Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:275

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
13-07-2020
Zaaknummer
244 van 2020
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtmatigheid van de overtredingen betreffende ‘Toque de Queda’. Overtreding van de avondklok (‘Toque de Queda’). De verdachte heeft het urgente belang van de volksgezondheid van Aruba, dat vanwege de uitbraak van Covid-19 in het geding was, geschonden. Op dat moment was een ramp in Aruba gaande, namelijk de verspreiding van Covid-19. Door zich niet te houden aan de noodzakelijke regels ter voorkoming van de verspreiding van Covid-19 heeft de verdachte de algemene volksgezondheid van Aruba in gevaar gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: P-2020/03235

Zaaknummer: 244 van 2020

Uitspraak: 30 juni 2020 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] in [geboorteland],

wonende in [woonplaats], adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2020. De verdachte is, zonder bijstand van een advocaat, ter terechtzitting verschenen.

De officier van justitie, mr. P.A.J. van der Biezen, heeft vrijspraak gevorderd van hetgeen de verdachte onder feit 1 (hennep) is ten laste gelegd.

De officier van justitie heeft voorts ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder feit 2 (avondklok in verband met Covid-19) ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van veertig (40) uren, subsidiair twintig (20) dagen vervangende hechtenis.

De verdachte heeft het woord tot verdediging gevoerd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd (dat):

1- dat verdachte op 23 maart 2020 in Aruba opzettelijk hennep, althans enige gebruikelijke bereiding waaraan de hard die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt, als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Landsverordening verdovende middelen of in de Regeling aanwijzing verdovende middelen I, in bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend;

(artikel 4 Landsverordening Verdovende Middelen)

2- hij op 23 maart 2020 omstreeks 21:20 uur op of nabij het voetbalveld te Bushiri te Aruba zich buiten zijn woning en/of verblijfsgelegenheid begaf en/of bevond;

(artikel 5 van de Algemene Regeling Bestrijding COVID-19 [2020 no. 38] jo artikel 16 Calamiteitenverordening jo artikel 19 Calamiteitenverordening)

Formele voorvragen

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 30 juni 2020 ambtshalve de vraag aan de orde gesteld of de door de regering van Aruba ingestelde avondklok (‘Toque de Queda’) als gevolg van Covid-19 (ook wel bekend als: coronavirus), zoals vervat in de ministeriële regelingen, rechtmatig is.

Het Gerecht beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt dienaangaande als volgt.

Artikel I.8 van de Staatsregeling van Aruba luidt, voor zover van belang, als volgt:

‘Een ieder die zich rechtmatig op het grondgebied van Aruba bevindt, heeft het recht zich daar vrijelijk te bewegen, te verblijven en zijn woonstede te kiezen, behoudens bij of krachtens landsverordening te stellen beperkingen.’

In bovengenoemd artikel is bepaald dat (enig) beperking van het grondrecht van bewegingsvrijheid slechts met het competentievoorschrift van “bij of krachtens landsverordening” kan worden beperkt. De Memorie van Toelichting1 bij de Staatsregeling houdt ten aanzien van de competentievoorschriften onder meer in:

‘Competentievoorschriften wijzen de overheidsorganen aan die bevoegd zijn de beperkingen vast te stellen, terwijl procedurevoorschriften de uitoefening van die bevoegdheid aan bepaalde voorschriften bindt. Competentievoorschriften zijn onder meer, de volgende clausules; "behoudens bij of krachtens de landsverordening te stellen bepalingen", "bij of krachtens landsverordening te stellen regels", "behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens landsverordening”.’

