Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:382

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
12-10-2020
Zaaknummer
AUA201903573
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Verdeling huwelijksgemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 30 september 2020

Behorend bij AUA201903573

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[naam eiseres],

te Italië,

EISERES,

hierna ook te noemen: de vrouw,

gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn,

tegen:

[naam gedaagde],

te Aruba,

GEDAAGDE,

hierna ook te noemen: de man,

in persoon.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure tot en met 15 januari 2020 blijkt uit het tussenvonnis van die datum. Het verdere verloop blijkt uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen d.d. 27 februari 2020.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Partijen zijn op 24 april 2009 met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Bij beschikking van dit gerecht van 9 november 2015 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op 17 februari 2016 (hierna: de peildatum) ingeschreven in het register van de burgerlijke stand van Aruba.

2.2

De tussen partijen bestaande ontbonden huwelijksgoederengemeenschap is nog niet gescheiden en gedeeld.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

De vrouw vordert dat het gerecht bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. a) de verdeling gelast van de tussen partijen bestaande ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, waarbij de onderhandse verkoop van de woning gelegen te [adres woning] zal geschieden door het makelaarskantoor Aruba Living Today dan wel door een door het gerecht te benoemen makelaar, waarna de netto-opbrengst bij helft wordt verdeeld;

b) bepaalt dat de man aan de vrouw, over de periode vanaf 1 januari 2018 tot aan de datum van ontruiming van de woning door de man, een gebruikersvergoeding dient te voldoen van Afl. 585,33 per maand, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder de voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld voor het aan de vrouw te betalen bedrag;

c) de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vaststelt, rekening houdend met de billijkheid en de belangen van partijen;

d) bepaalt dat, indien de man weigert aan dit vonnis te voldoen, dat dit vonnis waar het de toewijzing van het gevorderde onder a) en b) betreft, in de plaats treedt van een eventueel noodzakelijke listingsagreement bij de makelaar, de verkoopovereenkomst, de akten, de notariële akte van scheiding en deling alsook de akte van levering aan de koper;

e) bepaalt dat de overeenkomstig het gevorderde onder a) en b) opgemaakte akten kunnen worden ingeschreven in de daartoe bestemde registers;

f) iedere andere maatregel neemt die het in goede justitie vermeent te behoren;

g) de man veroordeelt in de kosten van de procedure.

3.2

Op de grondslagen van de vordering en het daartegen gevoerde verweer zal hieronder, voor zover voor de beoordeling van belang, nader worden ingegaan.

4 DE BEOORDELING

4.1

Partijen zijn het erover eens dat moet worden overgegaan tot een verdeling van de tussen hen bestaande ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Daartoe behoort in ieder geval de voormalige echtelijke woning gelegen te [adres woning] (hierna: de woning). Daarnaast vorderen zij over en weer een gebruikersvergoeding van elkaar in verband met de bewoning van de voormalige echtelijke woning door ieder van hen. Voorts wenst de man dat een aantal schulden die verhaalbaar zijn op de gemeenschap in de verdeling wordt begrepen. Voorts stelt de man nog een aantal vorderingen op de vrouw te hebben, die hij in de verdeling wenst te betrekken. De man heeft zelf ter zake van deze vorderingen geen (reconventionele) vordering ingesteld.

De voormalige echtelijke woning te [adres woning]

4.2

Partijen zijn het erover eens dat de woning tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoort en dat deze woning zal moeten worden verkocht, waarna de opbrengst tussen hen beiden moet worden verdeeld. Op de woning rust geen hypotheek. Partijen gaan beiden uit van een onderhandse verkoop via een makelaar. De man wenst niet dat de door de vrouw voorgestelde makelaar wordt ingeschakeld. Hij heeft geen andere makelaar voorgesteld. Partijen hebben zich niet uitgelaten over een wenselijke verkoopprijs en een eventuele minimumprijs die bij een onderhandse verkoop moet worden gerealiseerd. Volgens de vrouw heeft de woning een marktwaarde van Afl. 200.000, --, maar daartoe beroept zij zich op een taxatierapport van 20 juli 2012 (verzoekschrift, prod. 7). Het is het gerecht niet duidelijk in hoeverre dit rapport nog een getrouw beeld biedt van de marktwaarde.

4.3

Het gerecht zal als wijze van verdeling van de woning bepalen dat de woning op de hierna te bepalen wijze zal moeten worden verkocht aan een derde, waarna de netto-opbrengst (de verkoopprijs verminderd met de kosten aan de verkoop verbonden) bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld. Omtrent de wijze van verkoop geldt het volgende.

