Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:383

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
12-10-2020
Zaaknummer
AUA202001430
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort Geding. Toepassing van Stoof/Mammoet op door de werkgever voorgestelde salarisaanpassingen wegens negatieve gevolgen van de Covid-19 pandemie op de bedrijfsomzet. In beginsel is het niet uitgesloten dat de negatieve bedrijfseconomische gevolgen die een werkgever ondervindt ten gevolge van de Covid-19 pandemie, gewijzigde omstandigheden opleveren waarin die werkgever aanleiding kan vinden om een voorstel tot aanpassing van de salarissen te doen. Deze gevolgen behoren dus niet zonder meer tot de exclusieve risicosfeer van de werkgever. De vraag of de gevolgen van de pandemie in een concreet geval aanleiding geven tot het doen van een voorstel tot aanpassing van het salaris, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2020/288
TRA 2021/7 met annotatie van J.J.M. de Laat
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 30 september 2020

Behorend bij AUA202001430

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[naam eiser],

wonende in Aruba,

eiser in conventie, gedaagde in reconventie,

hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd,

tegen:

de naamloze vennootschap

UNICON N.V.,

gevestigd in Aruba,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna ook te noemen: Unicon,

gemachtigde: de advocaat mr. M.E.D. Brown.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingediend op 16 juni 2020;

- de brief met producties van [eiser], ingediend op 20 augustus 2020;

- de pleitaantekeningen van partijen;

- de mondelinge behandeling van de zaak op 21 augustus 2020.

1.2 [

eiser] is in persoon ter zitting verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde mr. D.L. Emerencia, occuperende voor mr. De Hoogd, alsmede de heer Faro (shopsteward van de vakbond Seppa) en mr. E. Duijneveld (kantoorgenoot van mr. De Hoogd). Unicon is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde, alsmede de heer H.H.W. Mondria (directeur) en de heer F.A. Krist (financieel directeur).

1.3

Nadat partijen het gerecht hadden bericht dat ze er na afloop van de zitting niet in zijn geslaagd een minnelijke regeling te bereiken, is vonnis bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Unicon is een onderneming die zich bezighoudt met de verkoop van meubels, elektronica en witgoed. Zij heeft diverse verkoopfilialen in Aruba. Unicon verkoopt veel producten op afbetaling. Daarnaast heeft zij een service afdeling. Unicon heeft 136 werknemers in dienst, 45 daarvan werken op de service-afdeling.

2.2 [

eiser] is op grond van een arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2015 in dienst getreden van Unicon, laatstelijk in de functie van airco monteur in de service afdeling. [eiser] is in die functie geheel ter beschikking gesteld aan de Electriciteits-Maatschappij Aruba (hierna: Elmar).

2.3 [

eiser] heeft naast zijn reguliere salaris recht op betaling van maandelijkse incentives die bestaan uit een ‘persoonlijk budget’ en een ‘bedrijfsbudget’ (hierna: de incentives). De hoogte van deze incentives is afhankelijk van verschillende prestatie-indicatoren.

2.4

Unicon heeft op 12 april 2017 een collectieve arbeidsovereenkomst (hierna: CAO) gesloten met de vakbond Representante di Trahadornan di Unicon (hierna: RTU). De CAO is aangegaan voor de duur van drie jaren en eindigde op 31 december 2019.

2.5

Op grond van artikel 3 Arbeidsvredebesluit III heeft er op 10 januari 2020 voor de service afdeling een referendum plaatsgevonden. De vakbond SEPPA heeft dit referendum gewonnen. [eiser] is lid van de vakbond SEPPA.

2.6

Bij brief van 20 maart 2020 heeft Unicon aan haar werknemers de eerste keer maatregelen (vakantie en time-back opnemen) aangekondigd in verband met teruglopende klantenaantallen en omzet ten gevolge van de coronacrisis (prod. 11 Unicon).

2.7

Bij brief van 3 april 2020 aan de werknemers van Unicon (prod. 15 Unicon) heeft Unicon aangekondigd nadere maatregelen te zullen nemen vanwege de dalende omzet ten gevolge van de coronacrisis. In de brief schrijft Unicon onder meer:

“(…) Per 1 april 2020 komen, tot nader order, alle maandelijkse incentives & budgetvergoedingen te vervallen.

