Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:381

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
12-10-2020
Zaaknummer
AUA201901299
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Tussenvonnis. Bewijslevering. Geldvordering op grond van onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 30 september 2020

Behorend bij A.R. no. AUA201901299

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[eiseres]

wonende in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: [eiseres],

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. de Sousa Croes,

tegen:

[gedaagde],

wonende in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: de advocaat mr. R. Marchena.

1 HET PROCESVERLOOP

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de conclusie van antwoord;

-de conclusie van repliek, met producties;

-de conclusie van dupliek.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

Naast verlof tot kosteloos procederen vordert [eiseres] dat het Gerecht bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

-[gedaagde] veroordeelt om aan [eiseres] te betalen Afl. 34.656,43 ten titel van schadevergoeding uit onrechtmatige daad, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 27 november 2014.

2.2 [

gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het door [eiseres] verzochte, kosten rechtens te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf de achtste dag na de uitspraak danwel na de betekening van dit vonnis.

2.3

Voorzover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Uit het overgelegde door de daartoe bevoegde instantie aan [eiseres] verstrekte bewijs van onvermogen blijkt dat zij niet in staat is om de kosten van deze procedure te dragen. Aan [eiseres] zal daarom verlof tot kosteloos procederen worden verleend.

3.2

Niet in geschil is tussen partijen dat zij vanaf 2013 tot november 2014 een affectieve relatie met elkaar hebben gehad. In het licht daarvan stelt [eiseres] dat [gedaagde] haar op 27 november 2014 met grote kracht vuistslagen tegen haar gezicht heeft toegediend, als gevolg waarvan zij zwaar letsel heeft opgelopen aan haar neus, tanden en kaak, waaronder begrepen meerdere gebroken tanden, botbreuken in het gezicht en een gebroken kaak. In het licht daarvan heeft [eiseres] meerdere medische onderzoeken en operaties/behandelingen moeten ondergaan. De kosten daarvan bedragen in totaal het in hoofdsom gevorderde bedrag ad Afl. 34.656,43, aldus telkens [eiseres].

3.3 [

gedaagde] heeft voormelde onderlijnde stelling van [eiseres] gemotiveerd betwist, daartoe stellende dat [eiseres] op voormelde dag met haar gezicht tegen de vloer is gevallen als gevolg waarvan zij letsel aan neus en tanden heeft opgelopen. Die onderlijnde stelling staat daarom niet vast. Nu zij levering van bewijs heeft aangeboden, zal [eiseres] in de gelegenheid worden gesteld om door middel van het doen horen van getuigen die stelling te bewijzen.

3.4

Bij gelegenheid van antwoord heeft [gedaagde] met een productie onderbouwd gesteld dat hij alle kosten van de medische behandelingen van [eiseres] in 2014, 2015 en 2016 heeft betaald. Die stelling heeft [eiseres] niet bestreden, en staat daarom vast. Die vaststaande stelling staat in elk geval aan toewijzing van het in productie 9 bij het verzoekschrift vermelde bedragen met betrekking tot 2014, 2015 en 2016, te weten respectievelijk Afl. 3.840,--, Afl. 4.686,-- en Afl. 7.453,-- (in totaal Afl. 15.979), in de weg. De vordering van [eiseres] zal in elk geval in zoverre worden afgewezen.

3.5

In zijn conclusie van antwoord heeft [gedaagde] bij wijze van verweer gesteld dat [eiseres] op 27 november 2014 in elk geval geen kaakletsel heeft opgelopen, en dat dit een door [eiseres] verzonnen verhaal betreft. Hoewel dat op haar weg had gelegen, heeft [eiseres] bij gelegenheid van repliek te dien aanzien niets nader gesteld. Dat brengt met zich dat de stelling van [eiseres], dat zij op de bewuste dag kaakletsel heeft opgelopen, voldoende nadere onderbouwing mist. Die stelling wordt daarom gepasseerd.

