Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:306

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
08-07-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
AUA201802748
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Verdeling gemeenschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 8 juli 2020

Behorend bij AUA201802748

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[EISER],

wonende in Aruba,

eiser in conventie, gedaagde in reconventie,

hierna ook te noemen: [Eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. R.J. Kock,

tegen:

[GEDAAGDE],

wonende te Aruba,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna ook te noemen: [Gedaagde],

gemachtigde: mr. J.A.R. Bryson.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure tot en met 30 januari 2019 blijkt uit het tussenvonnis van die datum, waarin een comparitie van partijen is gelast. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen d.d. 14 februari 2019;

- de akte na comparitie d.d. 21 augustus 2019 van [eiser] met producties;

- de akte na comparitie d.d. 21 augustus 2019 van [gedaagde] met producties;

- de akte uitlating producties d.d. 18 september 2019 van [eiser];

- de antwoordakte in conventie en in reconventie d.d. 18 september 2019 van [gedaagde].

1.2

Vonnis is vervolgens nader bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1 [

Gedaagde] en [eiser] zijn op 10 april 1973 in Aruba in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Bij beschikking van 16 januari 2017 van dit gerecht is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is op 23 mei 2017 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand (Censo).

2.2

Tussen partijen staat vast dat tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap op 23 mei 2017 in ieder geval behoorden:

- Registergoederen

- de voormalige echtelijke woning [adres 1] te Aruba;

- de woning [adres 2] te Aruba;

- 1/8 aandeel in de woning [adres 3] te Aruba;

- de woning [adres 4] te Sint Maarten;

- Bankrekeningen

- een rekening bij de Arubabank te Aruba;

- een rekening bij de Banco di Caribe te Aruba;

- een rekening bij de RBC te Sint Maarten;

- Overige rechten

De pensioenrechten van [eiser] uit hoofde van een opgebouwd pensioen bij Apfa.

2.3

Tot de vruchten van de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorden:

- de huuropbrengsten van de woning [adres 4] te Sint Maarten;

- de huuropbrengsten van de woning [adres 2] te Aruba.

2.4

Bij vonnis in kort geding van 2 mei 2018 van dit gerecht is bepaald dat het aan [gedaagde] toekomende deel ad Afl. 1.839,00 per maand in het pensioen van [eiser] vanaf 6 april 2018 rechtstreeks aan [gedaagde] zal worden uitbetaald. Ten tijde van de comparitie had [eiser] een achterstand ter zake van aan [gedaagde] verschuldigde pensioengelden van Afl. 18.394,50.

2.5

Na de echtscheiding is [eiser] in de voormalige echtelijke woning aan de [adres 1] te Aruba blijven wonen. Bij beschikking van 18 februari 2019 van dit gerecht is [eiser] veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van een gebruiksvergoeding ter zake van het gebruik van de echtelijke woning van Afl. 433,00 per maand.

2.6

Na de comparitie van partijen in deze procedure op 14 februari 2019 hebben partijen op 12 maart 2019 een vaststellingsovereenkomst gesloten ten aanzien van de verdeling van een (groot) deel van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap (prod. V bij akte na comparitie van [eiser] en productie 10 bij akte uitlating van [gedaagde]). Zij hebben in ieder geval overeenstemming bereikt omtrent de verdeling van:

- de woning [adres 1] te Aruba;

- de woning [adres 2] te Aruba;

- het aandeel in de woning [adres 3] te Aruba;

- de woning [adres 4] te Sint Maarten.

2.7

Voorts hebben partijen overeenstemming bereikt omtrent de betaling door [eiser] aan [gedaagde] van de achterstallige pensioengelden en de door [eiser] verschuldigde gebruiksvergoeding voor de voormalige echtelijke woning.

2.8

In artikel 11 van de vaststellingsovereenkomst is het volgende bepaald:

“[Eiser] heeft tevens verklaard dat hij met zijn aandeel uit de opbrengst van de verkoop van zijn perceel in Sint Maarten, zijnde USD$ 85,000.- zoals volgt aan te wenden:

- Partijen verklaren dat voor de uitvoering van deze overeenkomst de koers van USD$ wordt bepaald op 1.77.