4.4

De woning zal in eerste instantie onderhandse te koop worden aangeboden via makelaarskantoor Aruba Living Today, te Aruba. Het gerecht verwerpt hiermee dus het verweer van de man dat deze makelaar niet voor de verkoop kan worden ingeschakeld, nu de man daartoe geen ter zake doende argumenten heeft aangevoerd. Indien Aruba Living Today niet bereid blijkt om de onderhandse verkoop van de woning ter hand te nemen, zal de woning onderhands te koop worden aangeboden via een door de man te kiezen makelaar. Partijen zullen, indien door de makelaar verlangd, beiden de dienstverleningsovereenkomst met de makelaar moeten ondertekenen.

4.5

Nu partijen zich niet over een wenselijke verkoopprijs hebben uitgelaten, zal het gerecht beslissen dat de woning te koop zal worden aangeboden en zal worden verkocht tegen een door de makelaar te bepalen prijs. Daarbij zal de makelaar de prijs aldus bepalen zodat naar zijn deskundig oordeel in alle redelijkheid verwacht kan worden - daarbij in aanmerking genomen de huidige, mede door het coronavirus beïnvloedde, marktomstandigheden - dat de woning binnen een periode van zes maanden zou moeten kunnen worden verkocht. De makelaar is bevoegd om drie maanden nadat de woning te koop is gezet, de prijs naar beneden bij te stellen indien hij van oordeel is dat dat noodzakelijk is om een verkoop binnen de hiervoor bedoelde termijn van zes maanden te realiseren.

De makelaar kan de woning te koop aanbieden onder de bepaling dat deze terstond na de totstandkoming van een koopovereenkomst geheel ontruimd zal worden geleverd. De man is gehouden om voor die tijdige ontruiming zorg te dragen.

4.6

Indien de makelaar er na verloop van een jaar nadat de woning te koop is gezet, niet in is geslaagd om de woning te verkopen, zal ieder der partijen bevoegd zijn om de woning via een openbare verkoop via een notaris of gerechtsdeurwaarder te Aruba te doen verkopen.

4.7

In verband met de vaststelling van de hiervoor in 4.5 en 4.6 genoemde termijnen, zullen partijen zelf aan de makelaar moeten vragen om hen schriftelijk te bevestigen of om in de dienstverleningsovereenkomst op te nemen op welke datum de woning daadwerkelijk door de makelaar te koop is/wordt aangeboden.

De inboedel van de woning en overige goederen

4.8

De vrouw verzoekt in het petitum, zoals weergegeven in nummer 3.1 onder c), verdeling van de gemeenschapsboedel. Het gerecht begrijpt, gezien haar stellingen, dat zij daarmee voornamelijk bedoelt de verdeling van onder meer de gemeenschappelijke inboedel van de woning.

Ter onderbouwing van dit onderdeel van de vordering heeft de vrouw niet méér gesteld dan dat partijen gedurende het huwelijk spullen hadden die de man heeft verkocht. Ook heeft de man een (auto)busje van partijen verkocht (verzoekschrift, 5), aldus de vrouw. De vrouw heeft niet gesteld wanneer de man deze goederen zou hebben verkocht en heeft in dit verband in het bijzonder niet gesteld dat deze goederen op de peildatum nog niet waren verkocht en aldus onderdeel vormden van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Uit de stellingen van de vrouw volgt aldus niet of de door haar genoemde goederen in de verdeling moeten worden betrokken. Voor zover er vanuit moeten worden gegaan dat de vrouw heeft beoogd te stellen dat de goederen na de peildatum zijn verkocht en dat om die reden de opbrengst dus in de verdeling moeten worden betrokken, heeft te gelden dat zij niets heeft gesteld omtrent de verkoopopbrengst dan wel de waarde van die goederen. De vrouw heeft haar stellingen op dit punt dan ook onvoldoende onderbouwd, zodat dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen.

4.9

De man stelt dat de vrouw alle inboedelgoederen heeft verkocht en vordert in verband daarmee de helft van de waarde van die goederen, door hem begroot op Afl. 23.500.

De man heeft ter onderbouwing van zijn vordering een gespecificeerd overzicht ingediend van de goederen die volgens hem op de peildatum onderdeel vormden van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap en wat de waarde daarvan was (cva, prod. 7). Voorts heeft de man ter onderbouwing van de stelling dat deze goederen op de peildatum nog steeds onderdeel waren van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, verwezen naar de in het taxatierapport van de woning opgenomen foto’s (cva, prod. 5), waarop de door hem genoemde zaken (deels) te zien zijn.

