Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:334

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
AUA201904436
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

EJ. Beëindiging arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 25 augustus 2020

Behorend bij AUA201904436

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[Naam eiser],

te Aruba,

EISER,

hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

de vennootschap

VAERSSEN FACILITIES MANAGEMENT SERVICES ARUBA V.B.A. h.o.d.n. Avedis,

te Aruba,

GEDAAGDE,

hierna ook te noemen: Avedis,

gemachtigde: de advocaat mr. C. H. Lejuez.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift d.d. 19 december 2019;

- het verweerschrift d.d. 8 juni 2020;

- de mondelinge behandeling d.d. 23 juni 2020, waar partijen hun standpunten mondeling hebben toegelicht, [eiser] onder overlegging van een pleitnota.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Op 18 juni 2018 is [eiser] in dienst getreden van Avedis in de functie van sales manager. In die functie zou [eiser] beveiligingscontracten aan bedrijven gaan verkopen. [Eiser] was 64 jaar toen hij in dienst trad en was al met pensioen.

2.2

In de schriftelijke arbeidsovereenkomst (verzoekschrift, prod. 2) is onder meer het volgende opgenomen:

“Monthly gross salary: AWG 3,400.00 (may be split in different items).

(…)

Our targets for the first twelve month period is to add new annual revenues of AWG 3,000,000 with minimum gross margins of 35% so in achieving these targets estimated commissions of well over AWG 50,000 should be achievable. (…)”

2.3

In een e-mail van 1 juli 2019 van de heer [bestuurder van Avedis] (hierna: [bestuurder]) van Avedis aan [eiser] (verzoekschrift prod. 3) is onder meer het volgende geschreven:

“(…) Our company had invested, in salary alone, over AWG 60,000.

During this time I have spent a lot of time providing yo with information and guidance with regards to the RVS service line so that you would have the basic knowledge to understand what you are selling. (…)

In conclusion you have not been able to sign on any RVS-clients during this 13-month periode and therefore I have made the decision that the company can no longer afford keeping you on.

I would like to discuss a mutual ending of the working relationship as of today July 1, 2019.”

2.4

Op 3 juli 2019 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser] en [bestuurder] in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

2.5

Na de bijeenkomt heeft [eiser] nog diezelfde dag het volgende via Whatsapp aan [bestuurder] bericht (verweerschrift, prod. 5):

“First I want to thank you for the open meeting, I thought it came out positive, (…)”

2.6

Na de bijeenkomst is er door Avedis een concept-beëindigingsovereenkomst opgesteld, waarin onder meer het volgende is opgenomen (verweerschrift, prod. 4):

“(…) Parties hereby confirm that they have agreed to a mutual termination of the labor work relationship effective July 1, 2019. (…)

Employee is entitled to:

1 month notice AWG 3,000.00

1 week cessantia AWG 750.00 (…)”

2.7

Partijen zouden op 9 juli 2019 opnieuw bij elkaar komen in verband met de door Avedis gewenste beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Deze bijeenkomst is wegens een verhindering aan de zijde van [bestuurder] niet doorgegaan. Op 22 juli 2019 heeft [eiser] het volgende via Whatsapp aan [bestuurder] bericht:

“(…) I havent’t heard from you with rg to the mutual ending of our working relationship dated on 1.7.19

I would like to suggest the following.

As per labor law:

1 month notice.

1 week Cessantia.

Vacation days.

July salary.

(I started working on 18.6.18)

After that we need to sign an official termination agreement.”

2.8

Bij brief van 27 november 2019 (verzoekschrift, prod. 5) heeft de gemachtigde van [eiser] onder meer het volgende aan Avedis geschreven:

“(…) Op 31 juli 2019 heeft u cliënt medegedeeld om niet meer op het werk te verschijnen en cliënt heeft sindsdien ook geen salaris meer van u mogen ontvangen. Een beëindigingsovereenkomst is nimmer bereikt.

