Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:363

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
AUA201901074
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. De advocaat heeft de belangen van zijn cliënt in bedoelde procedure behartigd op een wijze die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 16 september 2020

Behorend bij A.R. no. AUA201901074

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[eiser],

wonende in Aruba, voor deze zaak gedomicilieerd te ’s-Hertogenbosch (Nederland) ten kantore van zijn in Nederland gevestigde hierna genoemde advocaat,

eiseres,

hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. J. Oerlemans,

tegen:

de besloten vennootschap

ADVOCATENPRAKTIJK MR D.G. [GEDAAGDE] N.V.,

tevens h.o.d.n. DAVID KOCK LEGAL B.V.,

gevestigd in Aruba,

hierna ook te noemen: DKL,

en:

[gedaagde 2],

wonende in Aruba,

hierna ook te noemen: [gedaagde 2],

gedaagden,

hierna gezamenlijk ook te noemen: DKL c.s.,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. [gedaagde].

1 HET PROCESVERLOOP

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de conclusie van antwoord, met producties;

-de conclusie van repliek, met producties;

-de conclusie van dupliek.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.

2.2 [

eiser] was voorheen in loondienst werkzaam voor Kong Hing Supercenter N.V. (hierna: Kong Hing). Kong Hing voerde een supermarkt in Aruba.

2.3

In 2008 raakten [eiser] en acht andere voormalige medewerkers van Kong Hing verwikkeld in een rechtszaak tegen Kong Hing. In deze procedure werd [eiser] vertegenwoordigd door [gedaagde].

2.4

Bij vonnis van 18 september 2013 van het Gerecht in de zaak met als nummer A.R. 3241 van 2008 is de vordering van Kong Hing tot hoofdelijke veroordeling van onder meer [eiser] tot betaling van Afl. 4.941.781,60 in hoofdsom afgewezen (hierna: het GEA-vonnis).

2.5

Op 29 oktober 2013 heeft Kong Hing een akte van hoger beroep ingediend tegen het GEA-vonnis. Op 10 december 2013 heeft Kong Hing vervolgens een memorie van grieven ingediend en haar eis gewijzigd.

2.6

In de tussenvonnissen van 24 februari 2015, 22 november 2016 en 20 februari 2018 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) in de zaak met als nummer AR 3241/2008 ghis 69491 – H 243/14 (hierna: de tussenvonnissen van 24 februari 2015, 22 november 2016 en 20 februari 2018 van het Hof) heeft het Hof onder meer geoordeeld dat hij vooralsnog de heer [deskundige] RA (hierna: de deskundige) als deskundige zal benoemen om de door Kong Hing ingediende CATC-rapportage tegen het licht te houden, en dat de kosten van de deskundige gelijk zullen worden verdeeld tussen partijen, aldus dat Kong Hing de helft verschuldigd is en dat geïntimeerden hoofdelijk de andere helft verschuldigd zijn. Het tussenvonnis van het Hof van 20 februari 2018 is op 28 februari 2018 vanwege DKL c.s. doorgestuurd naar [eiser]. Dat tussenvonnis vermeldt onder rechtsoverweging 2.2 onder meer het volgende: “(…). In het tussenvonnis van 22 november 2016 (rov. 2.9) is beslist dat de kosten van de deskundige gelijk worden verdeeld, aldus dat KH de helft verschuldigd is en geïntimeerden hoofdelijk de andere helft verschuldigd zijn.”.

2.7

Op 21 mei 2018 heeft Kong Hing een akte genomen inhoudende nadere concretisering van eis.

2.8

Bij tussenvonnis van het Hof van 26 juni 2018 in de zaak met als nummer AR 3241/2008 ghis 69491 – H 243/14 (hierna: het tussenvonnis van 26 juni 2018 van het Hof) is een deskundigenbericht gelast. Daarbij is onder meer bepaald dat de deskundige zijn werkzaamheden niet behoeft aan te vangen alvorens hij van Kong Hing de helft en van geïntimeerden (hoofdelijk) de andere helft van het door hem daarvoor verlangde voorschot heeft ontvangen.

2.9

Bij brief van 4 september 2018 heeft de deskundige zijn voorschot vastgesteld op een bedrag van Afl. 30.000,-.