- Afl. 130.000,-, wordt direct aan [gedaagde] betaald, om haar uit te kopen uit het perceel [adres 1].

- Afl. 18.394,50, althans de tegenwaarde hiervan wordt aangewend om de achterstand in de pensioengelden te betalen.

- Het restant zijnde Afl. 2.055,50 wordt aangewend om een gedeelte van de

opgebouwde achterstand ten aanzien van de gebruiksvergoeding aan te zuiveren.

Pro resto zal ondergetekende na betaling nog een bedrag van Afl. 7.470,50 aan

gebruiksvergoeding verschuldigd [zijn] aan ondergetekende sub 1 tot en met maart

2019. (…)”

2.9

In artikel 14 van de vaststellingsovereenkomst is het volgende bepaald:

“Behalve de genoemde achterstand voor wat betreft de gebruiksvergoeding moeten partijen nog de navolgende bestanddelen delen, welke verdeling nader moet worden bepaald:

- Banksaldi op Aruba en Sint Maarten.

- Huurpenningen en gemaakte kosten en betaalde belastingen ter zake van huis te

[adres 2] over de periode vanaf 29 mei 2017 tot de datum van deze Overeenkomst,

- Huurpenningen en gemaakte kosten inclusief betaalde belastingen ter zake van het huis te St. Maarten over de periode van 29 mei 2017 tot de datum van levering van het huis aan de koper, te weten op de dag van het passeren van de leveringsakte bij de notaris.”

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

Partijen hebben in het inleidend verzoekschrift respectievelijk in de conclusie van eis in reconventie ieder het gerecht verzocht om conform zijn/haar voorstel de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen. Het gerecht begrijpt dat partijen thans nog slechts een beslissing wensen omtrent de verdeling van de boedelbestanddelen waaromtrent zij in de vaststellingsovereenkomst nog geen overeenstemming hebben bereikt. Het gerecht zal dienovereenkomstig beslissen.

4 DE BEOORDELING

De saldi van de bankrekeningen

4.1

Uitgangspunt is dat voor de verdeling van de banksaldi moet worden uitgegaan van de saldi per 23 mei 2017.

Onder verwijzing naar opgave van de Banco di Caribe en de Arubabank (akte uitlating, prod. 14 en prod. 15) heeft [gedaagde] gesteld dat die saldi Afl. 3.026,54 respectievelijk Afl. 3.890,14 bedroegen. [Eiser] heeft deze bedragen (impliciet) erkend (akte uitlating producties, 4). Het gerecht zal met betrekking tot de verdeling van deze bedragen uitgaan.

Uit de overgelegde producties volgt dat de bankrekeningen bij beide banken op naam van [eiser] staan. Het gerecht gaat er daarom vanuit dat [eiser] feitelijk de beschikking over de saldi op 23 mei 2017 heeft gehad, zodat het gerecht in verband met de verdeling zal bepalen dat [eiser] de helft van die saldi aan [gedaagde] zal moeten uitkeren. Dit komt overeen met Afl. 3.458,34 ([Afl. 3.026,54 + Afl. 3.890,14] : 2)

4.2 [

Eiser] heeft met betrekking tot de bankrekening bij de RBC te Sint Maarten geen opgave gedaan omtrent het saldo op 23 mei 2017. De gemachtigde van [gedaagde] heeft bij brief en e-mail van 20 februari 2019 om opgave van dat saldo gevraagd. [Gedaagde] zal zich bij akte mogen uitlaten over de vraag of zij inmiddels informatie van de RBC omtrent het saldo heeft verkregen.

Huurpenningen en gemaakte kosten [adres 2]

4.3

Volgens [eiser] betaalt de huurder een huurprijs van Afl. 400,00 per maand en moet deze opbrengst worden verdeeld ten aanzien van een periode van 26 maanden, te weten over de periode 23 mei 2017 tot aan (naar het gerecht begrijpt) de datum van verdeling. Het gerecht begrijpt uit de antwoordakte van [gedaagde] (vide nr. 6 en nr. 12 van die akte) dat zij de opbrengst van Afl. 400,00 per maand erkent en als uitgangspunt voor de verdeling van de vruchten aanvaardt. [Gedaagde] stelt dat niet over een periode van 26 maanden, maar over een periode van 27 maanden moet worden verdeeld.