In de maand april 2020 zullen wij de reguliere salarissen uitbetalen met uitzondering van de maandelijkse incentive vergoedingen. (…)

Voor de werknemers die geplaatst zijn in een afdeling die gesloten is geldt het volgende:

per 1 mei 2020 a.s. zulen wij genoodzaakt zijn om een no work no pay beleid te voeren, waarbij alle werknemers 75% van hun basissalaris zullen ontvangen. (…)”

2.8

In zijn brief van 8 mei 2020 heeft de gemachtigde van SEPPA onder meer het volgende aan Unicon geschreven in reactie op de brief van 3 april 2020 (prod. 16 Unicon):

“(…) Unicon heeft unilateraal en zonder overleg de incentives die hun basis vinden in de C.A.O. stopgezet. Cliënten vinden dit onacceptabel. Op basis van art. 38 van de C.A.O. verzoekt Seppa aan te geven [dat] deze omissie recht zal worden getrokken, althans een arbitrage-commissie in te stellen conform art. 39 C.A.O. (…)

U heeft aangekondigd vanaf de maand mei slechts 75% van het salaris van cliënte te zullen uitbetalen. Cliënten gaan hier niet mee akkoord en zullen als u inderdaad hiertoe overgaat rechtsmaatregelen nemen. (…)

Het lijkt er dan ook op dat u misbruik tracht te maken van de huidige corona-situatie om op oneigenlijke wijze bezuinigingen door te voeren die geheel ten kosten gaan van cliënten.

Nogmaals cliënten zullen een eventuele inhouding op hun salaris niet accepteren (…)

Hierbij verzoek (…) ik u om mij uiterlijk 15 mei 2020 te berichten dat het salaris van cliënten op de normale wijze zal worden uitbetaald. Bij gebreke waarvan cliënten zonder nader aankondiging rechtsmaatregelen zullen treffen. (…)”

2.9

In een brief van 15 mei 2020 van Unicon gericht aan de gemachtigde van Seppa en diens leden heeft Unicon, voor zover van belang, geschreven (prod. 18 Unicon):

(…) Unicon heeft op basis van de onvoorziene omstandigheden gepaard gaande met de COVID-19 pandemie zeer zware omzetverliezen geleden, en was als gevolg daarvan gedwongen om bepaalde maatregelen aan de werknemers voor te stellen. Wij menen dat die maatregelen als ‘redelijke voorstellen’ kunnen worden gezien, waaraan de werknemers als ‘goed werknemer’ in de gegeven omstandigheden mee zouden moeten werken, ook gezien het feit dat de pandemie zeker niet tot ons normale bedrijfsrisico behoort en wat ons betreft op dit moment een zgn. ‘shared risk’ betreft. In de door u aangehaalde brief van 3 april hebben wij dan ook voorstellen gedaan voor mei en juni 2020, onder meer inhoudende een verlaging van de arbeidsuren. Hierbij merken wij op dat wij gezien de recent aangekondigde subsidiemaatregelen van de overheid voorstellen om de op 3 april 2020 aangekondigde maatregelen als volgt aan te passen:

- Periode 16 april tot en met 30 april 2020: Unicon zal over deze periode alsnog

100% loon doorbetalen.

- Periode 1 mei t/m 31 mei 2020: Unicon zal de arbeidsuren van de werknemers

in deze periode aanpassen tot 80%, en de werknemers over deze uren hun gebruikelijke loon uitbetalen, zijnde 80% loon. (…) “.

2.10

In een e-mailbericht van 15 mei 2020 van de gemachtigde van Seppa aan Unicon (prod. 6 [eiser]) is, voor zover van belang, het volgende geschreven:

(…) De betreffende leden stellen nogmaals dat zij in maart en april hun werkzaamheden op normale wijze hebben verricht. Om nu alles weer draait, zonder enig overleg, te beginnen met het onnodig korten op de uren en zo op het salaris van cliënten is dan ook vooralsnog voor cliënten onacceptabel. (…)

Clienten volharden dan ook dat onder de huidige omstandigheden enige inkorting niet zal worden geaccepteerd”.