2.10

Op 26 september 2018 ontvangt [eiser] een email van DKL c.s. met daarbij een onder meer aan [gedaagde] gerichte email van de griffier van het Hof ter zake van het te betalen voorschot voor de deskundige. De email van die griffier - waarin met “[deskundige]” wordt bedoeld de deskundige - vermeldt onder meer het volgende: “Het door de heer {deskundige verzochte voorschot van Afl 30.000,-- zal door partijen gelijk worden gedragen (tussenvonnis van 22 november 2016 r.o 2.9). Partijen worden opgedragen om ieder Afl 15.000 betreffende het voorschot te betalen aan de heer [deskundige] en van de betaling zo spoedig als mogelijk bericht te geven aan het Hof.”.

2.11

Bij email van 5 oktober 2018 vraagt [eiser] aan DKL c.s. wanneer het voorschot voor de deskundige moet worden betaald en vraagt [eiser] aan [gedaagde] of het klopt dat het door de griffier kenbaar gemaakte bedrag ad Afl. 15.000,-- moet worden gedeeld door 9 personen, zodat ieder van hen ad Afl. 1.666,67 moet betalen.

2.12

Bij email van 16 oktober 2018 van DKL c.s. wordt [eiser] namens [gedaagde] bericht dat bedoeld voorschot hoewel er geen uiterlijke betaaldatum is doorgegeven zo spoedig als mogelijk moet worden betaald om de zaak door te laten gaan en dat het klopt dat het voorschot door 9 personen moet worden gedeeld.

2.13

In een e-mailbericht van 17 oktober 2018 van de griffier van het Hof gericht aan DKL c.s. en de gemachtigde van Kong Hing heeft die griffier partijen verzocht om binnen veertien dagen te voldoen aan de betaling van het voorschot van Afl. 15.000,- elk aan de deskundige (hierna: het e-mailbericht van de griffier). Verder bericht de griffier aan partijen dat indien na die termijn niets is ontvangen door de deskundige, het Hof een beslissing zal nemen die hij geraden acht.

2.14

Bij e-mailbericht van 17 oktober 2018 stuurt de secretaresse van DKL c.s. mevrouw [secretaresse 1] (hierna: [secretaresse 1]) het e-mailbericht van de griffier door naar [eiser].

2.15

Bij e-mailbericht van 17 oktober 2018 reageert [eiser] op het e-mailbericht van [secretaresse 1] van diezelfde dag met de vraag waar de betaling gedaan moet worden en of de betaling bij DKL c.s. dient te worden gedaan. In een ander e-mailbericht van diezelfde dag vraagt [eiser] aan [secretaresse 1] of uitstel van betaling verzocht kan worden, omdat de meesten van hen niet het volledige bedrag van Afl. 1.666,67 per persoon binnen veertien dagen kunnen voldoen.

2.16

Bij email van 18 oktober 2018 vraagt [eiser] nogmaals aan [gedaagde] of het mogelijk is om gezien de korte termijn waarbinnen het voorschot betaald moet worden een paar maanden uitstel van betaling te vragen. Verder vraagt [eiser] aan [gedaagde] waar betaling van het voorschot moet plaatsvinden en wat er zal gebeuren als niet iedereen het bedrag van Afl. 1.667,67 betaalt en daardoor bedrag ad

Afl. 15.000,-- aan te betalen voorschot niet compleet is.

2.17

Op 23 oktober 2018 heeft Kong Hing een bedrag van Afl. 15.000,-, zijnde de helft van het door de deskundige verlangde voorschot, aan de deskundige betaald.

2.18

Bij email van 6 november 2018 heeft [eiser] nogmaals de vragen als hiervoor onder 2.16 vermeld gesteld aan [gedaagde].

2.19

Bij e-mailbericht van 12 november 2018 heeft DKL c.s. namens zijn cliënten (waaronder begrepen [eiser]) het Hof bericht dat zij niet het gehele bedrag kunnen opbrengen.

