Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:349

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
AUA201901918
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

EJ. Gezag en Omgang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 8 september 2020

Behorend bij EJ nr. AUA201901918

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

op het verzoek van

[naam vader] ,

wonende in Aruba,

VERZOEKER, hierna de vader,

in persoon,

tegen

[naam moeder] ,

wonende in Aruba,

VERWEERSTER, hierna de moeder,

gemachtigde: de advocaat de advocaat mr. C.J. Hart.

Belanghebbende:

[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] in Aruba,

de minderjarige.

1 DE PROCEDURE

Het eerdere verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van dit gerecht van 1 oktober 2019, waarbij de Voogdijraad is verzocht om onderzoek in te stellen naar de sociale omstandigheden van partijen ter beantwoording van de vraag of in dit geval een onaanvaardbaar risico voor de minderjarige bestaat dat zij klem of verloren zou raken tussen de ouders indien zij het gezag gezamenlijk zouden uitoefenen, en de vraag of en zo ja, op welke wijze invulling dient te worden gegeven aan het omgangsrecht van de vader, en daarover rapport uit te brengen. Bij die beschikking is tevens een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige bepaald.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het rapport van de Voogdijraad van 3 april 2020,

- de mondelinge behandeling ter zitting van 7 juli 2020, waar zijn verschenen de moeder bijgestaan door haar gemachtigde en de vader in persoon. Voor de Voogdijraad waren aanwezig de raadsonderzoekers, mevrouw [naam raadsonderzoeker] en mevrouw [naam raadsonderzoeker].

2. DE VERDERE BEOORDELING

Gezag

2.1

Aan de orde is ten eerste het verzoek van de vader om voortaan gezamenlijk met de moeder het gezag over de minderjarige uit te oefenen.

2.2

De Voogdijraad acht het in het belang van de minderjarige om beide ouders te belasten met het gezag over haar, zodat de inbreng van de vader in de verzorging en opvoeding van de minderjarige en haar ontwikkeling gewaarborgd kan worden. Het advies is dan ook om het gezag te wijzigen in die zin dat de vader voortaan gezamenlijk met de moeder met het gezag over de minderjarige wordt belast.

2.3

De moeder kan zich niet verenigen met het advies van de Voogdijraad, en persisteert in haar standpunt dat gezamenlijk gezag niet in het belang is van de minderjarige omdat de communicatie tussen partijen problematisch is.

2.4

Het gerecht overweegt als volgt.

2.4.1

Het ouderlijk gezag omvat op grond van artikel 1:247 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW) de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind, en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Het ouderlijk gezag brengt een aantal bevoegdheden met zich die nodig zijn voor de in voormeld kader te nemen beslissingen, waarbij gedacht moet worden aan zaken als de schoolkeuze, medische behandelingen of levensbeschouwelijke aangelegenheden. In geval van gezamenlijk gezag dienen dergelijke beslissingen tezamen met de andere gezaghebbende ouder te worden genomen. Voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag is dan ook vereist, dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen en wel zodanig dat het kind niet klem of verloren zal raken tussen de ouders.

2.4.2

In dit geval kan uit de stukken en het verhandelde ter zitting het volgende worden afgeleid.

Partijen hadden jarenlang een affectieve maar tumultueuze relatie met elkaar. De relatie is geëindigd in mei/juni 2012, kort na de geboorte van de minderjarige. Volgens de vader heeft hij het uitgemaakt omdat hij zich niet meer gelukkig voelde. Volgens de moeder heeft zij het einde van de relatie niet zien aankomen.

Volgens de vader was hij gedurende de eerste twee levensjaren van de minderjarige betrokken bij de opvoeding van de minderjarige en droeg hij financieel bij in haar kosten. De communicatie met de moeder verliep stroef omdat de moeder het telkens over hun relatie wilde hebben, en hij daar niks voor voelde. Hij werd nooit door de moeder over de minderjarige geïnformeerd en werd ook nergens bij betrokken.

Volgens de moeder is zij degene geweest die in het begin de minderjarige naar de vader bracht om ervoor te zorgen dat hij betrokken zou zijn. De vader heeft echter alle verantwoordelijkheid voor de minderjarige aan haar overgelaten. Zij werd het zat om achter de vader aan te zitten, en de communicatie tussen hen verliep niet goed omdat de vader zich respectloos jegens haar gedroeg. Zij en haar partner, met wie zij vanaf 2013 een relatie heeft, zijn degenen die de minderjarige opvoeden. De minderjarige noemt haar partner “papa” en ziet hem als haar vader.

In augustus 2015 hebben partijen na bemiddeling door de Voogdijraad afspraken gemaakt over een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige. Deze omgang, die steeds plaatsvond op een publieke plaats en in bijzijn van de moeder, heeft tot juni 2016 geduurd. De vader wilde op een gegeven moment de minderjarige mee naar huis nemen tijdens de omgangsmomenten en de moeder weigerde dit. De vader werd toen boos en heeft de omgang vervolgens stopgezet. Hierna heeft hij nog een aantal keer geprobeerd contact te krijgen met de moeder, maar zij heeft toen niet meer gereageerd.