2.11

De wijzigingen in de arbeidsomstandigheden die Unicon heeft doorgevoerd, hebben er uiteindelijk uit bestaan dat:

- de incentives niet zijn uitbetaald over de maanden april en mei 2020;

- de werknemers over de maanden mei tot en met juli 2020 20% minder hebben gewerkt en tevens 20% minder salaris betaald hebben gekregen.

Deze wijzigingen zullen hierna gezamenlijk ook worden aangeduid als: de salarisaanpassingen.

2.12 [

eiser] heeft expliciet ingestemd met de korting van 20% op het salaris over de maand juni 2020 (prod. 20 Unicon).

2.13

De Arubaanse minister van Financiën, Economische Zaken en Cultuur heeft op 13 mei 2020 een Ministeriele Beschikking uitgevaardigd op grond waarvan loonsubsidie wordt verstrekt aan bedrijven die een omzetdaling van meer dan 25% verwachten ten gevolge van de Covid-19 pandemie (hierna: de Ministeriele Beschikking).

2.14

In verband met de eventuele verstrekking van een lening door Nederland aan Aruba heeft de Nederlandse staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in zijn brief van 19 mei 2020 (prod. 2 Unicon) onder meer het volgende aan de Tweede Kamer van de Staten-Generaal geschreven:

“(…) De overige AWG 49,4 miljoen wordt beschikbaar gesteld wanneer Aruba een adequate invulling heeft gegeven aan het eerdere verzoek van de rijksministerraad om te komen met een voorstel voor een eigen bijdrage van 20 procent van werknemers aan de loonsubsidieregeling. (…)”

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

In conventie

3.1 [

eiser] vordert dat het gerecht bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, Unicon veroordeelt om aan [eiser] te betalen het niet uitbetaalde deel van zijn salaris over de maand mei 2020, alsmede het salarisbestanddeel/emolumenten incentives over maanden april en mei 2020, en dit laatste te blijven betalen bij de toekomstige salarisuitbetalingen tot hiertoe door partijen gezamenlijk dan wel ten principale anders wordt beslist en Unicon veroordeelt tot betaling in de proceskosten.

3.2

Aan zijn vordering legt [eiser] ten grondslag dat Unicon niet bevoegd is om eenzijdig en zonder overleg de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichting tot betaling van het loon te wijzigen.

3.3

Unicon voert verweer. Zij voert aan dat:

- de omzetdaling die Unicon ten gevolge van de Covid-19 pandemie heeft geleden een zodanige wijziging van omstandigheden is dat het redelijke voorstel tot salarisaanpassing dat zij aan [eiser] heeft gedaan, door laatstgenoemde in redelijkheid dient te worden aanvaard;

- zij op grond van artikel 7A:1614d BW niet gehouden is om het loon door te betalen over de uren die [eiser], ten gevolge van de Covid-19 pandemie, niet heeft gewerkt.

In reconventie

3.4

Unicon vordert in reconventie dat het gerecht bepaalt dat zij de door Unicon vanaf 1 april 2020 op alle werknemers van toepassing verklaarde loonmaatregelen zoals genoemd in het schrijven d.d. 3 april 2020 en 13 mei 2020 voorlopig ook op [eiser] mag toepassen, althans enige andere voorziening neemt die het gerecht geraden acht en met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure, alles uitvoerbaar bij voorraad.

3.5 [

eiser] voert verweer. Het gerecht zal hierna, voor zover voor de beoordeling van de vordering in reconventie van belang, ingaan op de grondslagen van de reconventionele vordering en het daartegen gevoerde verweer.

4 DE BEOORDELING

In conventie

4.1

Het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vordering volgt uit de aard van die vordering en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen.

4.2

In deze procedure moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek en bewijslevering, worden beoordeeld of de vordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevraagde voorziening gerechtvaardigd is.

4.3.1

De vraag die ter beantwoording voorligt, is of [eiser] gebonden is aan de door Unicon opgestelde salarisaanpassingen. Met betrekking tot die salarisaanpassingen is, gezien de formulering in het petitum, feitelijk nog voorwerp van geschil:

(i) de korting van 20% op het salaris over de maand mei 2020 (in welke maand er ook 20% korter is gewerkt);

(ii) de niet betaalde incentives over de maanden april en mei 2020.