2.20

In het eindvonnis van het Hof van 20 november 2018 in de zaak met als nummer AR 3241/08 ghis 69491 – H 243/14 – AUA2018H00065 (hierna: het eindvonnis) heeft het Hof onder meer geoordeeld dat Kong Hing haar vordering gedocumenteerd heeft onderbouwd, dat geïntimeerden (waaronder begrepen [eiser]) wensten dat de onderbouwing door een deskundige tegen het licht zou worden gehouden, maar dat geïntimeerden dit onmogelijk hebben gemaakt door de deskundige niet de helft van het door hem gevraagde voorschot te betalen. Verder heeft het Hof geoordeeld dat geïntimeerden ook geen adequaat inhoudelijk verweer hebben gevoerd en is onder meer [eiser] veroordeeld om Afl. 2.926.119,08 aan Kong Hing te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente.

2.21

Bij e-mailbericht van 20 december 2018 bericht [eiser] aan DKL c.s. dat zij tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen ten opzichte van haar en stelt [eiser] DKL c.s. aansprakelijk voor alle schade als gevolg daarvan. Bij e-mailbericht van diezelfde dag ontkennen DKL c.s. tekort te zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen.

2.22

In een verklaring van 27 maart 2019 van [secretaresse 2] (hierna: [secretaresse 2]), secretaresse van DKL c.s., verklaart zij onder meer het volgende:

(…) In de zaak Kong Hing is dat mijn -inmiddels ex- collega [ ex-werknemer DKL] die het meest betrokken was met deze zaak. Van haar vernam ik dat het contact met de clienten in die zaak het meeste verliep of via de heer [eiser of [ex- werknemer 1], die deel uitmaakten van de groep ex-werknemers van Kong Hing. In de periode dat [ex- werknemer DKL] arbeidsongeschikt was verklaard nam de heer [eiser] telefonisch contact met mij of mijn collega [secretaresse 1] over de zaak. Ook heeft hij mij een paar email gestuurd. Hij was de contactpersoon voor de groep en hij zei ook dat hij alles met de groep opnam en daarna bij ons daarop terugkwam.

Volgens mij was het in september of oktober vorig jaar dat [eiser] veel belde (ook dhr [ex-werknemer 1]) over het feit dat er een bedrag moest worden betaald aan een deskundige voor een onderzoek. Zij gaven aan dat niet iedereen bereid was om financieel bij te dragen en dat zij het geld niet bij elkaar konden krijgen. Aan hen werd duidelijk gemaakt dat het heel belangrijk was om het geld te betalen, omdat de rechter (het Hof) anders een beslissing zou nemen die misschien in hun nadeel zou vallen.“.

2.23

In een verklaring van 11 april 2019 van [secretaresse 1], verklaart zij onder meer het volgende:

Ik werk vanaf 1 februari 2014 bij het advocatenkantoor David Kock Legal. Al vele jaren ben ik bekend met de procedure van de ex-werknemers van Kong Hing ([ex-werknemer 1], [ex-werknemer 2], [ex-werknemer 3], [eiser], [ex-werknemer 4], [ex-werknemer 5], [ex-werknemer 6] en [ex-werknemer 7]). Vanaf dat ik werkzaam ben op het kantoor loopt het contact over deze zaak alleen via de heer [eiser] en [ex-werknemer 1]. Zij nemen contact met het kantoor namens de groep of wij nemen contact met een van hen op die dan verder met de rest van de groep de kwestie verder opneemt. Dat is nooit anders geweest.

(…).

Toen de uitspraak op kantoor binnenkwam werd [eiser] daarvan op de hoogte gesteld. Hij wilde meteen een afspraak met mr [gedaagde] maar dan kon pas bij diens terugkeer van vakantie. Die afspraak was gemaakt voor 31 augustus 2018.

Hierna is veelvuldig telefonisch en email contact geweest met [ex-werknemer 1] en vooral ook met [eiser]. Ze belden/mailen om door te vragen wanneer het geld dat het Hof had vastgesteld moest worden betaald en wat er zou gebeuren als zij niet konden betalen. Ook gaven zij aan dat de anderen geen interesse hadden getoond om te betalen en dat zij (hun drieen: [eiser], [ex-werknemer 1] en [ex-werknemer 2]) niet voor de rest wilden betalen. Op hun uitdrukkelijk verzoek heb ik aan mr [gedaagde] de vraag voorgelegd wat er zou gebeuren als het hen niet zou lukken om het bedrag te betalen. Van mr. [gedaagde] kreeg ik door dat zij dat echt moesten doen omdat ander het Hof toch een beslissing zou nemen. Ook toen wij doorkregen dat Kong Hing wel haar deel had betaald heb ik dit doorgegeven aan [eiser] en ook via email is er correspondentie waarin ik dat aan [eiser] heb aangegeven en benadrukt dat zij voor de deadline het bedrag van Af 15.000,- aan de deskundige moesten betalen. Zij gaven echter aan dat dit niet zou lukken.