4.10

Het gerecht constateert dat bedoeld taxatierapport in opdracht van de man is opgesteld en door de taxateur is gedateerd op 3 mei 2018. Uit het rapport blijkt op zichzelf niet op welke datum de taxateur de woning heeft bezocht en de foto’s heeft gemaakt. Het gerecht begrijpt echter uit enerzijds de datum van het rapport en anderzijds de omstandigheid dat de opdracht tot taxatie door de man is gegeven, dat de taxateur de woning heeft bezocht na het verlaten van de woning door de vrouw in maart 2018. Uit de eigen stellingen van de man volgt aldus dat de door hem gestelde inboedelgoederen nog in de woning waren toen hij, na het verlaten van de woning door de vrouw, wederom de mogelijkheid had om de woning te betreden. Zonder toelichting, die niet is gegeven, is dan ook niet duidelijk hoe de vrouw na het opstellen van het taxatierapport de inboedel alsnog heeft kunnen verkopen. De man heeft zijn stellingen op dit punt derhalve onvoldoende c.q. niet consistent onderbouwd. De door de man opgevoerde verrekenpost ter zake van de inboedel zal om die reden dan ook worden afgewezen.

De door de man gestelde schulden

- inleiding

4.11

De man wenst dat een aantal schulden in de verdeling worden betrokken. Dit betreft:

a. a) de grondbelasting ter zake van de woning over 2015 en 2016;

b) de aan de man opgelegde aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2012 – 2015;

c) een door de vrouw te betalen gebruiksvergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning;

d) een door de man betaalde schuld van de vrouw aan Elmar voor de levering van stroom aan de woning over de periode waarin de vrouw, na de peildatum, alleen de woning bewoonde;

e) kosten die de man heeft moeten maken voor de vervanging van sloten van de woning en voor reparatie van de woning nadat deze door de vrouw was verlaten;

f) een schuld van de vrouw aan de man ter zake van de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige dochter van partijen die door de man zijn betaald sedert de scheiding en welke schuld door de man wordt begroot op Afl. 11.250,00;

g) de kosten die de man voor een huurwoning heeft moeten maken, omdat hij door toedoen van de vrouw niet in de woning kon gaan wonen, nadat zij deze heeft verlaten.

4.12

Op grond van artikel 3:179 lid 1 BW kan een deelgenoot verlangen dat ook de voor rekening van de gemeenschap komende schulden in de verdeling worden begrepen. Dit kan de man ook bij wijze van verweer tegen de door de vrouw gevorderde verdeling aanvoeren zonder daarvoor een reconventionele vordering in te stellen.

4.13

De onder a) en b) weergegeven schulden komen voor rekening van de gemeenschap en moeten om die reden, indien en voor zover zij komen vast te staan, in de verdeling worden betrokken. Hoewel de vordering tot betaling van de gebruiksvergoeding niet voor rekening van de gemeenschap is, maar een vordering betreft van de man op (het privévermogen van) de vrouw, is het gerecht van oordeel dat ook deze vordering, gezien de aard en grondslag ervan, in de verdeling kan worden betrokken. Deze vorderingen zullen hierna, in de nummer 4.15 en volgende worden besproken.

4.14

De overige door de man gestelde vorderingen op de vrouw (genoemd in nummer 4.11 onder d tot en met g) zijn geen schulden die voor rekening van de gemeenschap komen. Zij kunnen om die reden niet in de verdeling worden betrokken. De man heeft ter zake van deze vorderingen geen reconventionele vordering ingediend, zodat ook op die grond toewijzing niet mogelijk is. Nu uit het voorgaande volgt dat de vrouw uit hoofde van de verdeling geen vordering heeft op de man wegens overbedeling, kan de man de door hem gestelde vorderingen ook niet verrekenen. De betreffende vorderingen van de man behoeven dan ook geen bespreking.

- grondbelasting

4.15

De man maakt aanspraak op vergoeding door de vrouw van de helft van de grondbelasting die de man na de peildatum (en dus ten laste van zijn eigen vermogen) in verband met de woning heeft betaald over de jaren 2015 en 2016. Het betreft volgens hem een bedrag van Afl. 1.611,09 (cva, 5). Hij heeft ter onderbouwing van die stelling kwitanties van de belastingdienst overgelegd (cva, prod. 8) waaruit volgt dat hij over het jaar 2015 een bedrag van Afl. 631,10 heeft betaald en over het jaar 2016 een bedrag van Afl. 605,71 en in totaal dus een bedrag van Afl. 1.236,81.

