Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:355

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
24-09-2020
Zaaknummer
AUA202001624
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering strekt tot voldoening van een geldsom. Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 20 augustus 2020

Behorend bij AUA202001624 KG

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[Eiser]

te Aruba,

hierna ook te noemen: eiser,

gemachtigde: mr. G. de Hoogd,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

LAND ARUBA,

te Aruba,

hierna ook te noemen: gedaagde,

gemachtigde: mr. E.E. Rosenstand.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties;

- de pleitaantekeningen van eiser;

- het verweerschrift van gedaagde;

- de producties zijdens gedaagde;

- de mondelinge behandeling op 6 augustus 2020.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Eiser heeft vanaf 15 februari 2018 tot en december 2019 op basis van verschillende kortdurende overeenkomsten opdrachten voor gedaagde uitgevoerd om als coördinator/ realisator AHLEI-cursussen te verzorgen bij de E.P.I. (Colegio Educacion Professional Intermedio, dat ressorteert onder de minister van onderwijs) steeds tegen een vergoeding van Afl. 6.300,- per maand.

2.2

Bij de verlenging van de overeenkomst van opdracht voor de maanden januari 2020 en februari 2020 is de maandelijkse vergoeding verlaagd tot Afl. 4.000,-.

2.3

Bij de verlenging van de arbeidsovereenkomst van opdracht voor de maanden maart 2020 en april 2020 heeft de minister van onderwijs, in diens hoedanigheid van bevoegd gezag van E.P.I., aan eiser toegezegd dat zijn maandelijkse vergoeding van Afl. 4.000,- zal worden aangevuld met een bedrag van Afl. 2.300,- dat apart zou worden betaald via het budget van E.P.I.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

Eiser vordert gedaagde te bevelen om aan eiser binnen drie dagen na dit gewezen vonnis over de maanden maart 2020 en april 2020 in totaal een bedrag van Afl. 4.600,- te betalen, met veroordeling van gedaagde tot vergoeding van de proceskosten.

3.2

Eiser legt aan zijn vordering - samengevat - het volgende ten grondslag. Eiser heeft van de minister van onderwijs een toezegging dat zijn maandelijkse vergoeding van Afl. 4.000,- voor de maanden maart en april 2020 zal worden aangevuld tot het bedrag van Afl. 6.300,-. Gedaagde dient die toezegging na te komen, aldus eiser.

3.3

Gedaagde voert gemotiveerd verweer en concludeert primair dat eiser in zijn vordering tegen gedaagde niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij geen spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorziening en subsidiair dat het gevorderde dient te worden afgewezen, kosten rechtens.

3.4

Het Gerecht zal hierna, waar nodig, nader op de standpunten van partijen ingaan.

4 DE BEOORDELING

4.1

Voorop wordt gesteld dat de vordering strekt tot voldoening van een geldsom. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.2

Gedaagde heeft betwist dat eiser een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Dat eiser geen spoedeisend belang heeft, volgt volgens gedaagde uit het feit dat eiser ook een Nederlandse pensioen geniet.

4.3

Het is naar het voorshands oordeel van het Gerecht voldoende aannemelijk dat het gevorderde noodzakelijk is. Eiser heeft gemotiveerd bestreden dat hij altijd internationaal en nooit in Nederland heeft gewerkt en als gevolg hiervan geen ander pensioen ontvangt dan het ouderdomspensioen van Aruba. Dat eiser een andere pensioen dan het Arubaanse pensioen geniet, is door gedaagde niet nader onderbouwd. Verder heeft hij onbetwist gesteld dat hij achterstallig is met zijn huurbetalingen en dat hij het geld nodig heeft voor zijn levensonderhoud, aldus eiser. Gelet op het voorgaande is het Gerecht voorshands van oordeel dat van eiser niet kan worden verlangd dat hij, een beslissing in de bodemprocedure zou moeten afwachten. Het is daarmee voldoende aannemelijk geworden dat eiser spoedeisend belang heeft bij zijn vordering.