(…).”.

2.24

In een verklaring van 11 april 2020 van [ex-werknemer 3] (hierna: [ex-werknemer 3]) verklaart zij onder meer het volgende:

Ondergetekende vormde samen met haar ex-collega’s [ex-werknemer 1], [eiser], [eiser] [ex-werknemer 2], [ex-werknemer 5], [ex-werknemer 7], [ex-werknemer 6], [ex-werknemer 4] een groep werknemers die in diverse rechtsgeschillen betrokken waren tegen de ex-werkgever Kong Hing Supercenter N.V. betrekking hebbende op de tijdens hun dienstverband opgenomen gelden als lening. Deze groep werknemers hebben ongeveer 11 jaar geleden al de diensten betrokken van de advocaat [gedaagde] om hen in de diverse zaken bij te staan. Gezien de grote van de groep is al sinds aanvang door de groep besloten dat het contact met de advocaat via [ex-werknemer 1] of [eiser] zou verlopen zodat de advocaat een aanspreekpunt zou hebben en dat [ex-werknemer 1] en [eiser] vervolgens met de rest van de groep contact zou zoeken en eventuele punten bespreken en stukken doen toekomen. Over al deze jaren is ondergetekende op deze wijze steeds op de hoogte gehouden van alle ontwikkelingen in de zaak en steeds ook kopie van alle stukken gekregen via [ex-werknemer 1] of [eiser]n. (…)“.

2.25

In een ongedateerde brief van [ex-werknemer 1] gericht aan de gemachtigde van [eiser] verklaart hij het volgende:

Ik heb begrepen dat [gedaagde] / DK Legal in die zaak het standpunt hebben ingenomen dat alle communicatie over de zaak tussen Kong Hing en de groep werknemers via mij en [eiser] zou verlopen. Volgens [gedaagde] / DK Legal zouden wij alles coördineren door steeds alles met de rest van de groep te bespreken en terug te koppelen met het kantoor. Dit is niet waar. Ik heb nooit met [gedaagde] (of DK Legal) afgesproken dat ik (alleen of samen met [eiser]) contactpersoon zou zijn van de groep werknemers en dat alle communicatie via mij zou lopen. Ik snap ook niet goed waarom zo’n afspraak gemaakt zou moeten worden want [gedaagde] kan gewoon iedereen mailen. Verder begrijp ik dat [ex-werknemer 4] heeft verklaard dat zij altijd alle stukken van mij heeft ontvangen, maar ook dat is onjuist. Ik heb zelf niet eens alle stukken van [gedaagde] ontvangen. Ik heb die dus ook niet kunnen doorsturen naar [ex-werknemer 4]. (…)“.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [

eiser] vordert dat het Gerecht bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad DKL c.s. hoofdelijk veroordeelt om aan [eiser] te betalen:

1. Afl. 60.655,78, althans enig ander door het Gerecht te bepalen bedrag, aan schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 24 september 2008;

2. “de wettelijke rente van artikel 6:119 BW over het onder I vastgestelde bedrag, vanaf 20 november 2018 tot en met de dag der algehele voldoening,”;

3. de proceskosten.

3.2

DKL c.s. voeren verweer en concluderen dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem verzochte, althans tot afwijzing daarvan, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren kosten rechtens.

3.3

Voorzover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna besproken.

4 DE BEOORDELING

4.1

Voorzover sprake zou zijn van een nietige oproeping van DKL c.s. zoals door hen gesteld, heeft te gelden dat door het enkele verschijnen van hen in deze procedure op de dienende dag en tijd die nietigheid is gedekt. Het verweer van DKL c.s. op dit punt wordt verworpen.

