Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:189

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
06-04-2020
Datum publicatie
11-05-2020
Zaaknummer
AUA201902067
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

waarnemingstoelage

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 6 april 2020

Gaza nr. AUA201902067

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar als bedoeld in de

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[Klaagster],

wonend in Nederland,

KLAAGSTER,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. de Sousa-Croes,

gericht tegen:

de Minister van Algemene Zaken, Integriteit, Overheidszorg, Innovatie en Energie,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 21 mei 2019 (de bestreden beschikking) heeft de Gouverneur van Aruba aan klaagster een gratificatie ter grootte van Afl. 1.000,- per kalenderjaar over de jaren 2014, 2015 en 2016 toegekend.

Daartegen heeft klaagster op 19 juni 2019, aangevuld op 1 augustus 2019, bezwaar gemaakt.

De Gouverneur heeft op 26 en op 28 februari 2020 nadere stukken ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2020, waar klaagster, bijgestaan door voornoemde gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, zijn verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

1.1

Klaagster is als ambtenaar werkzaam bij het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Aruba (het Kabinet).

1.2

Bij brief van 22 november 2016 heeft klaagster een verzoek gedaan om in aanmerking te komen voor een waarnemingstoelage.

Het wettelijk kader

2.1

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) wordt, indien een wettelijke regeling continuïteit in de vervulling van een ambt veronderstelt en tot dat ambt niet meer ambtenaren zijn aangesteld, die het geheel of gedeeltelijk kunnen waarnemen, dan wel indien het belang van de dienst dit vordert, de daartoe in aanmerking komende ambtenaar door het bevoegde gezag met de tijdelijke waarneming van dat ambt belast, al dan niet met ontheffing uit zijn eigenlijke betrekking.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de ambtenaar die overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid belast is met de tijdelijke waarneming van een ambt, dat in belangrijkheid en verantwoordelijkheid aanmerkelijk uitgaat boven het eigenlijke ambt van de ambtenaar, over de tijd der waarneming aanspraak heeft op toekenning door de betrokken minister van een toelage boven zijn eigen bezoldiging, ten bedrage van het verschil tussen de bezoldiging, welke hij zou genieten, ware hij definitief benoemd in het ambt dat hij waarneemt, en zijn eigen bezoldiging, met inachtneming van de bepalingen betreffende persoonlijke toelage(n) indien de waarneming:

a. 30 dagen of langer onafgebroken heeft geduurd;

b. in een tijdvak van zes maanden in totaal gedurende 30 dagen of langer heeft geduurd;

c. in een tijdvak van twaalf maanden in totaal 60 dagen of langer heeft geduurd.

2.2

Ingevolge artikel 75 van de Lma kan de ambtenaar wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke dienstverrichting door het bevoegde gezag worden beloond met onder andere een gratificatie.

De beoordeling

3.1

De bestreden beschikking is gegeven op het verzoek van klaagster om haar een waarnemingstoelage toe te kennen. Gelet hierop behelst de bestreden beschikking, hoewel daarbij aan klaagster een gratificatie is toegekend, tevens een impliciete afwijzing van het verzoek om toekenning van een waarnemingstoelage. Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Lma is daartoe evenwel niet de Gouverneur, maar de betrokken minister, in dit geval verweerder, bevoegd.

Ter zitting heeft de gemachtigde van de Gouverneur desgevraagd bevestigd dat de bestreden beschikking een afwijzing van het verzoek van klaagster om toekenning van een waarnemingstoelage behelst en daarbij te kennen gegeven eveneens door verweerder te zijn gemachtigd hem in deze zaak te vertegenwoordigen en dat deze de rechtsgevolgen van de afwijzing voor zijn rekening neemt. Nu daarmee het bevoegdheidsgebrek geheeld is, zal het gerecht bezien of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van de vernietigde afwijzing in stand te laten.

3.2

Bij de bestreden beschikking heeft verweerder niet toegelicht dat en waarom klaagster niet voor toekenning van een waarnemingstoelage in aanmerking komt. Aan de bestreden beschikking, voor zover de Gouverneur daarbij aan klaagster een gratificatie heeft toegekend, is ten grondslag gelegd dat aanleiding bestaat om aan klaagster wegens bijzondere toewijding een gratificatie toe te kennen, omdat klaagster gedurende de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2016 de functie van Hoofd Financiën van het Kabinet heeft waargenomen. Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat in de bestreden beschikking per abuis is vermeld dat klaagster gedurende de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2016 de functie van hoofd Financiën heeft waargenomen, aangezien deze functie is komen te vervallen en de daarbij behorende werkzaamheden zijn verdeeld tussen de 1e en 2e medewerker financiën.

3.3

Klaagster betoogt dat verweerder haar ten onrechte geen waarnemingstoelage heeft toegekend en voert daartoe aan dat zij na vertrek van het toenmalige hoofd van de afdeling Financiën deze functie volledig heeft waargenomen en daarmee de daarbij behorende verantwoordelijkheden heeft gedragen, dit alles naar tevredenheid van haar superieuren. Dat aan haar voor deze inzet slechts een gratificatie ter grootte van Afl. 1.000,- per kalenderjaar voor de jaren 2014, 2015 en 2016 is toegekend, is dan ook onbegrijpelijk, aldus klaagster.

3.4

In de bestreden beschikking is vermeld dat klaagster gedurende de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2016 de functie van hoofd Financiën bij het Kabinet heeft waargenomen. Naar het oordeel van het gerecht heeft verweerder met de enkele stelling ter zitting dat in de bestreden beschikking per abuis is opgenomen dat klaagster de functie heeft waargenomen, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat en waarom deze vermelding in de bestreden beschikking op een fout berust. Onder deze omstandigheden valt derhalve niet zonder nadere motivering in te zien waarom het verzoek van klaagster van 22 november 2016 om toekenning van een waarnemingstoelage over de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2016 (impliciet) is afgewezen. De enkele omstandigheid dat door het bevoegd gezag geen besluit tot waarneming is genomen, zoals niet in geschil is, is in dit verband onvoldoende. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals verweerder desgevraagd ter zitting te kennen heeft gegeven, in de praktijk in gevallen waarin betrokkene daadwerkelijk een functie heeft waargenomen, zo nodig achteraf een waarnemingsbesluit wordt geslagen om een waarnemingstoelage toe te kunnen kennen.

Dit betekent dat de bestreden beslissing onvoldoende is gemotiveerd.

3.5

Het voorgaande brengt met zich dat geen aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van de bestreden beschikking in stand te laten. De bestreden beschikking, voor zover verweerder daarbij heeft geweigerd aan klaagster een waarnemingstoelage toe te kennen, dient te worden vernietigd.

3.6.

Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking, voor zover verweerder daarbij het verzoek van klaagster van 22 november 2016 om haar een waarnemingstoelage toe te kennen heeft afgewezen;

- bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak opnieuw op het verzoek van klaagster van 22 november 2016 beslist, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de door klaagster gemaakte proceskosten, die worden begroot op Afl. 1.000,- aan gemachtigdensalaris.

Deze uitspraak is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 6 april 2020 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

  • -

    Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: Binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

  • -

    In de andere gevallen: Binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.