4.4

Naar het oordeel van het gerecht moeten de vruchten die zijn genoten tot aan de datum van de verdeling van de woning tussen partijen worden verdeeld. Geen van de partijen heeft gesteld op welke datum de verdeling van de woning [adres 2] is geeffectueerd. Het is het gerecht ook niet gebleken uit de door hen overgelegde producties. Het gerecht zal partijen niet meer in de gelegenheid stellen om zich hierover uit te laten. Uit praktisch oogpunt zal het, gezien de partijstandpunten in deze, de periode waarover de vruchten moeten worden verdeeld bepalen op 26,5 maand.

4.5

Daarmee begroot het gerecht de huuropbrengst op Afl. 10.600,00. Tussen partijen staat vast dat [eiser] de huurpenningen heeft geïnd, zodat [gedaagde] recht heeft op betaling door [eiser] van een bedrag van Afl. 5.300,00 uit hoofde van deze post.

4.6

Partijen hebben niets gesteld omtrent gemaakte kosten ten aanzien van de woning [adres 2], zodat het gerecht hieromtrent niets hoeft te beslissen.

Huurpenningen en gemaakte kosten perceel [adres 4] te Sint Maarten

4.7

Partijen zijn het erover eens dat de huuropbrengst van de woning te Sint Maarten US$ 700,00 per maand heeft bedragen. Ook hier verschillen zij van mening over de vraag of de huur over een periode van 26 dan wel van 27 maanden moet worden verdeeld. Onder verwijzing naar hetgeen het gerecht hiervoor in nummer 4.4 heeft overwogen, zal het gerecht bepalen dat de huur moet worden verdeeld over een periode van 26,5 maand. Dat komt overeen met een bedrag van US$ 18.550,00 welke door [eiser] over deze periode is geind, zodat aan [gedaagde] toekomt US$ 9.275,00.

4.8 [

Eiser] heeft gesteld dat de woning te Sint Maarten door de orkaan Irma ernstige schade heeft opgelopen die is gerepareerd. Op grond van de vaststellingsovereenkomst dienen de herstelkosten tussen partijen te worden verdeeld. Die kosten hebben, aldus [eiser], US$ 38.038,50 bedragen. Ter onderbouwing van zijn stellingen op dit punt heeft [eiser] verwezen naar de offerte, die volgens hem ook is betaald.

4.9 [

Gedaagde] heeft betwist dat de aldus gestelde bedragen ook daadwerkelijk zijn betaald. De offerte is, aldus [gedaagde] geen bewijs van betaling. Er is geen bewijs van een bankoverschrijving of een kwitantie als bewijs van een contante betaling overgelegd.

4.10

Het gerecht zal [eiser] in de gelegenheid stellen om zich bij akte uit te laten over de vraag aan wie de gestelde kosten van reparatie zijn betaald, op welke wijze deze zijn betaald en op welke wijze daarvan bewijs kan worden geleverd. Indien [eiser] schriftelijk bewijs heeft van de betaling van de kosten (bankafschrift of kwitantie) dan dienst hij dat bewijs bij die akte te overleggen.

Achterstallig pensioenaandeel

4.11 [

Gedaagde] stelt dat [eiser] nog een bedrag van Afl. 7.919,50 moet betalen aan achterstallig pensioenaandeel (akte uitlating, 12). Dit bedrag resteert volgens haar na uitbetaling door [eiser] van zijn aandeel in de verkoopopbrengst van het perceel te Sint Maarten aan [gedaagde] en nadat daarop in mindering is gebracht (i) het door [eiser] te betalen aandeel in de woning aan de [adres 1] en (ii) de achterstallige gebruiksvergoeding.

4.12

Hieromtrent overweegt het gerecht dat partijen in artikel 11 van de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen dat [eiser] nog een schuld heeft aan [gedaagde] van Afl. 7.470,50, na betaling door [eiser] van zijn aandeel in de woning van Sint Maarten en nadat daarop in mindering is gebracht (i) het door [eiser] te betalen aandeel in de woning aan de [adres 1] en (ii) de achterstallige pensioenbetalingen.