4.2

Gebleken is dat mr. Oerlemans voornoemd het verzoekschrift in samenwerking met mr. M.B. Boyce, zijnde een in Aruba gevestigd advocaat, heeft ingediend, welk verzoekschrift is ondertekend door die mr. Boyce. Derhalve is geen sprake van een onbevoegdelijk ingediend verzoekschrift, zoals gesteld door DKL c.s.. Overige gronden waaruit volgt dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem verzochte zijn gesteld noch gebleken. Als [gedaagde] niet op de voet van artikel 7:404 BW met DKL hoofdelijk aansprakelijk is voor beweerdelijke door [eiser] geleden schade uit beweerdelijke wanprestatie en hij derhalve geen vorderingsrecht heeft op [gedaagde], moeten de rechtsvorderingen van [eiser] voorzover gericht tegen [gedaagde] worden afgewezen. Het ontvankelijkheidsverweer van DKL c.s. wordt verworpen.

4.3.1

Wat betreft het antwoord op de vraag of [gedaagde] naast DKL op de voet van voormelde wettelijke bepaling ook aansprakelijk is voor beweerdelijke schade als gevolg van wanprestatie zoals gesteld door [eiser] wordt het volgende overwogen. Artikel 7:404 BW luidt: “Indien de opdracht is verleend met het oog op een persoon die met de opdrachtnemer of in zijn dienst een beroep of bedrijf uitoefent, is die persoon gehouden de werkzaamheden, nodig voor de uitvoering van die opdracht, zelf te verrichten, behoudens voorzover uit de opdracht voortvloeit dat hij deze onder zijn verantwoordelijkheid door anderen mag laten uitvoeren; alles onverminderd de aansprakelijkheid van de opdrachtnemer.”.

4.3.2

In het licht van die bepaling is niet in geschil tussen partijen dat [eiser] met DKL net als zeven andere personen een overeenkomst van opdracht heeft gesloten om hem met die andere personen (hierna: de groep) bij te staan in de procedure tegen Kong Hing. Onder randnummer 12. van zijn verzoekschrift, alwaar met [eiser] wordt bedoeld [eiser], stelt [eiser] immers: “Daarmee staat het vast dat mr. [gedaagde] zijn werkzaamheden namens DKL heeft verricht en dat er tussen DKL en [eiser] een overeenkomst (van opdracht) tot stand is gekomen.”.

4.3.3

Naar het oordeel van het Gerecht moet de hiervoor onder 4.3.1 geformuleerde vraag ontkennend worden beantwoord. Onder randnummer 15. van zijn conclusie van repliek stelt [eiser] niet meer dan dat de aansprakelijkheid van [gedaagde] is gebaseerd op artikel 7:404 BW. [eiser] heeft echter niet gesteld dat bij het sluiten van de hiervoor onder 3.3.2 vermelde overeenkomst is afgesproken dat de bij DKL in dienst zijnde [gedaagde] de opdracht persoonlijk moest uitvoeren. Dit klemt temeer omdat het Gerecht ambtshalve op de hoogte is van de omstandigheid dat [gedaagde] niet de enige advocaat is in dienst van DKL. De slotsom op dit onderdeel luidt dat de stelling van [eiser], dat naast DKL als contractspartij ook [gedaagde] op de voet van artikel 7:404 BW persoonlijk aansprakelijk is voor de beweerdelijke schade uit beweerdelijke wanprestatie, feitelijke grondslag mist, en daarom wordt gepasseerd.

4.3.4

Vorenstaande brengt met zich dat de vorderingen van [eiser] voorzover gericht tegen [gedaagde] zullen worden afgewezen.

4.4

In het licht van de hiervoor onder 2. vermelde feitelijkheden legt [eiser] Kort gezegd aan zijn vordering de stelling ten gronde dat DKL aansprakelijk is voor de door hem geleden schade omdat de bij haar in dienst zijnde [gedaagde] (ernstig) toerekenbaar te kort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als advocaat van [eiser] in de bij partijen genoegzaam bekende procedure in hoger beroep (hierna: de procedure) door:

i. het bestaan en de inhoud van het tussenvonnis van het Hof van 26 juni 2018 (hierna: het tussenvonnis), en de correspondentie van 4 september 2018 nooit naar [eiser] door te sturen en [eiser] ook niet op enige andere wijze op de hoogte te brengen van de inhoud van die correspondentie;

ii. in zijn e-mail van 16 oktober 2018 aan [eiser] te schrijven dat [eiser] slechts 1/9 deel van het voorschot hoeft te voldoen, terwijl in het tussenvonnis is bepaald dat [eiser] hoofdelijk is aan te spreken voor de betaling van dat voorschot;

iii. de email van [eiser] van 17 oktober 2018, waarin hij vraagt wat er gebeurt als een van tegen Kong Hing procederende personen hun deel in het voorschot niet betaald onbeantwoord te laten;

iv. [eiser] nooit te waarschuwen voor de consequenties van het niet voldoen van het voorschot van de deskundige;

v. het Hof op 12 november 2018 ten onrechte te berichten dat [eiser] het voorschot niet kon betalen.