4.3.2

Weliswaar zijn de werknemers ook over de maanden juni en juli 2020 voor 20% gekort op hun reguliere salaris, maar over de maand juni 2020 heeft [eiser] hiermee ingestemd en over de maand juli 2020 heeft [eiser] geen vordering ingesteld, zodat het geschil voor wat betreft het reguliere salaris, geen betrekking heeft op deze maanden.

4.3.3

Vanaf juni 2020 hebben de werknemers weer recht op betaling van de incentives. Niet is gesteld of gebleken dat Unicon ten opzichte van [eiser] niet bereid zou zijn om vanaf juni 2020 de incentives te betalen, zodat [eiser] geen belang heeft bij zijn vordering om Unicon te veroordelen om ook na mei 2020 de incentives te blijven uitbetalen. Dit onderdeel van de vordering zal om die reden worden afgewezen.

4.4

De vraag of [eiser] gebonden is aan de door Unicon voorgestelde salarisaanpassingen, dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaf die door de Hoge Raad is geformuleerd in zijn arrest van 11 juli 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD1847; Mammoet/Stoof). Kort gezegd komt die maatstaf erop neer dat gewijzigde omstandigheden aanleiding kunnen zijn voor een aanpassing van de individuele arbeidsrelatie, indien:

- de werkgever als goed werkgever in die gewijzigde omstandigheden aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de overeenkomst;

- het door de werkgever gedane voorstel redelijk is en

- aanvaarding van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer kan worden gevergd.

Met inachtneming van deze maatstaf oordeelt het gerecht als volgt.

4.5

In beginsel is het niet uitgesloten dat de negatieve bedrijfseconomische gevolgen die een werkgever ondervindt ten gevolge van de Covid-19 pandemie, gewijzigde omstandigheden opleveren waarin die werkgever aanleiding kan vinden om een voorstel tot aanpassing van de salarissen te doen. Deze gevolgen behoren dus niet zonder meer tot de exclusieve risicosfeer van de werkgever. De vraag of de gevolgen van de pandemie in een concreet geval aanleiding geven tot het doen van een voorstel tot aanpassing van het salaris, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling van die vraag speelt onder meer een rol in welke mate er sprake is van een daling van de omzet, wat de totale lasten zijn van de onderneming, hoeveel liquide middelen de onderneming ter beschikking heeft en welke overige maatregelen er kunnen worden getroffen om de financiële verplichtingen van de onderneming te verlagen. Van een werkgever die van oordeel is dat de gevolgen van de Covid-19 pandemie voor zijn bedrijfsvoering hem noodzaken tot een aanpassing van het salaris, mag voorts verwacht worden dat hij zijn werknemers omtrent de hiervoor genoemde (financiële) gegevens informeert, alvorens een voorstel tot salarisaanpassing te doen aan zijn werknemers. Deze kunnen de vraag of (i) de werkgever in een teruglopende omzet als goed werkgever aanleiding heeft om een voorstel tot salarisaanpassing te doen, of (ii) het concrete voorstel tot salarisaanpassing redelijk is en of (iii) aanvaarding in redelijkheid kan worden gevergd, immers slechts beoordelen indien zij op dit punt over dezelfde informatie beschikken als de werkgever.

4.6

Van de zijde van Unicon is onbetwist gesteld dat zij, voorafgaand aan het formuleren van de salarisaanpassing, overleg heeft gevoerd met alleen RTU. [eiser] is geen lid van RTU, zodat RTU niet namens hem aan het overleg met Unicon heeft deelgenomen. Unicon heeft geen overleg gevoerd met [eiser] zelf en heeft ook niet diens vakbond Seppa in het overleg betrokken, hoewel Unicon ervan op de hoogte was dat een groot deel van de werknemers binnen de service afdeling lid is van deze vakbond. Dat betekent dat [eiser] geen inzage heeft verkregen in de financiële cijfers van Unicon en zich dus ook niet zelfstandig een oordeel heeft kunnen vormen omtrent de vraag of er sprake is van een zodanige omzetdaling dat Unicon daarin als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van haar voorstel tot salarisaanpassing, of dit voorstel redelijk is en of de acceptatie van de aanpassing in redelijkheid van hem gevergd kan worden. In beginsel zou dit ontbreken van overleg met [eiser] dan wel diens vakbond alsmede het niet verstrekken van inzage in de financiële cijfers tot het oordeel kunnen leiden dat [eiser] niet gehouden is om de aanpassing op het salaris te accepteren.

