Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:250

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
17-06-2020
Zaaknummer
AUA201900828
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

EJ. Arbeid. Onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen die de conclusie rechtvaardigen dat schade is geleden in de uitoefening van de werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0532
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Behorend bij A.R. / E.J. AUA201900828

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de zaak van:

[verzoekster],

te Aruba,

verzoekster,

hierna ook te noemen: [verzoekster],

gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd,

tegen

de naamloze vennootschap

PANADERIA MODERNA & HORECA N.V.,

gevestigd in Aruba,

verweerster,

hierna ook te noemen: Panaderia,

gemachtigde: de advocaat mr. M.D. Tromp.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van deze ambtshalve van de A.R.-rol naar de E.J.-rol verwezen procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met producties;

- het verweerschrift, met producties;

- de pleitaantekeningen van partijen;

- de mondelinge behandeling van de zaak op 3 december 2019.

1.2 [

verzoekster] is ter zitting verschenen samen met mr. D.L. Emerencia, die occupeerde voor mr. G. de Hoogd. Namens Panaderia waren aanwezig mr. M.D. Tromp en de heer [naam directeur] (directeur van Panaderia). Partijen hebben in twee termijnen het woord gevoerd - mede aan de hand van overgelegde en voorgedragen pleitnota’s - en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

De datum van beschikking is nader bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.

2.2 [

verzoekster] is in het jaar 2015 in loondienst getreden van Panaderia, in de functie van helper c.q. broodinpakster.

2.3 [

verzoekster] is op 15 augustus 2016 arbeidsongeschikt verklaard door de Sociale Verzekeringsbank (de SVb).

2.4

Bij brief van 5 juli 2018 heeft [verzoekster] Panaderia aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden schade als gevolg van een beroepsziekte. De brieft luidt als volgt.

“Zoals u bekend heeft cliënte tijdens werkzaamheden (kneden van deeg) een traumatische TVS opgelopen aan dig 4 van de linkerhand. Dat het TVS een gevolg is van de werkzaamheden bij u wordt bevestigd door zowel de behandelende specialisten, alsmede de huisarts.

U heeft echter steeds aangegeven dat u de medische problemen van cliënte niet als een bedrijfsongeval ziet en niet gerelateerd aan haar werkzaamheden en geweigerd de daarvoor benodigde formulieren in te vullen, waardoor cliënte sinds haar arbeidsongeschiktheid van 5 juli 2017, geen 100% arbeidsongeschiktheidsuitkering krijgt.

U heeft voorts niet meegewerkt aan de verlenging van de werkvergunning van cliënte daar deze haar werkzaamheden niet meer zou kunnen verrichten en u geen andere werkzaamheden voor haar heeft.

Op dit moment heeft u een ontslagvergunning voor cliënte aangevraagd bij de directie arbeid. Op grond van het feit dat cliënte niet meer over een werkvergunning beschikt om bij u werkzaam te zijn zal deze worden toegewezen.

Voorgaande neemt echter uw verantwoordelijkheid voor de geleden en nog te lijden schade van cliënte, die direct gerelateerd is aan haar werkzaamheden, niet weg.

Alvorens nadere rechtsmaatregelen te nemen wenst cliënte u nog eenmaal in de gelegenheid te stellen deze kwestie in der minne te schikken.

Hierbij verzoek, voor zo ver rechtens vereist sommeer ik u om mij uiterlijk 14 juli 2018, schriftelijke te berichten dat u de aansprakelijkheid voor de geleden en nog te lijden schade van cliënte uitdrukkelijk erkent en SVB informeert dat het hier een bedrijfsongeval betrof zodat cliënte de 20% aanvulling op haar arbeidsongeschiktheid uitkering als nog verkrijgt en voorts na haar ontslag in aanmerking komt voor een ongevallenuitkering. Bij gebreke waarvan cliënte u zonder verder uitstel in rechte zal betrekken.”

2.5

Panaderia heeft aan de sommatie zoals weergegeven in bovengenoemde brief geen gehoor gegeven.

2.6 [

verzoekster] was op 14 augustus 2018 twee jaar arbeidsongeschikt voor dezelfde gezondheidsklacht en ontvangt vanaf die datum op grond van de wet geen arbeidsongeschiktheidsuitkering meer.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [

verzoekster] verzoekt het Gerecht om - zo het begrijpt - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:

- voor recht te verklaren dat Panaderia aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden letselschade aan de linkerhand, die het gevolg is van een bedrijfsongeval en/of een beroepsziekte en welke zich vanaf augustus 2016 heeft gemanifesteerd;

  • -

    enige andere beslissing te nemen die het Gerecht juist voorkomt;

  • -

    Panaderia te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2 [

verzoekster] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat zij letsel aan haar linkerhand, te weten een “triggerfinger”, heeft opgelopen, omdat zij in de uitoefening van haar werkzaamheden bij Panaderia langdurig herhaalde/dezelfde bewegingen moest verrichten.

3.3

Panaderia heeft verweer gevoerd en concludeert dat [verzoekster] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte, dan wel tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.

4 DE BEOORDELING

4.1

Er zijn gronden gesteld noch gebleken waaruit volgt dat [verzoekster] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek. Het ontvankelijkheidsverweer van Panaderia wordt daarom verworpen.

4.2

Ter onderbouwing van haar verzoek heeft [verzoekster] gesteld dat zij negen maanden lang, gedurende acht uur of soms langer per dag dezelfde bewegingen moest verrichten bij het inpakken van brood bij Panaderia. Volgens [verzoekster] bestonden haar werkzaamheden tot aan haar eerste arbeidsongeschiktheid in augustus 2016 vooral uit het, met een daartoe bestemde machine, sluiten van de met brood gevulde plasticzakken en het plaatsen van deze zakken op de broodrekken. Het sluiten van bedoelde zakken diende handmatig voortgezet te worden op momenten dat de machine buiten werking was. [verzoekster] heeft verder gesteld dat haar werkzaamheden pas na haar eerste arbeidsongeschiktheid enigszins zijn gewijzigd en dat deze wijziging bovendien op eigen initiatief is geschied.