Aldus heeft [gedaagde] volgens [eiser] zijn belangen in bedoelde procedure niet behartigd op een wijze die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Ter zake van die door DKL c.s. gemotiveerd bestreden stellingen wordt het volgende overwogen.

4.5

De in dit geschil te beantwoorden vraag is inderdaad of [gedaagde] in en met betrekking tot de procedure de belangen van [eiser] al dan niet heeft behartigd op een wijze die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

4.6

In het licht daarvan heeft als eerste te gelden dat de hiervoor onder i. vermelde stelling van [eiser] onbesproken kan blijven, nu zonder nadere heldere doch ontbrekende uitleg niet valt in te zien dat sprake is van enig causaal verband tussen het beweerdelijke niet kenbaar maken door [gedaagde] c.s. aan [eiser] van het bestaan en de inhoud van het aldaar vermelde tussenvonnis van het Hof en de aldaar bedoelde hiervoor onder 2.9 vermelde correspondentie en de beweerdelijke schade van [eiser].

4.7.1

Ter zake van de hiervoor onder ii vermelde stelling van [eiser] wordt het volgende overwogen. Vast staat dat vanwege DKL c.s. het hiervoor onder 2.6 vermelde tussenvonnis van het Hof van 20 februari 2018 is doorgestuurd naar [eiser], en dat in dat vonnis reeds is geoordeeld dat geïntimeerden (waaronder begrepen de groep waaronder begrepen [eiser]) hoofdelijk de helft van de kosten van de deskundige verschuldigd waren. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] geen kennis heeft genomen van dat oordeel, en evenmin is gesteld of gebleken dat [eiser] niet wist wat dat oordeel van het Hof inhield. In het licht van dit alles mochten DKL c.s. er in ieder geval gerechtvaardigd op vertrouwen dat [eiser] wist dat hij samen met de overige geïntimeerden hoofdelijk (het geheel van) de helft van bedoeld voorschot verschuldigd waren aan de deskundige.

4.7.2

Verder staat vast dat DKL c.s. bij e-mailbericht van 17 oktober 2018 het hiervoor onder 2.13 vermelde e-mailbericht van de griffier heeft doorgestuurd naar [eiser]. Gesteld noch is gebleken dat [eiser] dat bericht van de griffier niet heeft gelezen, en evenmin is gesteld of gebleken dat hij dat voor zich sprekende bericht van de griffier niet had begrepen.

4.7.3

In het licht van vorenstaande valt zonder nadere doch ontbrekende heldere uitleg niet in te zien dat het hiervoor onder 2.12 vermelde antwoord van DKL c.s. op de onder 2.11 vermelde tweede vraag van [eiser] door hem anders kon worden begrepen dan dat geïntimeerden in hun onderlinge verhouding ieder voor 1/9 deel, ofwel voor Afl. 1.666,67, draagplichtig zijn/waren ter zake van het aan de deskundige door de 9 geïntimeerden hoofdelijk te betalen voorschot ad Afl. 15.000,--. Verder volgt uit vorenstaande dat [eiser] in het licht van zijn onder 2.15, 2,16 en 2.18 vermelde vragen aan [gedaagde], of hij het Hof om uitstel van betaling kon verzoeken, er naar het oordeel van het Gerecht er vanuit moest gaan dat betaling van dat gehele bedrag zonder andersluidend bericht van DKL c.s. binnen 14 dagen na 17 oktober 2018 moest plaatsvinden. Gesteld noch is gebleken dat [eiser] (en de overige geïntimeerden) bedoeld andersluidend bericht hebben ontvangen. Dit alles klemt temeer omdat is gebleken dat [secretaresse 1], wiens verklaring hierna onder 3.8.2 betrouwbaar wordt geoordeeld, tegen [eiser] heeft gezegd en heeft benadrukt dat het voorschot voor de deadline betaald moest worden aan de deskundige.