4.16

De vrouw heeft erkend dat de door de man betaalde grondbelasting betrekking heeft op de periode van het huwelijk en tussen partijen zal moeten worden verdeeld. De vrouw heeft de in verband hiermee overgelegde kwitanties niet betwist. Het gerecht neemt daarmee als vaststaand aan dat de man in totaal een bedrag van Afl. 1.236,81 over de jaren 2015 en 2016 heeft betaald en dat de vrouw in verband hiermee een bedrag van Afl. 618,40 dient te vergoeden. Het gerecht zal dit bedrag hierna betrekken in zijn beslissing omtrent de uitkering aan partijen van de opbrengst van de woning.

- inkomstenbelastingen en premies

4.17

Ter onderbouwing van zijn stelling dat aan hem voor een bedrag van Afl. 69.071,97 aan aanslagen inkomstenbelasting en premies over de periode 2012 tot en met 2015 zijn opgelegd, heeft de man verwezen naar de door hem als productie 9 overgelegde aanmaningen. Deze aanmaningen betreffen:

  • -

    inkomstenbelasting 2013 Afl. 9.611,00;

  • -

    premie AOV/AWW 2013 Afl. 8.792,00;

  • -

    premie AZV 2013 Afl. 9.049,00;

  • -

    premie AOV/AWW 2014 Afl. 5.438,00;

  • -

    premie AZV 2014 Afl. 4.315,00;

  • -

    inkomstenbelasting 2015 Afl. 1.965,00;

  • -

    premie AOV/AWW 2015 Afl. 6.479,00;

  • -

    premie AZV 2015 Afl. 4.601,00 +

  • -

    totaal Afl. 50.250,00.

4.18

Van de zijde van de vrouw is ter zitting erkend dat belastingschulden die betrekking hebben op de periode van het huwelijk, in beginsel in de verdeling moeten worden betrokken. Volgens de vrouw heeft de man deze belastingschulden echter moedwillig laten ontstaan door veel te laat aangifte te doen (hetgeen blijkt uit het late tijdstip van het opleggen van de aanslagen, aldus de vrouw) en vraagt ze zich af of er bezwaar tegen de aanslagen is ingediend. Het gerecht begrijpt het verweer van de vrouw aldus dat ze van oordeel is dat de door de man opgevoerde aanslagen om die reden niet dan wel tegen een lager bedrag in de verdeling moeten worden betrokken.

4.19

De man heeft betwist dat hij de aanslagen moedwillig zou hebben laten ontstaan en dat hij te laat aangifte heeft gedaan. Hij heeft tijdig aangifte gedaan en het is de belastingdienst zelf die traag is geweest met het opleggen van de aanslagen, aldus de man.

4.20

De vrouw heeft niet betwist dat de aanslagen, ter zake waarvan de man als productie de aanmaningen heeft overgelegd, daadwerkelijk voor de betreffende bedragen door de belastingdienst aan de man zijn opgelegd. Het gerecht gaat daar dan ook vanuit.

Het gerecht constateert dat de aanslagen telkens zijn opgelegd vier jaar na afloop van het betreffende belastingjaar. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit voor de Arubaanse belastingdienst een normale termijn is voor het opleggen van een aanslag na een tijdig gedane aangifte. Door de vrouw zijn verder geen feiten gesteld waaruit volgt dat in de bedragen (mogelijk) boetes zijn begrepen wegens het niet of te laat doen van aangifte, in welk geval die boetes wellicht in redelijkheid voor rekening de man behoren te komen.

Naar het oordeel van het gerecht blijkt verder nergens uit dat de man de opgelegde aanslagen moedwillig heeft laten ontstaan en blijkt vooral niet dat de aanslagen voor een te hoog bedrag zouden zijn opgelegd. Het verweer van de vrouw dat niet is gebleken of al dan niet bezwaar is ingediend door de man, behoeft om die reden geen bespreking.

4.21

Nu de man verder niet heeft onderbouwd dat de vordering van de belastingdienst hoger is dan Afl. 50.250,00, en in het bijzonder dus niet heeft onderbouwd dat de vordering het door hem genoemde bedrag van Afl. 69.071,97 bedraagt, zal het gerecht de hiervoor onder nummer 4.17 weergegeven aanslagen voor het bedrag van Afl. 50.250,00 in de verdeling betrekken. Het gerecht zal hierna beslissen dat de schulden door de man aan de belastingdienst moeten worden voldaan en dat hij ter zake van overbedeling een vordering op de vrouw verkrijgt van Afl. 25.125,00. Het gerecht zal deze vordering hierna betrekken in zijn beslissing omtrent de uitkering aan partijen van de opbrengst van de woning.