Verder heeft [verzoekster] ter onderbouwing van haar stelling dat zij in de uitoefening van haar werkzaamheden letsel heeft opgelopen, verwezen naar de door haar overgelegde patiëntenkaart van 21 mei 2018 van de huisarts en het aan de DIMAS gerichte schrijven van 2 maart 2018 van de specialist die [verzoekster] aan haar hand heeft geopereerd.

4.3

Panaderia heeft betwist dat de gezondheidsklachten van [verzoekster] zijn ontstaan in de uitoefening van haar werkzaamheden als broodinpakster bij Panaderia en dat deze klachten het gevolg zijn van de omstandigheden waaronder [verzoekster] haar werkzaamheden moest verrichten. Panaderia heeft gesteld dat haar dagelijkse totale productie van brood uit vijftien rekken bestaat en dat bedoelde totale productie onder drie broodinpaksters wordt verdeeld. Panaderia stelt in dat verband voorts dat (1) [verzoekster] bij haar werkzaamheden niet meer dan in totaal 7,67 kilo per keer tilde, (2) in de verpakkingsafdeling geen gevaarlijke machines stonden en (3) dat [verzoekster] geen gevaarlijke machine moest bedienen. Volgens Panaderia heeft zij het werk zodanig ingericht dat er geen sprake was van overbelasting van de broodinpaksters, zodat niet gezegd kan worden dat zij tekort is geschoten in haar zorgverplichtingen jegens [verzoekster]. Verder heeft Panaderia gesteld dat uit de door [verzoekster] overgelegde stukken niet blijkt dat er sprake is van causaal verband tussen de werkzaamheden van [verzoekster] als broodinpakster bij Panaderia en de gezondheidsklachten van [verzoekster].

4.4.1

Het Gerecht is van oordeel dat [verzoekster] in het licht van de gemotiveerde betwisting van Panaderia onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangedragen die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat zij schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden zoals door haar gesteld. Daartoe is het volgende redengevend.

4.4.2 [

verzoekster] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat zij letsel aan haar linkerhand heeft opgelopen, omdat zij langdurig herhaalde bewegingen bij het inpakken van brood, al dan niet aan de broodinpakmachine, moest verrichten, maar [verzoekster] heeft ter onderbouwing van haar stelling onvoldoende concreet gemaakt wat die herhaalde bewegingen precies inhielden en onder welke precieze omstandigheden zij deze moest verrichten. Naar het oordeel van het Gerecht moet bij een dergelijke ruime dan wel onvolledige omschrijving van de toedracht van het ontstaan van de gezondheidsklachten van [verzoekster] haar standpunt dat sprake is van letsel als gevolg van het inpakken van brood op de werkvloer van Panaderia worden gepasseerd als zijnde onvoldoende feitelijk onderbouwd.

4.4.3

Vorenstaande geldt des te meer nu, naar het oordeel van het Gerecht, uit de door [verzoekster] overgelegde patiëntenkaart van 21 mei 2018 is gebleken dat de huisarts de oorzaak van het letsel heeft toegeschreven aan een verhoogd urinezuur en verder geen verband heeft gelegd tussen de gezondheidsklachten van [verzoekster] en de werkzaamheden die zij bij Panaderia diende uit te voeren. Wat betreft de door [verzoekster] in de procedure gebrachte brief van de specialist van 2 maart 2018, waarin wordt geconcludeerd dat [verzoekster] als gevolg van haar werkzaamheden bij Panaderia een traumatische TVS (snapping finger) heeft opgelopen, is het Gerecht van oordeel dat deze geen gewicht in de schaal kan leggen, reeds omdat in deze brief op geen enkele wijze nader wordt toegelicht door welke precieze werkzaamheden en de daarbij behorende typische en alsmaar repeterende beweging de klachten van [verzoekster] zouden zijn ontstaan. Overigens geldt, zoals Panaderia dat onbetwist heeft gesteld, dat het oordeel of er sprake is van een bedrijfsongeval dan wel een beroepsziekte voorbehouden is aan de SVb, en niet aan een niet daartoe opgeleide curatief behandeld medisch specialist. Vast staat dat [verzoekster] tijdens haar arbeidsongeschiktheid onder controle was van de SVb welke instantie in die periode kennelijk geen aanleiding heeft gezien om de klachten van [verzoekster] te kwalificeren als letsel dat is ontstaan ten gevolge van het herhaaldelijk verrichten van dezelfde inpakwerkzaamheden op het werk.

4.4.4

Bij vorenstaande komt nog dat uit de hiervoor onder 2.4 geciteerd weergegeven brief van (de gemachtigde van) [verzoekster] blijkt dat door kneden van deeg bedoeld trauma zou zijn ontstaan, terwijl [verzoekster] in latere instantie stelt dat het trauma anderszins is ontstaan, te weten door het inpakken van brood. Deze tweeslachtigheid is zonder nadere doch ontbrekende uitleg onbegrijpelijk, en doet sterk af aan het door [verzoekster] gevoerde betoog.

4.5

Al het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het verzoek van [verzoekster] zal worden afgewezen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die een ander oordeel kunnen dragen.

4.6 [

verzoekster] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Panaderia, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.500,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten, tarief 5).

5 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

5.1

wijst af het door [verzoekster] verzochte;

5.2

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten gevallen aan de zijde van Panaderia, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.500,-- aan salaris voor de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 2 juni 2020 in aanwezigheid van de griffier.