Op grond van de specifieke omstandigheden van het geval komt het gerecht echter voorshands tot het oordeel dat van [eiser] in redelijkheid gevergd kon worden dat hij het voorstel van Unicon had aanvaard en dat de vordering in een bodemprocedure niet een zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevraagde voorziening gerechtvaardigd is. Daartoe geldt het volgende.

4.7

De Covid-19 pandemie was aanleiding voor de regering van Aruba om vanaf medio maart 2020 achtereenvolgens diverse vergaande maatregelen te treffen om de verspreiding van het virus onder de bevolking van Aruba zoveel mogelijk te beperken. Eén van die maatregelen had als direct gevolg dat Unicon tijdelijk een deel van haar winkels heeft moeten sluiten (prod. 13 Unicon). Op dat moment was voor het management van Unicon niet te voorzien hoelang de maatregelen zouden duren en welke effecten de maatregelen uiteindelijk zouden hebben op de bedrijfsvoering en de omzet van Unicon.

Wel was op dat moment duidelijk dat de combinatie van de pandemie en de overheidsmaatregelen om verspreiding van het virus zoveel mogelijk te beperken - waardoor onder meer het toerisme in Aruba tijdelijk volkomen stil kwam te liggen -, zouden leiden tot een crisis in de Arubaanse economie. Daarmee was ook duidelijk dat de pandemie en de overheidsmaatregelen direct (ten gevolge van de gedwongen sluiting) dan wel indirect (ten gevolge van de economische crisis) een negatief effect zouden hebben op de bedrijfsvoering van Unicon. Niet was uitgesloten dat die effecten uiteindelijk ook voor Unicon verstrekkend zouden zijn. Het was dan ook de verantwoordelijkheid van het management van Unicon om met het oog op de continuïteit van de onderneming - en daarmee ook de belangen van haar werknemers - terstond na het afkondigen van de maatregelen door de overheid haar bedrijfsvoering aan te passen aan de veranderde omstandigheden c.q. omzetdaling.

4.8

Ten aanzien van de concrete gevolgen van de Covid-19 pandemie voor haar bedrijfsvoering, heeft Unicon gesteld dat zij over de periode maart tot en met juli 2020 een omzetdaling had van 23% ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar. In mei bedroeg de omzetdaling volgens Unicon minimaal 50% (zie de brief van Unicon d.d. 15 mei 2020 prod. 18 Unicon, tevens prod. 5 [eiser]). Voorts staat tussen partijen vast dat Unicon over de maanden mei tot en met juli 2020 loonsubsidie van de overheid heeft ontvangen op grond van de Ministeriele Beschikking. Loonsubsidie op grond van deze regeling wordt slechts verstrekt indien een omzetdaling wordt verwacht van minimaal 25%. Of er sprake is van een dergelijke daling wordt, zo heeft Unicon onbetwist gesteld, vastgesteld op grond van de BBO-aangiftes. In dit licht heeft [eiser] zijn stelling dat er geen sprake is geweest van een substantiële omzetdaling en dat de verkopen – wegens onder meer de toenemende verkoop van televisies vanwege de ‘shelter in place’ – zelfs zijn gestegen, onvoldoende onderbouwd, zodat die stelling wordt gepasseerd. Het gerecht acht voorshands dan ook voldoende aannemelijk geworden dat Unicon gedurende de periode mei tot en met juli 2020 is geconfronteerd met een omzetdaling van minimaal 25%. Daarnaast heeft Unicon onbetwist gesteld dat zij in haar cash-flow wordt geraakt doordat klanten die op afbetaling producten hebben gekocht, in die periode gezamenlijk een bedrag van Afl. 900.000,00 niet tijdig hebben afgelost.

