartegen ingediende bezwaar is beslist;

- gelast de teruggave van het door verzoeker betaalde griffierecht ad Afl. 25,-.

Aldus gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 augustus 2020 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.