Omdat het dienstverband derhalve nog steeds bestaat, bent u gehouden om het salaris door te betalen. Het feit dat u ervoor heeft gekozen om cliënt niet op te roepen om zijn werkzaamheden te verrichten, komt voor uw rekening. (…)

Bij deze wordt u verzocht om uiterlijk 11 december 2019 aan mij mede te delen of u het salaris van client vanaf 31 juli 2019 normaal doorbetaalt, dan wel het ontslag intrekt, c.q. daarvan afziet, client weer te werk stelt en zijn loon met terugwerkende kracht betaalt inclusief rente. (…)”

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [

Eiser] verzoekt het gerecht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, om het verzoeker toe te staan om kosteloos te procederen en om:

a. a) voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst tussen verweerster en verzoeker nog steeds rechtsgeldig bestaat;

b) verweerster te bevelen om verzoeker binnen 5 dagen na betekening van deze uitspraak weer tewerk te stellen in zijn reguliere functie en werktijden, zulks op straffe van een dwangsom van Afl. 250,-- per dag dat verweerster nalaat aan dit bevel te voldoen;

c) verweerster te bevelen het loon van verzoeker vanaf 1 juli 2019 door te blijven betalen voor zolang het dienstverband rechtsgeldig voortduurt, zulks vermeerderd met de vertragingsrente ex artikel 1614q BW;

d) verweerster te bevelen het te weinig betaalde loon over de maanden juli 2018 tot en met juni 2019, zulks vermeerderd met de vertragingsrente ex artikel 1614q BW voor een totaalbedrag van Afl. 3.900,00 alsnog uit te betalen, onder aftrek van de 30 uur dat verweerster aan verzoeker heeft uitbetaald;

e) voor recht te verklaren dat verzoeker per 1 juli 2019 nog aanspraak heeft op 11.75 vakantiedagen;

f) verweerster te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2

Aan zijn vordering legt [eiser] het volgende ten grondslag. Partijen hebben naar aanleiding van de e-mail van Avedis d.d. 1 juli 2019 tijdens een bijeenkomst op 3 juli 2019 gesproken over een mogelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Tijdens die bijeenkomst hebben partijen geen overeenstemming bereikt over een beëindiging. Evenmin heeft Avedis op dat moment de arbeidsovereenkomst eenzijdig door opzegging beëindigd. Partijen zouden op 9 juli 2019 weer bij elkaar komen om op zoek te gaan naar een oplossing. Die bijeenkomst is van de zijde van Avedis afgezegd. Daarna is er door partijen niet meer over de beëindiging gesproken; een beëindigingsovereenkomst is nimmer bereikt.

In verband met zijn loonvordering over de maanden vanaf juli 2018 heeft [eiser] gesteld dat een salaris was overeengekomen van Afl. 3.400,00 per maand, terwijl er daadwerkelijk over de periode juli 2018 tot en met mei 2019 Afl. 3.200,00 is betaald en over de maand juni 2019 slechts Afl. 3.000,00.

Met betrekking tot de verklaring voor recht ter zake van de vakantiedagen heeft [eiser] gesteld dat hij nog recht had op 11 vakantiedagen, waarvan er in juli 2019 30 uren (3,75 dagen) zijn uitbetaald.

3.3

Avedis heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verweer gevoerd. Tijdens de bijeenkomst van partijen op 3 juli 2019 hebben zij overeenstemming bereikt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2019, alsmede over de aanvullende voorwaarden van die beëindiging. Avedis heeft dit vastgelegd in een concept-beëindigingsovereenkomst die partijen op 9 juli 2019 (om 11:30 uur) zouden ondertekenen. Omdat [bestuurder] onverwacht verhinderd was voor de geplande bijeenkomst op 9 juli 2019, is deze niet doorgegaan.

[Eiser] heeft na die bespreking op 3 juli 2019 zijn bureau leeg geruimd en is nadien niet meer op het werk verschenen. Hieruit volgt dat [eiser] had ingestemd met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2019. Avedis heeft altijd het volledige salaris uitbetaald. Conform de schriftelijke overeenkomst is het bedrag van Afl. 3.400,00 in verschillende onderdelen gesplitst. De niet genoten vakantiedagen zijn eveneens in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst uitbetaald.

