Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:336

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
AUA201901172
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verdeling huwelijksgoederengemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2020-0159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 2 september 2020

Behorend bij AUA201901172

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[EISERES]

wonend in Nederland,

eiseres, hierna te noemen: de vrouw,

gemachtigde: de advocaat mr. R. Marchena,

tegen:

[GEDAAGDE],

wonend in Aruba,

gedaagde, hierna te noemen: de man,

gemachtigde: de advocaat mr. D.M. Canwood.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties;

- de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

- de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

- de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie;

- de conclusie van dupliek in reconventie met producties;

- de akte uitlating producties van de zijde van de man.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Partijen zijn op 3 juli 1981 in algehele goederengemeenschap gehuwd.

2.2

Bij beschikking van 21 november 2012, zaaknummer 428542, van de rechtbank ’s‑Gravenhage, is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op 10 mei 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s‑Gravenhage.

2.3

In een “verklaring van afschrijving” van het bevolkingsregister van Aruba van 1 oktober 2009 is als datum van afschrijving van de vrouw vermeld 1 oktober 2009, naar Nederland, plaats van bestemming ’s-Gravenhage.

2.4

Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorde de woning [adres] (hierna: de woning). In een “verklaring van inschrijving” van de dienst burgerlijke stand en bevolkingsregister van Aruba van 11 mei 2020 is vermeld dat de man sinds 19 juli 1991 onafgebroken in het bevolkingsregister is opgenomen, met als woonadres gedurende de periode 30 november 1998 tot 7 mei 2018 [adres]. De woning is inmiddels door partijen verkocht.

2.5

De vrouw heeft bij haar toenmalige werkgever in Aruba spaarpensioen opgebouwd. Dit is na haar uitdiensttreding in 2009 aan haar uitgekeerd.

2.6

De man heeft onder meer gedurende het huwelijk pensioen opgebouwd. De man krijgt sinds december 2018 pensioen met duurtetoeslag uitgekeerd van het Algemeen Pensioenfonds Aruba (APFA).

2.7

De vrouw heeft onder meer gedurende het huwelijk pensioen opgebouwd bij het Pensioenfonds Zorg en Welzijn in Nederland. De vrouw heeft de pensioengerechtigde leeftijd nog niet bereikt.

2.8

De ontbonden huwelijksgoederengemeenschap is nog niet verdeeld.

3 DE VORDERINGEN EN DE VERWEREN

In conventie

3.1

De vrouw vordert het Gerecht bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. de verdeling te bevelen van de huwelijksgoederengemeenschap;

b. de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen het haar toekomende deel van zijn pensioenuitkering met duurtetoeslag vanaf december 2018 tot de datum van dit vonnis;

c. te bepalen dat de man aan de vrouw zal betalen het haar toekomende deel van zijn pensioen met duurtetoeslag over de periode vanaf dit vonnis tot de aanvang van de periode vanaf wanneer APFA dat deel separaat aan de vrouw zal betalen;

d. de man te veroordelen om binnen een week na betekening van dit vonnis APFA opdracht te geven om zo spoedig mogelijk over te gaan tot het telkens bij de betaalbaarstelling van zijn pensioen met duurtetoeslag separaat overboeken van het aandeel van de vrouw daarin op een door de vrouw aan APFA te verstekken bankrekeningnummer;

e. te bepalen dat indien de man niet of niet behoorlijk aan de onder d. opgenomen veroordeling voldoet, hij een dwangsom verbeurt van Afl. 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft daaraan te voldoen, tot een maximum van Afl. 200.000,-;

f. de proceskosten aldus te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.2

Aan deze vordering legt de vrouw ten grondslag dat de verdeling van de gemeenschap tot op heden niet is bevolen en dat van de gemeenschap deel uitmaakt de door de man tot aan de ontbinding van het huwelijk opgebouwde rechten op oudersdoms- en weduwenpensioen, inclusief aanspraken op duurtetoeslag.