4.4

Tussen partijen is niet meer in geschil dat gedaagde eiser het bedrag van Afl. 4.600,- moet betalen in verband met de toezegging van de minister van onderwijs en de door hem verrichtte werkzaamheden. De vraag die partijen thans verdeeld houdt is of een bedrag van Afl. 2.000,- in mindering moet worden gebracht op het verschuldigd bedrag van Afl. 4.600,-.

4.5

Volgens gedaagde zijn partijen eind juni 2020 een betalingsregeling overeengekomen, inhoudende dat gedaagde het bedrag van Afl. 4.600,- in vier termijnen van Afl. 1.000,- zal betalen, waarbij gedaagde de BBO zal aftrekken. Gedaagde heeft twee termijnen betaald wat neerkomt op Afl. 1.880,- (2x Afl. 1.000,- minus BBO ad Afl. 120,-) waardoor hij nog slechts een bedrag van Afl. 2.600,- aan eiser verschuldigd is, aldus gedaagde. Ter onderbouwing hiervan verwijst gedaagde naar de door hem overgelegde factuur van 8 juli 2020 van eiser aan Myriad Source Aruba voor het bedrag van Afl. 1.880,- en het door gedaagde overgelegde betalingsbewijs van 9 juli 2020 waaruit volgt dat Myriad Source Aruba op 9 juli 2020 aan eiser een bedrag van Afl. 1.880,- heeft betaald.

4.6

Eiser heeft deze stelling van gedaagde betwist met als standpunt dat de factuur van 8 juli 2020 en de betaling van het bedrag van Afl. 1.880,- niet heeft te maken met zijn werkzaamheden die hij in de maanden maart en april 2020 heeft verricht. Die betaling is echter voor een nieuwe opdracht namelijk zijn advieswerkzaamheden voor de politieke partij, waartoe ook de minister van onderwijs behoort, over de maanden mei en juni 2020. Daar komt bij dat de BBO bij zijn opdrachten als coördinator/realisator AHLEI-cursussen bij de E.P.I., zoals steeds opnieuw werd overeengekomen, altijd door opdrachtgever zelf werd betaald en niet door eiser. Bij deze nieuwe opdracht van Myriad Source Aruba is dat anders afgesproken, zoals dat ook kan worden afgeleid uit de factuur van 8 juli 2020, aldus eiser.

4.7

Het Gerecht overweegt als volgt. De stelling van gedaagde dat van het verschuldigde bedrag van Afl. 4.600,- in verband met de door eiser in de maanden maart en april 2020 verrichte werkzaamheden reeds een bedrag van Afl. 2.000,- door gedaagde is betaald, kan het Gerecht niet volgen. Blijkens de door gedaagde overgelegde factuur van 8 juli 2020 volgt dat eiser het bedrag van Afl. 1.880,- heeft gefactureerd voor de werkzaamheden die hij gedurende de maanden mei en juni 2020 voor Myriad Source Aruba heeft verricht. De in die factuur opgenomen de post “BBO” ad Afl. 220,-, ten laste van eiser, komt niet overeen met de afspraak daarover in de overeenkomst van opdracht over de maanden maart en april 2020. Deze factuur is ook niet gericht aan de minister, maar aan Myriad Source Aruba. Voor zover gedaagde heeft willen betogen dat een derde, namelijk Myriad Source Aruba, voor gedaagde het bedrag bevrijdend heeft betaald omdat zulks tussen partijen zou zijn overeengekomen, is deze stelling door gedaagde onvoldoende onderbouwd.

4.8

Op grond van het vorenstaande is door gedaagde niet aannemelijk gemaakt dat het verschuldigde bedrag van Afl. 2.000,- door gedaagde is betaald. Gelet hierop zal de vordering van eiser worden toegewezen.

4.9

Gedaagde zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.

5 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

veroordeelt gedaagde om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis tot betaling aan eiser van een bedrag van Afl. 4.600,-;

veroordeelt gedaagde in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van eiser worden begroot op Afl. 450,- aan griffierecht, Afl. 230,65 aan explootkosten en Afl. 1.500,- aan salaris van de gemachtigde;

verklaart de veroordeling in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Keltjens rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag, 20 augustus 2020 in aanwezigheid van de griffier.