4 DE BEOORDELING

Ten aanzien van de beëindiging van de overeenkomst

4.1

Tussen partijen staat vast dat zij op 3 juli 2019 een bijeenkomst hebben gehad, waarop de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is besproken. Het initiatief daarvoor ging uit van Avedis, die in verband daarmee in de e-mail van 1 juli 2020 aan [eiser] had laten weten tot een beëindiging met wederzijdse instemming per onmiddellijke ingang te willen komen. Aanleiding daarvoor was dat [eiser] volgens Avedis vanaf zijn indiensttreding als sales manager nog geen enkele opdracht had weten binnen te halen. Dit laatste is door [eiser] niet betwist, zodat het gerecht van de juistheid van die stelling uitgaat. Partijen hebben op 3 juli 2019 geen schriftelijke beëindigingsovereenkomst ondertekend. Dit sluit echter niet uit dat partijen, zoals van de zijde van Avedis is gesteld (en door [eiser] is betwist), mondeling overeenstemming hebben bereikt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst alsmede over de aanvullende voorwaarden waaronder tot beëindiging zou worden overgegaan. Hieromtrent overweegt het gerecht als volgt.

4.2

Tussen partijen staat vast dat [eiser] vanaf 3 juli 2019 niet meer heeft gewerkt. Weliswaar heeft [eiser] gesteld (pleitnota, 13) dat dit op instructie was van Avedis, maar niet is gesteld of gebleken dat [eiser] zich in juli jegens Avedis op het standpunt heeft gesteld dat er nog geen beëindiging van het dienstverband was en dat hij er om die reden niet mee instemde dat hij zijn werkzaamheden niet langer mocht uitoefenen. Als [eiser] op 3 juli 2020 met een beëindiging van zijn werkzaamheden niet had ingestemd, had mogen worden verwacht dat hij dit had laten blijken in zijn Whatsapp van 3 juli 2020 dan wel van 22 juli 2020. Uit de Whatsapp van 3 juli 2020, die direct na de bijeenkomst is verzonden, blijkt integendeel juist dat [eiser] tevreden was over de positieve uitkomst ervan. Dit positieve gevoel betrof kennelijk ook de directe beëindiging van zijn werkzaamheden. Ook in zijn Whatsapp van 22 juli 2020 spreekt [eiser] slechts over de beëindiging met wederzijds instemming per 1 juli 2020 (‘mutual ending of our working relationshop dated on 1.7.19’), zonder op enigerlei wijze het voorbehoud te maken dat hij het niet eens is met die beëindiging per 1 juli 2019 en de daarmee gepaard gaande beëindiging van de zijn werkzaamheden per 3 juli 2019. Nu [eiser] niet heeft verklaard waarom hij niet tegen de beëindiging van zijn werkzaamheden heeft geprotesteerd indien op dat moment nog geen overeenstemming was bereikt omtrent een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, is het gerecht van oordeel dat uit de houding en de mededelingen van [eiser] terstond na de bijeenkomst van 3 juli 2019 en in de weken daar direct opvolgend, volgt dat hij tijdens de bijeenkomst van 3 juli 2019 met die beëindiging heeft ingestemd. In dit oordeel betrekt het gerecht dat het tussen partijen vaststaat dat [eiser] gedurende zijn dienstverband van 12 maanden geen enkele order had binnengehaald en het ook voor hem kennelijk duidelijk was dat hij niet conform de verwachtingen functioneerde en er derhalve voor Avedis een redelijke grond was om te komen tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.3.1

Uit de Whatsapp-correspondentie en de houding van [eiser] volgt op zichzelf nog niet dat een beëindiging is overeengekomen onder de aanvullende voorwaarden met de inhoud, zoals thans van de zijde van Avedis gesteld. Naar het oordeel van het gerecht heeft [eiser] de stellingen van Avedis omtrent de overeengekomen voorwaarden van de beëindiging echter onvoldoende betwist. Daartoe geldt het volgende.

