Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:339

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
AUA202000459
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

EJ. Verzoek tot wijziging gezag afgewezen. Verzoek tot het vaststellen van omgang afgewezen.

Formele relatie: ECLI:NL:OGHACMB:2021:315

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 15 september 2020

Behorend bij EJ nr. AUA202000459

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

op het verzoek van

[verzoeker] ,

wonende in Aruba,

VERZOEKER, hierna de vader,

gemachtigde: de advocaat mr. H.F. Falconi,

tegen

[verweerster] ,

wonende in Aruba,

VERWEERSTER, hierna de moeder,

gemachtigde: de advocaat mr. M.M. Malmberg.

Belanghebbende:

[naam minderjarige, geboren op [geboortedatum] in Aruba,

de minderjarige.

1 DE PROCEDURE

1.1

De procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties, ingediend op 11 februari 2020,

  • -

    het verweerschrift, ingediend op 18 juni 2020,

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 23 juni 2020, in aanwezigheid van partijen in persoon en bijgestaan door hun gemachtigde, en de raadsonderzoeker van de Voogdijraad, mevrouw [naam raadsonderzoeker].

1.2

De uitspraak is bepaald op heden.

2 DE FEITEN

2.1

De minderjarige voornoemd is geboren uit de relatie tussen de vader en de moeder. Zij is op 10 september 2012 door de vader erkend.

2.2

De moeder oefent van rechtswege het gezag over de minderjarige alleen uit.

3 HET VERZOEK

3.1

Het verzoek strekt tot wijziging van het gezag, in die zin dat de vader gezamenlijk met de moeder met het gezag over de minderjarige wordt belast, en tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige.

3.2

Ter onderbouwing van het verzoek heeft de vader gesteld dat de moeder op het moment niet toestaat dat de vader en de minderjarige omgang met elkaar hebben, dat de vader altijd een goede band met de minderjarige heeft gehad en de dat de minderjarige de vader mist.

4 DE BEOORDELING

4.1

Het verzoek is gebaseerd op artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (hierna: BW). Artikel 1:253c lid 1 BW biedt de tot het gezag bevoegde vader, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de mogelijkheid om het gerecht te verzoeken om hem in plaats van de moeder met het gezag over het kind te belasten. Uit de jurisprudentie (vgl. HR 27 mei 2005, NJ 2005, 485) volgt dat dit artikel in overeenstemming met artikel 6 lid 1 EVRM aldus moet worden uitgelegd, dat de vader niet alleen om toekenning van eenhoofdig, maar ook van gezamenlijk gezag over het kind kan verzoeken, en dat art. 1:253e BW aldus moet worden uitgelegd dat, indien het verzoek van de vader ingevolge art. 1:253c lid 1 BW tot toekenning van gezamenlijk gezag over het kind wordt ingewilligd, dit tot gevolg heeft dat, indien de moeder het gezag tot dusverre alleen uitoefende, zij dit voortaan gezamenlijk met de vader uitoefent.

Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen indien de rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt (lid 2).

4.2

Voor het uitoefenen van het gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen en wel zodanig dat de kinderen niet klem of verloren raken tussen de ouders. De vraag die de rechter in dat kader onder meer dient te beantwoorden is of er een onaanvaardbaar risico voor het kind bestaat dat het klem of verloren zou raken tussen de ouders, indien zij het gezag gezamenlijk zouden uitoefenen.

4.3

De moeder heeft zich tegen het verzoek van de vader verzet en heeft daartoe - kort samengevat - aangevoerd dat de vader de moeder in het verleden zowel fysiek als psychologisch heeft mishandeld in bijzin van de minderjarige en dat de moeder daarom met de minderjarige de woning heeft moeten verlaten. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij naar het psychologisch rapport opgesteld door de stichting Fundacion pa Hende muhe den dificultad (hierna te noemen: FPHMD).

4.4

De vader betwist hetgeen de moeder heeft gesteld. Hij voert aan – kort gezegd – dat het rapport eenzijdig is opgesteld. FPHMD heeft hem niet gehoord en er is ook geen onderzoek verricht.

4.5

De Voogdijraad heeft ter zitting verklaard dat hij achter het rapport van FPHMD staat.

4.6

Het gerecht overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is het volgende naar voren gekomen. Partijen hebben 10 jaren samengewoond. De vrouw is sedert 11 november 2019 met de minderjarige naar een blijf-van-mijn-lijf-huis gegaan alwaar zij voor een paar maanden hebben gewoond. Ter zitting is gebleken dat de moeder wenst op geen enkele wijze met de vader in contact te treden. Anders dan de vader stelt, heeft de moeder naar het oordeel van het gerecht voldoende aannemelijk gemaakt dat zij door de vader fysiek en psychologisch is mishandeld. Onder deze omstandigheden kan in redelijkheid niet van haar worden verwacht dat zij met de vader overlegt met betrekking tot het gezamenlijk nemen van beslissingen aangaande de minderjarige. Voorts is in de gegeven omstandigheden niet aannemelijk dat verbetering van de communicatie tussen partijen op afzienbare termijn te verwachten is. Het gerecht is op grond van al het voorgaande dan ook van oordeel dat het verzoek van de vader zal worden afgewezen. Hetgeen de vader heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Omgang

4.7

Ingevolge artikel 1:377a BW hebben het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar. Bij de vaststelling van de omgangsregeling is het belang van de minderjarige doorslaggevend.

4.8

De Voogdijraad heeft ter zitting verklaard dat het vooralsnog niet in het belang van de minderjarige is om omgang toe te staan zonder onderzoek.

4.9

Gelet op het voorgaande en mede in aanmerking genomen de uitlatingen van de Voogdijraad bij gelegenheid van de mondelinge behandeling acht het gerecht omgang op dit moment en in de nabije toekomst in het belang van de minderjarige niet wenselijk. Het gerecht zal het verzoek van de vader dan ook afwijzen.

4.10

Gelet op het overgelegde bewijs van onvermogen zal aan de moeder toestemming worden verleend om kosteloos te procederen.

5 DE BESLISSING

Het gerecht:

verleent aan de moeder toestemming om kosteloos te procederen,

wijst de verzoeken van de vader af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.J. Keltjens rechter in dit gerecht, ter zitting van 15 september 2020 in aanwezigheid van de griffier.