De minderjarige weet dat de vader haar (biologische) vader is en ze noemt hem “Edgar”. Uit het rapport van de Voogdijraad kan worden afgeleid dat de minderjarige weet dat haar moeder en vader problemen met elkaar hebben (zij heeft haar moeder zien huilen omdat Edgar haar niet begrijpt en hij mag de moeder niet verdrietig maken) en wil pas vanaf haar 11de omgang met hem, omdat ze dan oud genoeg is.

De psycholoog van de Voogdijraad heeft met zowel de ouders als de minderjarige gesprekken gevoerd en heeft een tweetal omgangsmomenten tussen de vader en de minderjarige bijgewoond. Zij heeft geconcludeerd dat niet is gebleken dat contact met de vader onveilig voor de minderjarige is, en dat partijen telkens een verschillende beleving hebben van de omgangsmomenten en hun onderlinge communicatie.

Partijen hebben in juni/juli 2020 besloten de minderjarige onder psychologische behandeling te stellen en beiden zijn daarbij betrokken.

2.4.3

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van het gerecht niet gebleken dat er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders, dan wel dat het afwijzen van het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met de moeder met het gezag te belasten anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

Weliswaar is gebleken dat de communicatie tussen partijen nog steeds niet optimaal is, doch dit brengt niet zonder meer mee dat in het belang van de minderjarige het verzoek van de vader om gezamenlijke gezagsuitoefening dient te worden afgewezen.

Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat de ouders -kennelijk- in staat zijn om met elkaar te communiceren omtrent zaken die de minderjarige aangaan. Het gerecht acht de ouders geschikt en in staat de minderjarige naar behoren te verzorgen en op te voeden. Voorts worden zij in staat geacht om zodanig met elkaar te communiceren dat zij tot onderlinge afspraken kunnen komen over de situaties die zich rond de minderjarige kunnen voordoen. Van de ouders mag verwacht worden dat zij zich daarvoor zullen inzetten en het gerecht acht hen daartoe in staat.

2.5

In het belang van de minderjarige zal het gerecht daarom de ouders gezamenlijk belasten met het gezag over haar.

Omgang

2.6.1

Wat betreft het verzoek van de vader om een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige te bepalen, overweegt het gerecht als volgt.

Het is in het algemeen in het belang van een kind te achten, dat het contact heeft met de niet-verzorgende ouder. In beginsel hebben beiden ook recht op omgang met elkaar, tenzij zwaarwegende belangen van het kind zich daartegen verzetten.

Van dergelijke zwaarwegende belangen is in deze niet gebleken. Dat de minderjarige - volgens de moeder - vóór de omgangsmomenten veel weerstand toonde door hysterisch te gillen, en na de omgangsmomenten huilbuien had, is geen reden om het contact tussen de vader en de minderjarige stop te zetten, nu niet is gebleken dat dit gedrag voortvloeit uit dat contact. Zo heeft de psycholoog van de Voogdijraad, die twee omgangsmomenten heeft bijgewoond, juist geconcludeerd dat de minderjarige en de vader goed en rustig contact met elkaar hadden.

Verder geldt dat, vooral bij jonge kinderen zoals in dit geval, de verantwoordelijkheid voor een omgangsregeling tussen het kind en de niet-verzorgende ouder, primair bij de verzorgende ouder ligt. Dat betekent in dit geval dat de moeder in het belang van de minderjarige, haar door haar houding, steun, vertrouwen en toestemming dient te geven voor een omgangsregeling met de vader. Aan de andere kant bestaat voor de vader de verplichting om zich aan de vastgestelde omgangsregeling te houden, zodat de minderjarige (weer) aan hem gewend kan raken.

2.6.2

Het gerecht verwacht van de ouders dat zij zich inzetten om de omgangsregeling soepel te laten verlopen. Gelet hierop zal het gerecht conform het advies van de Voogdijraad een omgangsregeling vaststellen. Het gerecht overweegt ten overvloede dat, naar mate de minderjarige ouder wordt, van beide partijen mag worden verwacht dat zij, als de situatie daar om vraagt, de omgangsregeling met de nodige souplesse zullen toepassen.

2.7

Het gerecht ziet aanleiding om de kosten van deze procedure te compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

3 DE BESLISSING

Het gerecht:

bepaalt dat de vader, [naam vader], voortaan gezamenlijk met de moeder, [naam moeder], het gezag over [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] in Aruba, zal uitoefenen,

bepaalt de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige als volgt:

op twee dagen per week voor (minstens) vier aaneengesloten uren, zoals bijvoorbeeld:

  • -

    elke zaterdag, van 10:00 tot 14:00 uur,

  • -

    elke woensdag, van 14:00 uur tot 18:00 uur,

waarbij de moeder de minderjarige bij de vader thuis afzet en de vader de minderjarige weer thuisbrengt,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en wordt geacht in het openbaar te zijn uitgesproken ter zitting van dinsdag 8 september 2020 in aanwezigheid van de griffier.