Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:338

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
AUA202000429
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

EJ. Tussenbeschikking. Gezamenlijk gezag. Hoofdverblijfplaats. Wijziging Kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 15 september 2020

behorend bij EJ nr. AUA202000429

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de alimentatiezaak tussen

[verzoeker] ,

wonende in Aruba,

VERZOEKER, hierna te noemen: de vader,

gemachtigde: de advocaat mr. M.M. Malmberg,

en

[verweerster],

wonende in Aruba,

VERWEERSTER, hierna te noemen: de moeder,

gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn.

Belanghebbenden:

[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum in Aruba,

[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in Aruba,

[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in Aruba,

hierna samen te noemen: de minderjarigen.

1 DE PROCEDURE

1.1

De procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties, ingediend op 10 februari 2020;

  • -

    het verweerschrift met producties, ingediend op 22 juni 2020;

  • -

    het verhoor van de minderjarige op 22 juni 2020,

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 23 juni 2020, waar zijn verschenen partijen in persoon en bijgestaan door hun gemachtigde.

1.2

De uitspraak is bepaald op heden.

2 DE FEITEN

2.1

De minderjarigen zijn geboren uit de relatie tussen de vader en de moeder. Zij zijn door de vader erkend.

2.2

Bij beschikking van dit Gerecht van 3 september 2019 (EJ-AUA201901061), is de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bepaald op Afl. 400,-- per kind per maand en van [minderjarige 3] bepaald op Afl. 500,-- per maand, met ingang van 1 oktober 2019.

3 HET VERZOEK

3.1

Het verzoek strekt tot wijziging van bovengenoemde beschikking van 3 september 2019 in die zin dat het door de vader te betalen bedrag aan kinderalimentatie zal worden verlaagd tot nihil, ingaande de datum van indiening van het verzoekschrift. Voorts verzoekt verzoeker om het gezag te wijzigen, in die zin dat de vader gezamenlijk met de moeder met het gezag over de minderjarigen wordt belast, om te het hoofdverblijf van de minderjarige [minderjarige 1] te wijzigen, in die zin dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige 1] voortaan bij de vader zal zijn en om de moeder te veroordelen tot het betalen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1].

3.2

Ter onderbouwing van het verzoek heeft de vader het volgende gesteld. Naast de omstandigheid dat de beschikking van 3 september 2019 nooit voldaan heeft aan de wettelijke maatstaven, is er inmiddels een wijziging van omstandigheden opgetreden, omdat de arbeidsovereenkomst van de vader per 30 januari 2020 is beƫindigd. Voor het geval het Gerecht de vader niet volgt in zijn verzoek tot nihil stelling van het alimentatiebedrag, merkt de vader op dat de te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de minderjarigen drastisch gematigd dient te worden omdat zijn draagkracht in ieder geval met de helft is verminderd, de behoefte van de minderjarigen veel lager is dan hetgeen de rechter in de beschikking van 3 september 2019 heeft aangenomen en de moeder kosten heeft opgevoerd die volstrekt afwezig zijn. Voor wat betreft de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] heeft de vader gesteld dat de [minderjarige 1] verzocht heeft om bij hem te komen wonen, nu er nogal wat onenigheden bestaan tussen de moeder en [minderjarige 1]. De vader kan [minderjarige 1] goed aan, zodat het in het belang van [minderjarige 1] is dat de hoofdverblijfplaats voortaan bij hem zal zijn.

4 DE BEOORDELING

Gezag

4.1

Het verzoek is gebaseerd op artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (hierna: BW). Artikel 1:253c lid 1 BW biedt de tot het gezag bevoegde vader, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de mogelijkheid om het gerecht te verzoeken om hem in plaats van de moeder met het gezag over het kind te belasten. Uit de jurisprudentie (vgl. HR 27 mei 2005, NJ 2005, 485) volgt dat dit artikel in overeenstemming met artikel 6 lid 1 EVRM aldus moet worden uitgelegd, dat de vader niet alleen om toekenning van eenhoofdig, maar ook van gezamenlijk gezag over het kind kan verzoeken, en dat art. 1:253e BW aldus moet worden uitgelegd dat, indien het verzoek van de vader ingevolge art. 1:253c lid 1 BW tot toekenning van gezamenlijk gezag over het kind wordt ingewilligd, dit tot gevolg heeft dat, indien de moeder het gezag tot dusverre alleen uitoefende, zij dit voortaan gezamenlijk met de vader uitoefent.

Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen indien de rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt (lid 2).

4.2

Voor het uitoefenen van het gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen en wel zodanig dat de kinderen niet klem of verloren raken tussen de ouders. De vraag die de rechter in dat kader onder meer dient te beantwoorden is of er een onaanvaardbaar risico voor het kind bestaat dat het klem of verloren zou raken tussen de ouders, indien zij het gezag gezamenlijk zouden uitoefenen.