4.3.2

Aangenomen mag worden dat partijen naast het bereiken van overeenstemming omtrent de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, op dat moment ook afspraken hebben gemaakt over de aanvullende voorwaarden. Volgens Avedis was wat betreft de voorwaarden tussen partijen overeengekomen een beëindiging per 1 juli 2019, alsmede betaling van een maand opzegtermijn en van een week cessantia. Avedis heeft deze stelling onderbouwd door overlegging van de notulen van de bijeenkomst van 3 juli 2019 en van de concept-beëindigingsovereenkomst. Deze zijn echter geen van beiden door [eiser] ondertekend en hebben daarmee geen dwingende bewijskracht. Het voorstel van [eiser] in zijn Whatsapp d.d. 22 juli 2020 omtrent de inhoud van de nog op te stellen schriftelijke beëindigingsovereenkomst, stemt echter grotendeels overeen met hetgeen van de zijde van Avedis omtrent de aanvullende voorwaarden is gesteld. Ook [eiser] stelt immers voor dat in die overeenkomst wordt opgenomen dat hem 1 maand opzegtermijn en 1 week cessantia wordt betaald.

4.3.3

Daarnaast wenst [eiser] nog betaling van zijn salaris over de maand juli 2019. Het gerecht acht het aannemelijk dat dit een voorwaarde is die [eiser] achteraf aanvullend heeft gesteld nu er (door talmen van de zijde van Avedis) een paar weken na het bereiken van de overeenstemming nog steeds geen schriftelijke overeenkomst was opgesteld. Uit de aanhef van de Whatsapp blijkt immers dat [eiser] een ‘voorstel’ doet en zich dus niet op het standpunt stelt dat betaling van zijn salaris over maand juli tussen partijen was overeengekomen. Bovendien is, zonder toelichting (die [eiser] niet geeft), niet duidelijk waarom partijen begin juli naast een opzegtermijn van een maand afzonderlijk betaling van het salaris over de maand juli 2019 zouden zijn overeengekomen.

4.3.4

Het voorstel om ook de aanspraak op de niet opgenomen vakantiedagen in de vaststellingsovereenkomst op te nemen, is niet daadwerkelijk een aanvulling op hetgeen volgens Avedis op 3 juli 2019 reeds was overeengekomen. Avedis heeft immers op geen enkel moment betwist (ook niet in deze procedure) dat [eiser] in verband met de afwikkeling van de arbeidsovereenkomst en de betaling van het tot 1 juli 2019 nog verschuldigde loon ook recht had op uitbetaling van niet genoten vakantiedagen. Avedis is vrijwillig tot betaling van die dagen overgegaan. Dat partijen kennelijk geen overeenstemming hebben over het aantal niet genoten vakantiedagen en dat dat thans voorwerp van dispuut is, kan niet leiden tot het oordeel dat partijen op 3 juli 2019 nog geen overeenstemming hadden over de aanvullende voorwaarden voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.4

De slotsom van het vorenstaande is dan ook dat het verweer van Avedis, inhoudende dat partijen overeenstemming hadden over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van 3 juli 2020 en de aanvullende voorwaarden voor die beëindiging, slaagt. De vorderingen van [eiser] zoals weergegeven onder onder 3.1 onder a), b) en c) zullen hierna om die reden worden afgewezen.