3.3

De man voert hiertegen verweer, dat hierna zo nodig aan de orde komt. De man doet tevens een beroep op verrekening met de helft van de kosten die hij ten behoeve van de woning heeft gedragen.

In reconventie

3.4

De man vordert het Gerecht te bevelen dat de vrouw inzage geeft in haar pensioenopbouw tot het einde van het huwelijk, en de verrekening van dit pensioen, inclusief de tijdens het huwelijk bij Fatum opgebouwde rechten.

3.5

Aan deze vordering legt de man ten grondslag dat de vrouw het door haar opgebouwde spaarpensioen voor haar vertrek naar Nederland uitgekeerd heeft gekregen, zonder hierover aan de man inzage te geven dan wel in zoverre tot een verdeling te komen.

3.6

De vrouw voert hiertegen verweer, dat hierna zo nodig aan de orde komt.

4 DE BEOORDELING

Conventie en reconventie

4.1

De vorderingen in conventie en reconventie hebben betrekking op de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap, zoals door de vrouw gevorderd. Ingevolge artikel 3:178, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan ieder der deelgenoten te allen tijde de verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen. Vast staat dat de huwelijksgoederengemeenschap nimmer is verdeeld, zodat de verdeling thans zal worden bevolen.

4.2

De peildatum van de omvang van een te verdelen gemeenschap is de datum van ontbinding van de gemeenschap, derhalve de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, in dit geval 10 mei 2013. Dit betekent dat inkomsten, aflossingen en stortingen gedaan vóór deze datum worden geacht te zijn ontvangen ten bate of te zijn gedaan ten laste van de gemeenschap. Bij het vaststellen van de peildatum voor de waarde van de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen geldt als hoofdregel de waarde ten tijde van de feitelijke verdeling. Dit is slechts anders indien partijen een andere datum zijn overeengekomen of als op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet gelden. Bij vaststelling van de verdeling door de rechter komt daarom als peildatum voor die waardering de datum van de uitspraak van de rechter het meest in aanmerking.

Conventie

4.3

De man heeft de stelling dat hij erop mocht vertrouwen dat de vrouw geen verdelingsvordering zou instellen dan wel daarbij geen aanspraak zou maken op zijn pensioenuitkering niet nader toegelicht, zodat deze, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, zal worden gepasseerd.

4.4

De man ontvangt een pensioenuitkering op basis van door hem onder meer gedurende het huwelijk opgebouwd pensioen bij het pensioenfonds APFA. Uitgangspunt is dat pensioenrechten als deze in de huwelijksgoederengemeenschap vallen en derhalve moeten worden verrekend. Ook de aanspraken die vóór de aanvang van het huwelijk zijn opgebouwd vallen in de huwelijksgoederengemeenschap en dienen in beginsel te worden verdeeld.

4.5

Voor de verrekening van pensioenrechten zoals hier aan de orde geldt de maatstaf van het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AG4271, NJ 1982/503, Boon/Van Loon). De hiervoor bedoelde maatstaf laat de rechter een grote mate van vrijheid bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre verrekening van pensioenrechten in een bepaald geval dient plaats te vinden. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen, gelet op de omstandigheden van het geval, meebrengen dat verrekening van pensioenrechten achterwege blijft (HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1402).

4.6

De man heeft verzocht de verrekeningsvordering te matigen. Daartoe heeft hij gesteld dat de vrouw reeds een spaarpensioen uitgekeerd heeft gekregen, dat hij gepensioneerd is en van zijn pensioenuitkering moet voorzien in het onderhoud van zijn huidige echtgenote en kinderen uit dat huwelijk, en dat de samenleving met de vrouw reeds in 2009 was beëindigd.

