Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:324

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
AUA202001214
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eindvonnis. Geen koopovereenkomst tot stand gekomen. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6:221 lid 1 BW voor het aanvaarden van het aanbod was reeds verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 19 augustus 2020

Behorend bij K.G. AUA202001214

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

PUEBLO VIEJO INVESTMENT CORP N.V.,

gevestigd in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: PVIC,

gemachtigden: de advocaten mrs. A.A. Ruiz en C.P. Wever,

tegen:

HET LAND ARUBA,

zetelend in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: het Land,

gemachtigden: mr. Y.F.M. Kaarsbaan en A. Lumenier (beiden ambtenaar werkzaam bij DWJZ).

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure tot 29 juli 2020 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. Het verdere verloop blijkt uit de door PVIC genomen akte houdende uitlatingen.

1.2

Vonnis is vervolgens bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

Het Gerecht volhard bij zijn in het tussenvonnis neergelegde overwegingen en beslissingen.

2.2

Zoals reeds overwogen in het tussenvonnis is de in dit geschil voorlopig te beantwoorden vraag of er tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen krachtens welke het Land gehouden is de percelen in eigendom over te dragen aan PVIC. Dienaangaande wordt het volgende overwogen, waarbij wederom vooropgesteld heeft te gelden dat het Gerecht vooralsnog veronderstellenderwijs uitgaat van de juistheid van de (al dan niet impliciete) stelling van PVIC dat uit de in het tussenvonnis vermelde feitelijkheden onder 3.4.3 tot en met 3.4.5 volgt dat op 17 oktober 2016 sprake was van een rechtsgeldig aanbod zijdens het Land tot verkoop van de percelen aan PVIC (hierna: het aanbod).

2.3

Naar eigen zeggen van PVIC heeft zij het aanbod aanvaard op 23 mei 2018 door betaling gedurende die dag van de bij partijen genoegzaam bekende factuur. Dat is ruim negentien maanden nadat het Land het aanbod had gedaan aan PVIC. In het licht daarvan volgt het Gerecht het Land voorshands in zijn stelling dat op dat moment de redelijke termijn als bedoeld in het eerste lid van artikel 6:221 BW voor het aanvaarden van het aanbod reeds was verstreken, zodat het aanbod reeds van rechtswege was vervallen en niet langer kon worden aanvaard.

2.4

Bij de hiervoor geschetste stand van zaken valt in een bodemprocedure het oordeel te verwachten dat er op 23 mei 2018 geen koopovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen zoals gesteld door PVIC. Hierbij wordt nog overwogen dat het Gerecht voorshands geen grond ziet voor het oordeel dat het beroep van het Land op artikel 6:221 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoals verder gesteld door PVIC. Dit temeer omdat het op de weg van PVIC had gelegen om de factuur heel veel eerder dan eerst op 23 mei 2018 te betalen, waardoor wellicht wel sprake was van aanvaarding van een nog geldig aanbod. Vorenstaande brengt mee dat de thans door PVIC verzochte voorziening zal worden afgewezen.

2.5

Afweging van de belangen van partijen maakt vorenstaande niet anders, omdat het Gerecht geen zwaarwegender belangen ziet aan de zijde van PVIC bij toewijzing van het door haar verzochte ten opzichte van de belangen van het Land bij afwijzing daarvan. Partijen dienen ter zake van een mogelijke overdracht door het Land aan PVIC van bedoelde percelen opnieuw met elkaar in onderhandeling te treden.

2.6

PVIC zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van het Land, tot aan deze uitspraak begroot op nihil omdat het Land in deze procedure werd bijgestaan door twee in zijn dienst zijnde ambtenaren.

3 DE BESLISSING

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

-wijst af het door PVIC verzochte;

-veroordeelt PVIC in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van het Land, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 19 augustus 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.