Ten aanzien van de loonvordering

4.5

Tussen partijen staat vast dat een bruto-loon was overeengekomen van Afl. 3.400,00 per maand. Uit de arbeidsovereenkomst volgt dat dit bedrag kon worden gesplitst in verschillende onderdelen. Volgens Avedis is aan [eiser] altijd een maandelijks loon van Afl. 3.000,00 betaald, vermeerderd met Afl. 100,00 aan representatiekosten en Afl. 100,00 aan autokostenvergoeding. Dit was fiscaal voordeliger voor [eiser], zo stelt Avedis. Deze stelling van Avedis stemt overeen met de stellingen van [eiser] en ook met de loonstroken die [eiser] over de periode juli 2018 tot en met mei 2019 heeft overgelegd (verzoekschrift, prod. 7). Daarmee staat tussen partijen vast dat Avedis in de periode juli 2018 tot en met mei 2019 per maand aan salaris in totaal Afl. 3.200,00 bruto heeft betaald. Daaruit volgt dat Avedis in deze periode per maand een bedrag van Afl. 200,00 te weinig aan [eiser] heeft betaald, zoals door [eiser] is gesteld. Verder volgt uit de loonstrook van juni 2019 dat in deze maand Afl. 3.000,00 aan salaris aan [eiser] is betaalden derhalve Afl. 400,,00 te weinig. In totaal is daarmee Afl. 2.600,00 te weinig aan salaris betaald. Voor zover Avedis met haar stelling dat [eiser] hierover nooit heeft geklaagd, een beroep op rechtsverwerking heeft willen doen, wordt dat verweer verworpen. Het enkele stilzitten van [eiser] op dit punt leidt niet tot rechtsverwerking. Aanvullende feiten en omstandigheden die een beroep op rechtsverwerking zouden kunnen rechtvaardigen, zijn gesteld noch gebleken.

De vordering om Avedis te bevelen om het te weinig betaalde salaris alsnog te voldoen, zal hierna dan ook worden toegewezen.

4.6

In de omstandigheid dat [eiser] zelf nimmer te kennen heeft gegeven dat hem maandelijks Afl. 200,00 te weinig werd betaald, ziet het gerecht wel aanleiding om de vordering tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7A:1614q BW af te wijzen.

Ten aanzien van de niet uitbetaalde vakantiedagen

4.7 [

Eiser] heeft onweersproken gesteld dat hij recht had op 15 vakantiedagen per jaar (verzoekschrift, 13), waarvan hij er 4 heeft opgenomen, zodat er nog 11 niet genoten vakantiedagen resteerden (verzoekschrift, 15). Het gerecht neemt dit dan ook als vaststaand aan. Voorts staat tussen partijen vast dat Avedis in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst 30 uren (3,75 dagen) aan niet genoten vakantiedagen heeft vergoed. Derhalve heeft [eiser] op grond van hetgeen aldus door hem is gesteld, nog recht op vergoeding van 7,25 niet genoten vakantiedagen. In zoverre zal de gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen.

4.8

Ten overvloede overweegt het gerecht op dit punt nog als volgt. Uitgaande van de niet betwiste stelling van [eiser] dat hij een vierdaagse werkweek had (verzoekschrift, 13), bedroeg zijn bruto-inkomen Afl. 196,25 per dag. Ter zake van de niet genoten vakantiedagen heeft [eiser] dus nog recht op betaling van (Afl. 196,25 x 7,25 =) Afl. 1.422,81. Voorts is niet gesteld of gebleken dat Avedis aan [eiser] de maand opzegtermijn en de week cessantia heeft uitbetaald. Hieromtrent is ook geen vordering ingesteld (omdat [eiser] zich op het standpunt stelde dat er geen wilsovereenstemming was bereikt omtrent de beëindiging van de arbeidsovereenkomst), zodat het gerecht ook geen beslissing hoeft te nemen op dit punt. Uit voorgaande overwegingen volgt dat [eiser] wel aanspraak heeft op de betaling van deze posten.

4.9

Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zal het gerecht de proceskosten compenseren in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

5.1

verleent [eiser] toestemming om kosteloos te procederen;

5.2

veroordeelt Avedis tot betaling van het te weinig betaalde loon van Afl. 2.600,00 over de maanden juli 2018 tot en met juni 2019;

5.3

verklaart voor recht dat [eiser] nog recht heeft op vergoeding van 7,25 niet genoten vakantiedagen;

5.4

compenseert de kosten van de procedure in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

5.5

wijst af het meer of anders gevorderde;

5.6

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. J.J. Verhoeven, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 25 augustus 2020 in aanwezigheid van de griffier.