4.7

In de gestelde omstandigheden, ziet het Gerecht geen aanleiding voor het oordeel dat de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat in dit geval verrekening van de pensioenrechten achterwege moet blijven dan wel moet worden gematigd. De man heeft onvoldoende toegelicht dat en waarom hij redelijkerwijs niet tot enige uitkering in staat is. De enkele omstandigheid dat hij gepensioneerd is en in het onderhoud van zijn huidige echtgenote en zijn kinderen uit dat huwelijk moet voorzien, is daartoe onvoldoende. De man heeft niet gesteld dat en waarom het voor hem dan wel zijn huidige echtgenote niet mogelijk is om betaalde arbeid te verrichten dan wel op enige wijze inkomsten te genereren. Evenmin heeft hij inzage gegeven in de omvang van zijn pensioenuitkering. Voorts heeft de man niet gesteld dat hij reeds op andere wijze in de verzorging van de vrouw heeft voorzien. In dit verband weegt het Gerecht ook mee dat de vrouw onweersproken heeft gesteld nimmer aanspraak te hebben gemaakt op partneralimentatie. Ten slotte doen zich evenmin overige omstandigheden voor, die aanleiding geven het pensioen van de man gedeeltelijk buiten de verdeling te behouden. Niet is gesteld dat het huwelijk tussen partijen geen eerste huwelijk betrof. Verder zijn uit het huwelijk kinderen geboren, heeft het huwelijk geruime tijd geduurd, te weten van 1981 tot en met 2013, en bestaat tussen partijen geen groot leeftijdsverschil.

4.8

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door de man opgebouwde pensioenrechten tot aan de ontbinding van het huwelijk op 10 mei 2013 bij helfte verdeeld dienen te worden. De vrouw heeft een voorkeur te kennen gegeven voor de wijze van verdeling waarbij het haar toekomende deel van de pensioenuitkering inclusief duurtetoeslag van de man rechtstreeks aan haar wordt uitgekeerd door APFA. De man heeft zich niet uitgesproken tegen deze wijze van verdeling van het pensioen.

4.9

De man doet een beroep op verrekening van hetgeen hij vanwege de verdeling van het pensioen aan de vrouw verschuldigd is met de kosten ten behoeve van de woning die hij heeft gedragen, zoals de hypotheek, verzekeringen en onderhoudskosten. De vrouw betwist dat de man alle door hem gestelde kosten ten behoeve van de woning heeft gemaakt en voert daarbij aan dat de man sinds haar vertrek naar Nederland in 2009 tot 7 mei 2018 in de woning heeft gewoond, zodat de eigenaarslasten gedurende deze periode dan wel een deel daarvan voor rekening van de man dienen te blijven, dan wel dat hij een gebruiksvergoeding verschuldigd is ter hoogte van de maandlasten.

4.10

In dit geval heeft de vrouw de verdeling gevorderd van de pensioenrechten, die, zoals hiervoor onder 4.4 is overwogen, deel uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. De man kan in dat geval verlangen dat de voor rekening van die gemeenschap komende schulden in de verdeling worden begrepen (artikel 3:179, eerste lid, BW). De kosten die de man stelt te hebben voldaan, zijn evenwel geen schulden ten laste van de gemeenschap. De man heeft deze betalingen gedaan ten behoeve van de gemeenschap. De woning is inmiddels verkocht en maakt geen deel meer uit van de te verdelen gemeenschap. Ervan uitgaande dat tussen partijen niet in geschil is dat de man van 1 oktober 2009 tot 7 mei 2018 zonder de vrouw in de woning heeft gewoond en gedurende deze periode de eigenaarslasten voor de woning heeft gedragen, heeft de man ter zake enige regresvordering op de vrouw. Deze vordering is evenwel niet op eenvoudige wijze vast te stellen. Weliswaar erkent de vrouw verschuldigdheid van de helft van de door de man betaalde eigenaarslasten gedurende enige tijd na haar vertrek naar Nederland, maar voor het overige betwist zij deze vordering gemotiveerd. Onder deze omstandigheden komt aan de man geen beroep op verrekening toe (artikel 6:136 BW).

4.11

Gelet op het vorenoverwogene, komen de vorderingen voor toewijzing in aanmerking.