4.13

Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dus dat de achterstallige pensioenbetalingen geheel zijn voldaan uit de opbrengst van de verkoop van de woning in Sint Maarten. Het gerecht zal hetgeen partijen verder op dit punt hebben gesteld dan ook onbesproken laten en zal het op dit punt gevorderde afwijzen.

Overige spaarfondsen

4.14 [

Gedaagde] heeft gesteld dat [eiser] per 29 mei 2017 een spaartegoed had opgebouwd bij de Douane Coöperatief AUA van Afl. 6.100,00. Zij stelt dat dit bedrag in de verdeling moet worden betrokken.

[Eiser] heeft dit saldo op zich niet betwist. Hij stelt dat dit bedrag primair niet in de verdeling behoort te worden betrokken, omdat partijen in de vaststellingsovereenkomst tegen finale kwijting een verdeling zijn overeengekomen. Subsidiair heeft hij gesteld dat dit een bruto-bedrag betreft waarover Afl. 2.672,00 aan loonbelasting en Afl. 1.759,29 aan premies is betaald.

4.15

Het gerecht oordeelt als volgt. In de procedure was dit vermogensbestanddeel tot en met de comparitie geen voorwerp van debat. Er zijn in de vaststellingsovereenkomst ook geen afspraken over gemaakt. Het gerecht gaat er daarom vanuit dat dit vermogensbestanddeel niet is betrokken in de verdeling. Dat betekent dat er ten aanzien van dit vermogensbestanddeel nog steeds een onverdeelde gemeenschap tussen partijen bestaat. Dat partijen elkaar in de vaststellingsovereenkomst finale kwijting hebben verleend, brengt niet mee dat [gedaagde] stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar aandeel in dit boedelbestanddeel. Dit zal daarom alsnog moeten worden verdeeld.

4.16 [

Eiser] heeft gesteld dat over dit spaarsaldo belastingen en premies zijn geheven. Het gerecht zal [eiser] in de gelegenheid stellen om die stellingen nader te onderbouwen en om hiervan bij akte bewijzen in het geding te brengen.

4.17 [

Gedaagde] heeft in haar antwoordakte onder 11 gesteld dat zij onlangs heeft vernomen dat [eiser] bij lokale verzekeraars nog tegoeden heeft uit hoofde van spaarregelingen en dat zij doende was hieromtrent gegevens op te vragen. [Gedaagde] zal haar stellingen op dit punt nader mogen onderbouwen, in het bijzonder door het overleggen van schriftelijke stukken indien zij deze inmiddels van verzekeraars heeft ontvangen.

Slotsom

4.18 [

Eiser] zal aan [gedaagde] in ieder geval nog moeten vergoeden:

uit hoofde van de bankrekeningen: Afl. 3.458,00;

uit hoofde van de huurinkomsten [adres 2]: Afl. 5.300,00;

uit hoofde van de huurinkomsten [adres 4]: $ 9.275,00.

Deze bedragen zullen bij eindvonnis worden toegewezen.

4.19

Het gerecht zal de zaak verwijzen naar de rolzitting van 16 september 2020 voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiser] om zich uit te laten over en producties te overleggen omtrent hetgeen is overwogen in de nummers 4.10 en 4.16 en voor het nemen van een akte aan de zijde van [gedaagde] om zich uit te laten over en producties te overleggen omtrent hetgeen is overwogen in nummers 4.2 en 4.17. Vervolgens zullen beide partijen nog een antwoordakte mogen nemen.

4.20

Alle overige beslissingen worden aangehouden.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

5.1

verwijst de zaak naar de rolzitting van 16 september 2020 voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiser] om zich uit te laten over en producties te overleggen omtrent hetgeen is overwogen in de nummers 4.10 en 4.16 en voor het nemen van een akte aan de zijde van [gedaagde] om zich uit te laten over en producties te overleggen omtrent hetgeen is overwogen in nummers 4.2 en 4.17;

5.2

houdt alle overige beslissingen aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 8 juli 2020 in aanwezigheid van de griffier.