Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:341

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
AUA202000841
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

EJ. Arbeid. Voorwaardelijke ontbinding. Dringende reden. Onbehoorlijk gedrag. One-happy-island-jurisprudentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 15 september 2020

E.J. no. AUA202000841

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

CALABAS HOTELS N.V. h.o.d.n. RIU PALACE ARUBA,

gevestigd te Aruba,

verzoekster, hierna ook te noemen: Riu,

gemachtigde: de advocaat mr. R.A. Wix,

tegen:

[verweerder],

wonende in Aruba,

verweerder, hierna ook te noemen: [verweerder],

gemachtigde: de advocaat mr. H.G. Figaroa.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingediend op 10 maart 2020;

- de brief van Riu met producties, ingediend op 29 juni 2020;

- de pleitaantekeningen van partijen;

- de behandeling ter zitting van 2 juli 2020, waarbij zijn verschenen Riu bijgestaan door haar gemachtigde mr. E.R. Zeppenfeldt, occuperende voor mr. Wix, alsmede de heer [naam HR] (directeur human resources), en [verweerder] in persoon bijgestaan door mr. A.E.A. Hernandez, occuperende voor mr. Figaroa.

1.2

De datum van beschikking is nader bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Riu exploiteert het Riu Palace Aruba Hotel.

2.2 [

verweerder] is sinds 20 februari 2014 bij Riu in dienst laatstelijk in de functie van assistant cook op de keukenafdeling.

2.3

In het personeelshandboek van Riu staat, voor zover van belang:

4. Standard of Conduct

Calabas Hotels N.V. expects its employees to uphold high standards of performance and conduct. The following ground, which are not eliminative enumeration, are examples of ground for disciplinary action which may include termination.

(…)

5. Possession or consumption of intoxicants and/or controlled substances on the hotel

premises“.

2.4

Op 11 februari 2020 is [verweerder] geschorst met behoud van loon hangende het onderzoek naar het drinken van alcohol tijdens werktijd dat zich volgens Riu diezelfde dag had voorgedaan.

2.5

Bij brief van 14 februari 2020 is [verweerder] op staande voet ontslagen (hierna: de ontslagbrief). In de ontslagbrief staat, voor zover van belang:

El 11 de febrero 2020, usted tenia una bebida alchólica en la estación, que estaba bebiendo durante su hora de trabajo. Usted declaro que no tenia alcohol en su vaso, sino agua y/o sprite. Sin embargo, su versión ha sido contrastada con los testigos que estaban presentes. Dichos testigos comprobaron que la bebida que tenía con usted en la estación era alcohólica y usted estaba bebiendo de ella en horas laborales. Usted está conciente de que este comportamiento no es aceptado. El incidente de hoy individualmente y/o conjuntamente con los incidents previos y medidas disciplinarias hacen que la compañía no puede continuar con el contrato laboral. Por dichos motivos está usted despedido de inmediato por motivos urgentes“.

2.6

Bij brief van 14 februari 2020 heeft [verweerder] de nietigheid van het ontslag ingeroepen.

3 HET VERZOEK

3.1

Riu verzoekt het gerecht om de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verweerder] voorwaardelijk te ontbinden, zonder toekenning van een billijke vergoeding en met veroordeling van [verweerder] tot betaling van de proceskosten.

3.2 [

verweerder] heeft verweer gevoerd dat, voor zover voor de beslissing van belang, bij de beoordeling aan de orde komt.

4 DE BEOORDELING

4.1

Aan de orde is de vraag of de gedragingen van [verweerder], zoals die blijken uit de ontslagbrief een gewichtige reden opleveren in de zin van een dringende reden, die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen. Volgens Riu zijn het gebruik van alcoholhoudende drank tijdens werktijd door [verweerder], in samenhang met de waarschuwingen die hij in de voorafgaande periode heeft gekregen, voldoende grond om de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen te ontbinden.

4.2

Op grond van artikel 7A:1615w BW is de werkgever bevoegd wegens een dringende reden de rechter te verzoeken de arbeidsovereenkomst (voorwaardelijk) te ontbinden. Op grond van artikel 7A:1615p BW worden voor de werkgever als dringende redenen in de zin van lid 2 van artikel 7A:1615w BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Of dat het geval is, hangt af van de omstandigheden van het geval. De aard van de arbeidsovereenkomst, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer zijn werkzaamheden heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem hebben, spelen daarbij een rol (HR 22 februari 2002, NJ 2003, 174).

4.3

Het gerecht is van oordeel dat [verweerder] een dringende reden aan Riu heeft gegeven die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt en overweegt daartoe als volgt.

4.4 [

verweerder] heeft erkend dat hij tijdens het werken in de keuken een beker met wijn naast zich had staan, waaruit hij ook daadwerkelijk heeft gedronken. Daarmee staat dus vast dat [verweerder] tijdens werktijd alcohol heeft gedronken.

4.5 [

verweerder] heeft betwist dat hem in de periode voorafgaand aan dit incident diverse waarschuwingen zijn gegeven. Hij heeft ermee volstaan om te stellen dat Riu geen waarschuwingen heeft overgelegd (pleitnota, 7). Riu heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter onderbouwing van haar stellingen op dit punt drie schriftelijke waarschuwingen overgelegd. Het betreft waarschuwingen d.d. 15 oktober 2019, 30 juni 2019, 10 januari 2019 en 31 augustus 2016. In het licht van de overgelegde producties had van [verweerder] mogen worden verwacht dat hij, ter onderbouwing van zijn verweer dat hem geen waarschuwingen zijn gegeven, had toegelicht of zijns inziens de schriftelijke waarschuwingen daadwerkelijk nimmer zijn opgemaakt of aan hem overhandigd of dat hij van mening is dat die waarschuwingen ten onrechte aan hem zijn gegeven, omdat de verweten gedragingen in werkelijkheid niet door hem zijn begaan. Nu [verweerder] dit niet heeft gedaan, heeft hij zijn verweer op dit punt onvoldoende onderbouwd, zodat het zal worden gepasseerd. Het gerecht gaat er dan bij de beoordeling ook vanuit dat de waarschuwingen daadwerkelijk zijn gegeven en dat [verweerder] de hem daarin verweten gedragingen heeft begaan.