3.6

Ter zake van de mogelijk nog relevant zijnde door [eiseres] opgevoerde kosten van buitenlandse medische onderzoeken en operaties/behandelingen in 2017, 2018 en 2019 wordt het volgende overwogen. [gedaagde] heeft onbetwist (impliciet) gesteld dat [eiseres] met betrekking tot het haar bekomen letsel alle medische onderzoeken en operaties/behandelingen evengoed onder dekking van de AZV had kunnen laten uitvoeren in Aruba. In het licht van die vaststaande stelling stelt [gedaagde] dat (1) zij alle als gevolg van de mishandeling noodzakelijke medische onderzoeken en operaties/behandelingen op verzoek van [gedaagde] in het buitenland heeft laten uitvoeren, en (2) dat [gedaagde] heeft toegezegd dat hij alle kosten daarvan zou betalen. Ook die bevrijdende stellingen van [eiseres] heeft [gedaagde] gemotiveerd bestreden, waardoor ze vooralsnog niet vast staan. [eiseres] zal ook in de gelegenheid worden gesteld om door middel van het doen horen van getuigen deze twee stellingen te bewijzen.

3.7

Wat betreft het voorwaardelijke beroep van [gedaagde] op verrekening heeft het volgende te gelden. Anders dan [gedaagde] stelt [eiseres] onder randnummer 8. van haar conclusie van repliek al dan niet impliciet dat zij niets verschuldigd is aan [gedaagde] aan woonlasten zoals door hem gesteld en dat er daarom niets voor/door [gedaagde] valt te verrekenen. Dat verweer brengt met zich dat de gegrondheid van het beroep op verrekening van [gedaagde] niet op eenvoudige wijze valt vast te stellen, en daarom op de voet van artikel 6:136 BW niet aan toewijzing van het niet reeds af te wijzen deel van de vordering van [eiseres] in de weg kan staan.

3.8

De zaak zal voor bewijslevering zijdens [eiseres] worden verwezen naar de hierna vermelde terechtzitting, tijdens welke [eiseres] maximaal drie getuigen kan doen horen. Indien [eiseres] daarna nog meer getuigen wil doen horen, zal de zaak daarvoor naar een volgende terechtzitting worden verwezen. [eiseres] dient uiterlijk drie dagen voor de zitting de personalia van de door haar voor te brengen getuige(n) schriftelijk kenbaar te maken aan het Gerecht en aan haar wederpartij. Daarbij dient [eiseres] tevens aan te geven of er ten behoeve van het getuigenverhoor een tolk aanwezig moet zijn.

3.9

Overigens heeft nog het volgende te gelden. [eiseres] heeft een aantal Spaanstalige verklaringen overgelegd. Indien en voorzover [eiseres] wenst dat het Gerecht die verklaringen in beschouwing/aanmerking neemt, zal zij tijdig1 bij akte deugdelijke vertalingen van die verklaringen in het geding moeten brengen.

3.10

Wellicht ten overvloede wordt nog het volgende overwogen. Ingevolge artikel 143 Rv kan een getuigenverklaring slechts als bewijs dienen voorover zij betrekking heeft op aan de getuige uit eigen waarneming bekende feiten. Gebeurtenissen en/of omstandigheden waarvan een getuige via derden kennis heeft genomen voldoen niet aan die wettelijke bepaling.

3.11

In afwachting van bewijslevering en de daarna door partijen te nemen conclusies na bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

4 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-stelt [eiseres] in de gelegenheid om door middel van het doen horen van getuigen te bewijzen hetgeen zij ingevolge rechtsoverweging 3.3 en 3.6 (telkens onderstreept) dient te bewijzen;

-verwijst de zaak daartoe naar de terechtzitting van maandag 26 oktober 2020 om 09:00 uur in zaal B, tijdens welke zitting maximaal drie getuigen kunnen worden gehoord;

-bepaalt dat [eiseres] uiterlijk drie dagen voor die zitting de personalia van de door haar voor te brengen getuige(n) schriftelijk kenbaar dient te maken aan het Gerecht en aan [gedaagde];

-verleent verlof aan [eiseres] tot kosteloos procederen;

-houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 30 september 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Dat wil zeggen nog vóór de in het dictum vermelde terechtzitting, zodat [gedaagde] bij aanvang daarvan zich kan uitlaten over de vraag of al dan niet sprake is van deugdelijke/juiste vertalingen.