4.3

Uit hetgeen ter zitting is besproken en gehoord de Voogdijraad, acht het gerecht beide ouders geschikt en in staat de minderjarigen naar behoren te verzorgen en op te voeden. Voorts worden de ouders in staat geacht om zodanig met elkaar te communiceren dat zij tot onderlinge afspraken kunnen komen over de situaties die zich rond de minderjarigen kunnen voordoen. Van partijen mag verwacht worden dat zij zich daarvoor zullen inzetten en het gerecht acht hen daartoe in staat. In het belang van de minderjarigen zal het gerecht daarom partijen gezamenlijk belasten met het gezag over de minderjarigen.

Hoofdverblijfplaats [minderjarige 1]

4.4

Ingevolge artikel 1:253a BWA kan de rechter in geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag, op verzoek van beide ouders of van een van hen, een zodanige beslissing nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij deze beoordeling dient de rechter alle omstandigheden van het geval en de belangen van alle betrokkenen in aanmerking te nemen en mee te wegen. Het belang van het kind is daarbij een eerste overweging.

4.5

Het gerecht overweegt als volgt. De minderjarige woont sinds zijn geboorte bij de moeder. Uit de stukken noch ter zitting is gebleken dat de belangen van de minderjarige bij de moeder worden verwaarloosd. Gelet hierop zal het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats bij de vader te bepalen, worden afgewezen.

Alimentatie

4.6

Het verzoek is gebaseerd op artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BWA). Ingevolge die bepaling kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud, bij latere uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen of indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

4.7

Het verzoek strekt tot wijziging van bovengenoemde beschikking van 3 september 2019 in die zin dat de bijdrage van de vader in de kosten van de minderjarigen wordt bepaald op nihil. Aan zijn verzoek heeft de man ten grondslag gelegd dat hij niet meer kan voldoen aan deze betalingsverplichting. Daartoe wordt aangevoerd -naar het gerecht begrijpt- dat hij thans onvoldoende draagkrachtig is om bij te dragen in de kosten van de minderjarigen, omdat zijn inkomen aanzienlijk is gedaald ten opzichte van het inkomen waarmee het gerecht in 2019 bij de vaststelling van de te betalen kinderalimentatie rekening heeft gehouden.

4.8

De moeder voert in haar verweerschrift - kort samengevat - aan dat de vader nog financieel in staat is om dit alimentatiebedrag te voldoen.

4.9

Ter beoordeling ligt voor de vraag of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 BWA die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.

4.10

De vader heeft naar het oordeel van het gerecht voldoende gesteld en aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling mogelijk maakt van de vastgestelde kinderalimentatie.

4.11

Bepalend voor de hoogte van de kinderalimentatie zijn de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen en de draagkracht van zowel de moeder als de vader. Teneinde ieders draagkracht te bepalen, dienen over en weer de netto-inkomens te worden vastgesteld, alsmede de vaste lasten die in redelijkheid voorrang krijgen boven het betalen van kinderalimentatie.

4.12

Het gerecht zal partijen in de gelegenheid stellen om op de hieronder te vermelden zitting een overzicht van de behoeften van de minderjarigen en een overzicht van hun inkomsten en uitgaven onderbouwd met de volgende stukken bij het gerecht in te dienen en aan de wederpartij te doen toekomen: bewijsstukken van de kosten van de minderjarige, bewijsstukken van de inkomsten (van een werknemer: de loonopgaven en/of uitkeringsspecificaties over de laatste zes maanden of van een zelfstandige: de laatste drie vastgestelde jaarrekeningen en over de tijd daarna de voorlopige cijfers, ook tussentijdse), bewijsstukken van de woonlasten, bewijsstukken van de eventuele schulden op opgave van de restantschulden en restantlooptijd, alsmede opgave wanneer en waarvoor de schuld is aangegaan, bewijsstukken van eventuele andere bijzondere kosten. De behandeling van het verzoek zal op een nader te bepalen datum worden voortgezet.

4.13

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht:

bepaalt dat de vader, [verzoeker], voortaan gezamenlijk met de moeder, [verweerster], het gezag over [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in Aruba, [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in Aruba en [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in Aruba, zal uitoefenen,

bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder,

verwijst de zaak naar de zitting van dinsdag, 13 oktober 2020 om 8.30 uur, voor het indienen van de in overweging 4.12 genoemde stukken,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gegeven door mr. J.M.J. Keltjens, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken ter zitting van dinsdag 15 september 2020 in aanwezigheid van de griffier.