De waarschuwingen die in 2019 aan [verweerder] zijn gegeven betreffen de volgende gedragingen.

Op 10 januari 2019 had hij een bak met eten naast het vuur gezet en was zijn werkplek slordig, terwijl hij in het verleden al was aangesproken op dit gedrag. Op 30 juni 2019 is hij gewaarschuwd omdat hij al drie keer zijn koksmuts, nodig uit oogpunt van hygiëne, niet op had gezet tijdens het werk. Op 15 oktober 2019 had hij excessief veel zout op het eten gedaan, zodat gasten daarover klaagden, terwijl dat [verweerder] niets kon schelen toen hij erop werd aangesproken.

4.6

Met inachtneming hiervan oordeelt het gerecht als volgt omtrent het verzoek van Riu.

[verweerder] was ervan op de hoogte dat het drinken van alcohol gedurende werktijd niet is toegestaan en dat het overtreden van dit verbod op grond van het bepaalde in het handboek tot ontslag op staande voet kan leiden. Gezien de mogelijkheid van deze sanctie was [verweerder] zich er ook van bewust dat overtreding van dit verbod door Riu als een ernstige misstap wordt beschouwd. Dat blijkt ook overigens uit het feit dat hij aanvankelijk (tot aan deze procedure) heeft ontkend dat de beker waaruit hij dronk alcoholische drank bevatte. Voorts is onbetwist door Riu gesteld dat een collega, die constateerde dat [verweerder] wijn dronk tijdens zijn werkzaamheden, [verweerder] heeft gewaarschuwd dat dit niet was toegestaan. [verweerder] heeft aldus willens en wetens het verbod op het drinken van alcohol tijdens het werk overtreden.

4.7

Het verbod om alcohol te gebruiken, zoals opgenomen in artikel 4 van het personeelshandboek, is mede gericht op het vermijden van deze gevaarzettende situaties op de werkvloer om de veiligheid van het personeel en de gasten te garanderen. Riu heeft dan ook een redelijk belang bij een strikte handhaving van dit verbod. Het verweer van [verweerder] dat hij niet onder invloed verkeerde van alcohol, waarmee hij kennelijk wil betogen dat de overtreding niet ernstig was, wordt verworpen. Verboden is het gebruik van alcohol en niet het ‘niet onder invloed verkeren’ ervan. Het verbod is voor Riu slecht handhaafbaar indienzij slechts sancties zou kunnen opleggen indien een werknemer door het gebruik ervan aantoonbaar onder invloed van alcohol verkeert. Dat de beker met alcoholische drank mogelijk door een collega aan hem is gegeven, zoals nog door [verweerder] is aangevoerd, doet aan het voorgaande niet af.

4.8

Uit de waarschuwingen die [verweerder] in de loop van 2019 zijn gegeven blijkt niet alleen dat hij het verbod om geen alcohol te gebruiken heeft overtreden, maar dat hij ook geregeld andere regels, die Riu op goede gronden voorschrijft, willens en wetens naast zich neerlegt. De overtreding van het verbod om alcohol tijdens het werk te gebruiken, bezien in samenhang met de overige overtredingen van [verweerder] waarvoor hij een waarschuwing heeft gekregen en die allen zijn begaan binnen een betrekkelijk korte periode van 13 maanden, leveren dan ook, in hun onderlinge samenhang beschouwd en gezien de ernst ervan, een dringende reden op als bedoeld in artikel 7A:1615o eerste lid BW en daarmee een gewichtige reden die de verzochte voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt.

4.9

In dit oordeel betrekt het gerecht de zogenaamde “one-happy-island-jurisprudentie” van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof), zoals kenbaar uit zijn uitspraken van onder meer 19 februari 2013, 18 juni 2013 en 26 juni 2018 (ECLI:NL:OGHACMB:2013:BZ2473, idem 2013:13 en idem 2018:284). Deze vaste rechtspraak van het hof komt erop neer dat toerisme nu eenmaal cruciaal is voor de economie van Aruba en dat het GEA en het Hof er daarom rekening mee moeten houden dat in de hotelsector extra aandacht wordt gegeven aan behoorlijk optreden van het personeel en dat zware sancties worden gesteld voor onbehoorlijk gedrag, zelfs indien er geen gasten in de buurt zijn. Het is van algemeen belang dat de goede naam van Aruba (“one happy island”) niet wordt aangetast.

4.10

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek toewijsbaar is. Het gerecht zal de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbinden met ingang van 16 september 2020. Voor een vergoeding is ingevolge artikel 7A:1615w BW geen plaats nu sprake is van een dringende reden.

4.11

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [verweerder] de proceskosten van Riu moeten vergoeden.

5. DE BESLISSING

Het gerecht:

- ontbindt de tussen partijen bestaande overeenkomst , voor zover in rechte mocht komen vast te staan dat deze nog bestaat, met ingang van 16 september 2020;

- veroordeelt [verweerder] in de kosten van de procedure, die tot de datum van de uitspraak aan de kant van Riu worden begroot op Afl. 450,- aan griffierechten en Afl. 1.250,- aan gemachtigdensalaris;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Verhoeven, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting op dinsdag 15 september 2020 in aanwezigheid van de griffier.