4.7.4

Vorenstaande brengt mee dat hiervoor onder ii door [eiser] gestelde verwijt feitelijke grondslag mist en daarom wordt gepasseerd. Dit temeer omdat [gedaagde] bij email van 16 oktober 2018 [eiser] niet heeft laten weten dat geïntimeerden het voorschot niet hoofdelijk verschuldigd zijn aan de deskundige.

4.8.1

Vorenstaande brengt verder mee dat zonder nadere doch ook te dezen ontbrekende heldere uitleg niet valt in te zien dat [eiser] niet wist wat de consequenties zouden kunnen zijn indien het voorschot niet tijdig werd betaald. Daar komt het volgende nog bij.

4.8.2

Ter zake van de hiervoor onder 2.22 tot en met 2.25 vermelde verklaringen wordt het volgende overwogen. Het Gerecht ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de groep (geïntimeerden) deeluitmakende [ex-werknemer 3] en de hiervoor onder 2.25 vermelde door haar afgelegde verklaring, temeer omdat die niet in haar eigen voordeel strekt of kan strekken. Daar komt bij dat de verklaring van [ex-werknemer 3] wordt ondersteund door de hiervoor onder 2.22 vermelde verklaring van [ex-werknemer 7] en de hiervoor onder 2.23 vermelde verklaring van [secretaresse 1]. Anders dan [eiser] oordeelt het Gerecht ook die verklaringen betrouwbaar, nu die op hun beurt worden ondersteund door de verklaring van [ex-werknemer 3]. Daarentegen oordeelt het Gerecht de hiervoor onder 2.25 vermelde schrijven van [ex-werknemer 1] onvoldoende betrouwbaar. Het is Gerecht ambtshalve op de hoogte van het gegeven dat [ex-werknemer 1] soortgelijke vorderingen met dezelfde grondslagen als die van [eiser] aanhangig heeft bij dit Gerecht, waarin gelijktijdig met deze zaak vonnis wordt gewezen. [ex-werknemer 1] heeft aldus onmiskenbaar groot belang bij zijn verklaring en ook bij de uitkomst van deze zaak. In het licht van de betrouwbaar geoordeelde verklaringen wordt het volgende overwogen.

4.8.3

DKL c.s. stellen dat [gedaagde] en/of DKL steeds door tussenkomt van [eiser] en/of [ex-werknemer 1] met de groep (waaronder begrepen [eiser]) communiceerde en mocht communiceren over de procedure, omdat reeds in een vroeg stadium van de procedure was afgesproken met de groep dat het contact tussen DKL c.s. en de groep zou verlopen via [ex-werknemer 1] en/of [eiser], die alles zouden coördineren, met de groep bespreken en zouden terugkoppelen met DKL c.s.. De stelling van [eiser] in dat verband dat partijen nimmer die afspraak hebben gemaakt, omdat een dergelijke afspraak nimmer schriftelijk is vastgelegd, doet niet ter zake. Gesteld noch is gebleken immers dat was overeengekomen met DKL c.s. dat communicatie schriftelijk moest verlopen en evenmin is gesteld of gebleken dat afspraken alleen schriftelijk gemaakt konden worden.

4.8.4

Naar het oordeel van het Gerecht volgt uit voormelde betrouwbaar geoordeelde verklaringen dat DKL c.s. reeds in een vroeg stadium van de procedure met de groep, waaronder begrepen [eiser] dus, heeft afgesproken dat DKL c.s. ter zake van de procedure communiceerden en mochten communiceren met de groep door tussenkomst van [eiser] en/of [ex-werknemer 1], en dat DKL c.s. er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat met die communicatiewijze de hele groep werd bereikt. Dit temeer omdat gesteld noch gebleken is dat [eiser] (of andere groepsleden) gedurende de procedure ooit bezwaar heeft/hebben gemaakt tegen de manier waarop informatie omtrent de procedure met betrekking tot in voorkomende gevallen ook [eiser] door tussenkomst van [ex-werknemer 1] naar hem/hen toe werd gecommuniceerd. Het verweer van [eiser], dat die afspraak nooit is gemaakt, mist in het licht van vorenstaande voldoende onderbouwing en wordt daarom verworpen.