4.9

Waar het de voorgenomen salarisaanpassingen betrof, is Unicon in overleg getreden met de vakbond RTU, die de aanpassingen namens haar leden heeft geaccepteerd. Nu de stellingen van Unicon dienaangaande niet door [eiser] zijn betwist, acht het gerecht het voorshands aannemelijk dat RTU 80% van de werknemers van Unicon vertegenwoordigt en dat RTU tijdens de besprekingen met het management van Unicon inzage heeft verkregen in de financiele cijfers c.q. omzetcijfers van Unicon. RTU heeft die cijfers kennelijk aldus beoordeeld dat Unicon daarin als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van haar voorstel tot salarisaanpassing. Het voorstel is door de RTU kennelijk ook redelijk bevonden. [eiser] heeft verder niet betwist dat bijna alle 136 werknemers van Unicon, en dus niet alleen de leden van RTU, akkoord zijn gegaan met het voorstel. [eiser] zelf heeft verder uitdrukkelijk ingestemd met de korting van 20% over de maand juni 2020. Voorts geldt dat Unicon niet de enige werkgever is die tot dergelijke loonaanpassingen overging. Zoals van de zijde van Unicon onbetwist (en onder overlegging van productie 26) is gesteld, hebben ook andere bedrijven aanpassingen van het loon en de arbeidstijd doorgevoerd, waarbij de grootste vakbond van Aruba, FTA, bij een aantal bedrijven akkoord is gegaan met kortingen van 20 tot 50%. Ook de rijksministerraad heeft in het kader van het verstrekken van een lening aan de Arubaanse regering verzocht om te komen met een voorstel van een eigen bijdrage van 20 procent van werknemers aan de loonsubsidieregeling.

4.10

Unicon heeft onbetwist gesteld dat zij over periode april tot en met juli een bedrag van Afl. 314.349,00 heeft bespaard door te onderhandelen over een huurverlaging en door te bezuinigen op utiliteits-, marketing- en distributiekosten.

4.11

Indien de hiervoor in nummers 4.8 tot en met 4.10 genoemde omstandigheden in hun onderlinge samenhang worden beschouwd, acht het gerecht het voorshands voldoende aannemelijk geworden dat de effecten van de pandemie op de bedrijfsvoering en omzet van Unicon zodanig ingrijpend waren dat Unicon in die gewijzigde omstandigheden als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging. Ook volgt uit die omstandigheden dat dit voorstel redelijk was, in welk oordeel het gerecht tevens betrekt dat de aanpassingen ten aanzien van de incentives zijn beperkt tot twee maanden en de aanpassingen van het reguliere loon tot een periode van drie maanden. Voorts is het gerecht van oordeel dat [eiser] zich ook bewust had kunnen zijn van de redelijkheid van het voorstel. Het was voor hem immers duidelijk dat ten gevolge van de Covid-19 pandemie zich acuut een (wereldwijde) economische crisis voordeed en dat, mede gezien de brief van de staatssecretaris alsmede de salariskortingen die binnen tal van ondernemingen in Aruba (met instemming van vakbonden) werden doorgevoerd, in verband daarmee kortingen op het salaris van werknemers in geval van een omzetdaling van een onderneming in zijn algemeenheid aanvaardbaar werden geacht. Gezien de gedwongen tijdelijke sluiting van filialen van Unicon ingevolge de overheidsmaatregelen en gezien de instemming van RTU met het voorstel van Unicon, had het voor hem eveneens duidelijk kunnen zijn dat ook de financiële situatie binnen Unicon noodzaakte tot de door Unicon voorgestelde aanpassingen van de salarissen van werknemers.

4.12.1

Ten aanzien van de vraag of aanvaarding van dit voorstel in redelijkheid van [eiser] kon worden gevergd, geldt het volgende.