- de gebruiksvergoeding

4.22

Partijen maken over en weer aanspraak op een gebruiksvergoeding met betrekking tot het gebruik van de woning door ieder van hen. De man heeft in verband hiermee gesteld dat de vrouw van juli 2015 tot maart 2018 (in totaal een periode van 33 maanden) in de echtelijke woning heeft gewoond. De man heeft ter zitting verklaard dat hij, na het vertrek van de vrouw, in maart 2018 in de woning is getrokken. Het gerecht heeft tijdens de zitting begrepen (zie ook het proces-verbaal onder 11) dat de man nog steeds in de woning woont. Het gerecht begrijpt uit de verklaringen van de man ter zitting dat hij zijn stellingen dienaangaande in de conclusie van antwoord - inhoudende dat hij de woning pas 11 maanden na het vertrek van de vrouw heeft kunnen betrekken en dat hij door toedoen van de vrouw gehouden was die woning weer te verlaten - niet langer handhaaft. Uit de verklaring van de man volgt dus dat hij de woning thans ongeveer 30 maanden bewoont.

4.23

Het gerecht ziet in de omstandigheid dat partijen ieder ongeveer even lang exclusief van de woning gebruik hebben kunnen maken, aanleiding om aan geen van beide partijen een gebruiksvergoeding ten laste van de andere partij toe te kennen. De omstandigheid dat de man momenteel het gebruik nog steeds voortzet en het niet duidelijk is hoelang hij het exclusieve gebruik nog zal voortzetten, is geen reden voor het gerecht om voor de periode dat de man eventueel langer dan de vrouw van de woning gebruik zal maken, een gebruiksvergoeding ten laste van de man vast te stellen. De woning zal thans immers op korte termijn te koop worden aangeboden, waarbij de man bovendien gehouden is om mee te werken aan een onmiddellijke (op)levering. In dat geval zal de periode dat de man het gebruik heeft van de woning die van de vrouw niet in belangrijke mate overschrijden.

De vorderingen gericht op de reële executie van het vonnis

4.24

Zoals weergegeven in nummer 3.1 onder d) vordert de vrouw om te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van diverse onderhandse en notariële aktes, voor het geval de man weigert aan het vonnis te voldoen. Nu de door de vrouw bedoelde aktes nog niet zijn opgemaakt en de inhoud daarvan nog niet vaststaat, zal het gerecht die vorderingen afwijzen. Hoewel de vrouw niet de volledige echtscheidingsbeschikking van 9 november 2015 heeft overgelegd en in het bijzonder niet het dictum van die beschikking, gaat het gerecht er vanuit dat in die beschikking, zoals gebruikelijk is, de verdeling is gelast en een onzijdig persoon als wettelijk vertegenwoordiger is aangewezen. De vrouw kan zich tot deze onzijdige persoon wenden teneinde de uitvoering van dit vonnis te bewerkstelligen indien de man vrijwillige medewerking weigert.

Slotsom

4.25

De slotsom van het voorafgaande is dat het gerecht zal bepalen dat de woning zal worden verkocht en dat de opbrengst ervan bij helft moet worden verdeeld. De vrouw dient aan de man te voldoen een bedrag van Afl. 618,40 in verband met de door de man betaalde grondbelasting en een bedrag van Afl. 25.125,00 in verband met de toedeling van de belastingschulden aan de man, in totaal derhalve een bedrag van Afl. 25.743,40. Het gerecht zal bepalen dat betaling van dit bedrag dient te geschieden doordat de notaris na betaling van de koopprijs van de woning dit bedrag op het aandeel van de vrouw in de netto-opbrengst dient in te houden en dient uit te keren aan de man. Dat brengt mee dat deze vordering ook niet eerder opeisbaar is. Alle overige vorderingen zullen worden afgewezen.

4.26

De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

5.1

bepaalt dat de woning, gelegen te [adres woning] te Aruba zal moeten worden verkocht aan een derde op de wijze zoals bepaald in de overwegingen 4.4 tot en met 4.7 en bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst daarvan bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld;

5.2

veroordeelt de vrouw tot betaling van het bedrag van Afl. 25.743,40 aan de man en bepaalt dat de betaling zal plaatsvinden doordat de notaris na betaling van de koopprijs van de woning dit bedrag op het aandeel van de vrouw in de netto-opbrengst inhoudt en uitkeert aan de man;

5.3

compenseert de proceskosten, in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

5.4

wijst het meer of anders gevorderde af;

5.5

verklaart dit vonnis waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 30 september 2020 in aanwezigheid van de griffier.