4.8.5

Uit de hiervoor onder 2.22 vermelde betrouwbaar geoordeelde verklaring van Tromp volgt dat zij naar aanleiding van de woorden van [ex-werknemer 1] en/of [eiser] dat niet iedereen van de groep bereid was om financieel bij te dragen en dat zij het bedrag aan voorschot niet bij elkaar konden krijgen namens DKL c.s. aan [eiser] en/of [ex-werknemer 1] duidelijk heeft gemaakt dat het heel belangrijk was om het voorschot te betalen omdat het Hof anders een beslissing zou nemen die misschien in hun nadeel zou zijn. Uit de hiervoor onder 2.23 vermelde betrouwbaar geoordeelde verklaring van [secretaresse 1] volgt dat zij tegen [eiser] heeft gezegd en heeft benadrukt dat het voorschot voor de deadline betaald moest worden aan de deskundige.

4.8.6

De slotsom op dit onderdeel luidt in het licht van al het vorenstaande dat ook het onder iv. vermelde verwijt feitelijke grondslag mist, en daarom wordt gepasseerd.

4.9

Ter zake van het hiervoor onder v. vermelde verwijt wordt het volgende overwogen. Vast staat dat [eiser] met zijn hiervoor onder 2.15 vermelde tweede email van 17 oktober 2018 aan DKL c.s. heeft gevraagd of uitstel van betaling van het voorschot verzocht kon worden, omdat de meesten van de groep niet het volledige bedrag van Afl. 1.666,67 per persoon binnen veertien dagen konden voldoen (uiterlijk op 1 november 2018 dus). Niet alleen volgt uit die woorden van [eiser] dat hij wist en begreep dat de groep het voorschot hoofdelijk verschuldigd was, maar bovendien geldt dat DKL c.s. naar aanleiding van die email van [eiser] er naar het oordeel van het Gerecht gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat de groep het bedrag van Afl. 15.000,- aan voorschot voor de deskundige niet of niet op tijd zou kunnen opbrengen, temeer omdat is gesteld noch gebleken dat [eiser] (of enig ander lid van de groep) aan DKL c.s. te kennen had gegeven het gehele hoofdelijk verschuldigde bedrag voor de groep tijdig op tafel te leggen. Daar komt hetgeen hiervoor onder 3.7.3 in verbinding met 3.7.2 is overwogen ter zake van uitstel van betaling nog bij. In het licht van dit alles en de omstandigheid dat tijdige betaling van het voorschot is uitgebleven hebben DKL c.s. bij e-mailbericht van 12 november 2018 het Hof terecht bericht en mogen berichten dat de groep (waaronder begrepen [eiser]) niet in staat was het gehele bedrag aan voorschot te betalen1.

4.10

De algehele slotsom luidt dat de stelling van [eiser], dat DKL zich jegens hem schuldig heeft of hebben gemaakt aan schadeveroorzakende wanprestatie omdat [gedaagde] de belangen van [eiser] in bedoelde procedure niet heeft behartigd op een wijze die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht, voldoende feitelijke grondslag mist en daarom wordt gepasseerd. Dit brengt mee dat de vorderingen van [eiser] voorzover gericht tegen DKL eveneens zullen worden afgewezen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die een ander oordeel kunnen dragen.

4.11 [

eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, uitvoerbaar bij voorraad worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van DKL c.s., tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 3.000,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten, tarief 6).

4.12

Ten overvloede wordt nog overwogen dat ter voorkoming van dit soort procedures in het algemeen geldt dat advocaten(kantoren) er niet onverstandig aan doen om communicatieafspraken met cliënten of (zoals in dit geval) een groep cliënten overeenkomstig artikel 8 van de in Aruba geldende gedragsregels voor de advocatuur schriftelijk vast te leggen, en dat temeer in zaken waarin sprake is van niet geringe financiële belangen.

5 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-wijst af het door [eiser] verzochte;

-veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van DKL c.s., tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 3.000,- aan salaris voor de gemachtigde;

-verklaart voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 16 september 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Het had te dezen overigens op de weg van [eiser] gelegen om de daad bij het onder randnummer 38 van zijn verzoekschrift en randnummer 55 van zijn conclusie van repliek neergelegde woorden te voegen, door het gehele voorschot tijdig te betalen. Het nalaten daarvan komt en blijft voor zijn rekening en risico.