Indien [eiser], zoals door hem gesteld, van oordeel was dat aanvaarding van de aanpassing van de arbeidsvoorwaarden in redelijkheid pas dan kon worden gevergd, nadat ook met hem (c.q. de vakbond Seppa) hierover overleg was gevoerd en aldus inzicht was verschaft in de noodzaak van de voorgenomen aanpassingen, dan had hij na de ontvangst van de brief van 3 april 2020 om een dergelijk overleg kunnen verzoeken. Dat heeft [eiser] niet gedaan. In plaats daarvan heeft Seppa namens (onder meer) [eiser] de brief d.d. 8 mei 2020 verzonden, waarin zonder meer het standpunt wordt ingenomen dat (i) het erop lijkt dat Unicon misbruik tracht te maken van de corona-situatie, dat (ii) de voorgenomen aanpassingen onacceptabel zijn en dat (iii) rechtsmaatregelen zullen worden getroffen indien het salaris niet op de normale wijze zal worden uitbetaald. Ook de brief van 15 mei 2020 van Unicon aan Seppa is niet aangegrepen om alsnog in overleg te treden. Integendeel, Seppa heeft ermee volstaan om (mede namens [eiser]) haar standpunt in de e-mail van 15 mei 2020 te herhalen. Uit deze starre houding volgt dat [eiser] zelf niet openstond voor overleg zodat, zonder nadere toelichting (die niet is gegeven), niet duidelijk is in welke mate een door Unicon geïnitieerd overleg tot een andere opstelling van de kant van [eiser] zou hebben geleid.

4.12.2

Verder is voor de beantwoording van de vraag of aanvaarding van het voorstel in redelijkheid kon worden gevergd, nog van belang dat dat [eiser] over de maand juni 2020 wel akkoord is gegaan met de aanpassing van de arbeidsvoorwaarden en dat [eiser] in zijn pleitnota (onder 17) stelt dat er geen reden is om meer dan 20% van het salaris in te houden. In het licht hiervan is niet in te zien waarom inhouding van alleen de incentives over de maand april 2020 in redelijkheid niet van [eiser] kon worden gevergd.

4.12.3

Het gerecht begrijpt uit de stelling van [eiser] ‘dat er geen reden was om meer dan 20% in te houden’ (pleitnota, 17), dat [eiser] in het bijzonder van oordeel is dat de combinatie van de korting op het reguliere loon en het inhouden van de incentives over de maand mei 2020 niet een redelijk voorstel is dan wel in redelijkheid niet van hem gevergd kan worden. In het licht van de omstandigheden die hiervoor in de nummers 4.8 tot en met 4.10 zijn genoemd, had van [eiser] mogen worden verwacht dat hij deze stelling nader had onderbouwd en dat hij in het bijzonder had toegelicht waarom de combinatie van de korting op het reguliere loon en de inhouding van de incentives gedurende één maand, onredelijk was dan wel in redelijkheid niet van hem kon worden gevergd. Nu hij die onderbouwing niet heeft gegeven, is daarmee in het kader van dit kort geding voorshands onvoldoende aannemelijk geworden dat deze aanpassing van het salaris over de maand mei 2020 niet van [eiser] kon worden gevergd.

4.13

Het vorenstaande leidt dan ook tot het oordeel dat voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vordering van [eiser] in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevraagde voorziening gerechtvaardigd is. De vorderingen van [eiser] zullen dan ook worden afgewezen. Het verweer van Unicon dat zij op grond van artikel 7A:1614d BW bevoegd was om over de maand mei 2020 20% van het reguliere loon in te houden, behoeft gezien het voorgaande geen bespreking.

4.14

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie, die aan de zijde van Unicon worden begroot op Afl. 1.500,00 aan salaris.

In reconventie

4.15

Van de zijde van [eiser] is terecht als verweer tegen de vordering in reconventie aangevoerd dat feitelijk een verklaring voor recht wordt gevorderd. Het kort geding, dat is gericht op het treffen van een voorlopige voorziening, leent zich niet voor toewijzing van een dergelijke vordering. De vordering zal om die reden worden afgewezen.

4.16

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Unicon worden veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie, die wegens de samenhang met het geschil in conventie en het beperkte debat in reconventie aan de zijde van [eiser] worden begroot op nihil.

5 DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

In conventie:

5.1

wijst de vorderingen van [eiser] af;

5.2

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Unicon tot op heden begroot op Afl. 1.500,-;

In reconventie:

5.3

wijst de vordering van Unicon af;

5.4

veroordeelt Unicon in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 30 september 2020 in aanwezigheid van de griffier.