4.12

Nu partijen voormalig echtelieden zijn, zullen de kosten van de procedure tussen partijen worden gecompenseerd, aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Reconventie

4.13

Tussen partijen is niet in geschil dat bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de vrouw, de man aanspraak heeft op een deel van de door de vrouw opgebouwde pensioenrechten bij Pensioenfonds Zorg en Welzijn in Nederland en dat hij daarvan rechtstreeks betaling zal ontvangen. De vrouw heeft voorts onweersproken gesteld dat dat Pensioenfonds reeds bij gelegenheid van de ontbinding van het huwelijk de man ter zake heeft bericht, onder verstrekking van een overzicht van de pensioenopbouw. Gelet hierop, heeft de man geen belang bij de vordering in zoverre.

4.14

De man stelt voorts dat hij ook aanspraak heeft op het aan de vrouw uitgekeerde spaarpensioen, opgebouwd bij haar toenmalige werkgever in Aruba. Zoals hiervoor onder 2.5 is vermeld, staat tussen partijen vast dat het spaarpensioen dat de vrouw bij haar toenmalige werkgever in Aruba heeft opgebouwd, bij het beëindigen van het dienstverband aan haar is uitgekeerd. Tussen partijen is niet in geschil dat dit heeft plaatsgevonden gedurende het huwelijk van partijen. Ten tijde van de peildatum maakte dit pensioen dan ook geen deel uit van de huwelijksgoederengemeenschap.

De vrouw heeft voorts gesteld dat de uitgekeerde gelden gedurende het huwelijk zijn verbruikt ten behoeve van onder meer gemeenschappelijke reizen, zodat geen sprake kan zijn van verrekening in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Weliswaar heeft de man betwist dat de gelden mede ten behoeve van hem zijn verbruikt, maar hij heeft niet gesteld dat het uitgekeerde spaarpensioen ten tijde van de peildatum nog deel uitmaakte van het vermogen van de vrouw. Nu partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd, dienen alle vermogensbestanddelen in beginsel bij helfte te worden verdeeld. Gelet op de stellingen van de vrouw had het op de weg van de man gelegen om aan te tonen dat het uitgekeerde spaarpensioen ten tijde van de ontbinding van het huwelijk nog aanwezig was. Nu de man dit niet heeft gedaan en de vrouw heeft gesteld dat deze gelden staande het huwelijk zijn verbruikt ten behoeve van gemeenschappelijke doeleinden, gaat het Gerecht ervan uit dat de gelden door partijen zijn verbruikt zodat hierop niet hoeft te worden beslist.

4.15

De vordering wordt afgewezen.

4.16

Nu partijen voormalig echtelieden zijn, zullen de kosten van de procedure tussen partijen worden gecompenseerd, aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

5 DE BESLISSING

De rechter in dit Gerecht:

In conventie

5.1

veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen het aan haar toekomende deel van zijn pensioenuitkering met duurtetoeslag met ingang van december 2018 tot aan de datum van dit vonnis;

5.2

bepaalt dat de man aan de vrouw zal betalen het aan haar toekomende deel van zijn pensioenuitkering met duurtetoeslag met ingang van de datum van dit vonnis totdat APFA dat deel rechtstreeks aan de vrouw uitkeert;

5.3

veroordeelt de man om binnen een week na betekening van dit vonnis APFA opdracht te geven om zo spoedig mogelijk over te gaan tot het telkens bij betaalbaarstelling van zijn pensioenuitkering met duurtetoeslag het aan de vrouw toekomende deel rechtstreeks aan haar over te maken op een door haar aan APFA te verstrekken bankrekeningnummer;

5.4

bepaalt dat indien de man niet of niet behoorlijk aan de onder 5.3 opgenomen veroordeling voldoet, hij een dwangsom verbeurt van Afl. 100,- per dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft daaraan te voldoen, met een maximum van Afl. 200.000,-;

In reconventie

5.5

wijst de vordering af

In conventie en in reconventie

5.6

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

5.7

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 2 september 2020 in aanwezigheid van de griffier.