Op grond van artikel 10 lid 1 van de Calamiteitenverordening (AB 1989 no. 51) kunnen buitengewone bevoegdheden bij calamiteiten slechts worden uitgeoefend nadat het feit van aanwezigheid van een ramp of het bestaan van ernstige vrees daarvoor bij landsbesluit is vastgesteld en is bekendgemaakt. Ingevolge lid 2 dient het in het eerste lid bedoelde landsbesluit de aard van de calamiteit te vermelden. Bij bekendgemaakt landsbesluit van 13 maart 20202 is vastgesteld dat er sprake is van een acute dreiging van een epidemie (thans pandemie) van een infectieziekte genaamd COVID 19/SARS-CoV-2 (hierna: Covid-19), dat door de dreiging van Covid-19 er sprake is van een gebeurtenis die tot een zodanige verstoring van de algemene veiligheid leidt, dat het leven en de gezondheid van vele burgers in ernstige mate wordt bedreigd en dat gezien de internationale ontwikkelingen rondom dit virus, de gevolgen voor de volksgezondheid en de mogelijke economische impact daarvan, het noodzakelijk is om de in de Calamiteitenverordening genoemde buitengewone bevoegdheden uit te oefenen. Covid-19 is derhalve bij dit landsbesluit als een feit van aanwezigheid van een ramp of het bestaan van ernstige vrees daarvoor vastgesteld, zoals vermeld in artikel 10 van de Calamiteitenverordening. Hiermee is voldaan aan de wettelijke vereisten, zoals vermeld in leden 1 en 2 van voormeld artikel.

Ter uitvoering van artikel 16, eerste lid, van de Calamiteitenverordening heeft de minister voor een periode van ten hoogste 72 uur regels gesteld ter voorkoming van gevaar voor personen, in casu het urgente belang van de volksgezondheid bij de beheersing en voorkoming van verdere verspreiding van de infectieziekte COVID 19. Deze regels zijn telkens middels ministeriële regelingen, - kort gezegd - aangeduid als ‘Algemene regeling COVID19’, vastgesteld. Op grond van deze ministeriële regelingen is onder andere de ‘Toque de Queda’ ingevoerd.

Het Gerecht concludeert dat een overtreding van de ‘Toque de Queda’ strafbaar is uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling, te weten artikel 19 van de Calamiteitenverordening. Hiermee is dientengevolge aan het legaliteitsbeginsel (artikel I.6 lid 1 van de Staatsregeling van Aruba) ook voldaan.

Het Gerecht is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat de overtredingen betreffende ‘Toque de Queda’ rechtmatig zijn vastgesteld nu deze regelingen binnen het wettelijke kader en de wettelijke terminologie zijn vastgesteld.

Het Gerecht verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak van feit 1

Het Gerecht is, overeenkomstig de standpunten van de officier van de justitie en de verdachte, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde (hennep), zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2- hij op 23 maart 2020 omstreeks 21:20 uur op of nabij het voetbalveld te Bushiri te Aruba zich buiten zijn woning en/of verblijfsgelegenheid begaf en/of bevond.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door het Gerecht gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling zal vervolgens aan het vonnis worden gehecht.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 5 van de Algemene Regeling Bestrijding COVID19 I3,

strafbaar gesteld bij artikel 19 van de Calamiteitenverordening.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straffen wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte is te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan – kort gezegd – overtreding van de avondklok. Door aldus te handelen heeft hij het urgente belang van de volksgezondheid van Aruba, dat vanwege de uitbraak van Covid-19 in het geding was, geschonden. Op dat moment was een ramp in Aruba gaande, namelijk de verspreiding van Covid-19. Door zich niet te houden aan de noodzakelijke regels ter voorkoming van de verspreiding van Covid-19 heeft de verdachte de algemene volksgezondheid van Aruba in gevaar gebracht. Dit wordt hem kwalijk genomen.

Het Gerecht houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is, zo blijkt uit zijn uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 4 juni 2020, niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk overtreding.

Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat na te noemen taakstraf, zoals door de officier van justitie is gevorderd, passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:11, 1:45, 1:46 en 1:224 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S. Verheijen, bijgestaan door mw. M.E. Kelly, (zittingsgriffier), en op 30 juni 2020 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Aruba.

Onherroepelijk op 30 juni 2020 wegens afstand van hoger beroep door de veroordeelde en de officier van justitie.

1 Memorie van Toelichting bij de Staatsregeling van Aruba, behorende bij de Eilandsverordening van 9 augustus 1985 (AB 1985, 26).

2 Landsbesluit van 13 maart 2020 no. 1 (pagina’s 8 en 9 in de Landscourant van Aruba, editie no. 7).

3 Ministeriële Regeling van 20 maart 2020 ter uitvoering van artikel 16, eerste lid, van de Calamiteitenverordening (AB 1989 no. 51)