Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:169

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
02-03-2020
Datum publicatie
08-05-2020
Zaaknummer
AUA201901538
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Lar - Het gerecht ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het bezwaarschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard, nu het is gericht tegen een rechtshandeling naar burgerlijk recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 2 maart 2020

LAR nr. AUA201901538

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

De naamloze vennootschappen

BOTICA SANTA ANNA N.V. ,

BOTICA ALOE N.V. ,

BOTICA PARADERA N.V. ,

BOTICA SANTA CRUZ N.V. ,

BOTICA DEL PUEBLO N.V. ,

BOTICA DAKOTA N.V. ,

gevestigd in Aruba,

APPELLANTEN,

gemachtigden: de advocaten mrs. D.C.A. Crouch en Z.J.E. Paesch,

gericht tegen:

Het uitvoeringsorgaan van de algemene ziektekostenverzekering,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: de advocaat mr. M.D. Tromp.

PROCESVERLOOP

Bij brief van 5 februari 2019 heeft verweerder appellanten bericht, dat hij geen aanleiding ziet om de door appellanten verzochte voorwaarden te stellen aan de leveranciers van hulpmiddelen (urologische katheters en toebehoren).

Hiertegen hebben appellanten op 19 maart 2019 pro-forma bezwaar ingesteld.

Bij beslissing op bezwaar van 2 april 2019 heeft verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.

Hiertegen hebben appellanten op 10 mei 2019 beroep ingesteld bij het gerecht.

Verweerder heeft op 9 augustus 2019 een verweerschrift ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2020. Appellanten zijn verschenen bij hun gemachtigden. Tevens waren aanwezig de heer J. Tromp, directeur van Botica Santa Anna, de heer C. van Stijn, manager van Botica Aloe, en mevrouw S. Arends-Bareño, apotheker-directeur van Botica Paradera.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. P. Brown, die heeft geoccupeerd voor de gemachtigde voornoemd. Tevens waren voor verweerder aanwezig, mr. S. van Spall, juriste bij de AZV en mevrouw N. de Jong, accountmanager bij de AZV.

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Het wettelijk kader

1.1

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Lar wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder beschikking: een op enig rechtsgevolg gericht schriftelijk besluit van een bestuursorgaan.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is van het begrip beschikking uitgezonderd:

rechtshandelingen naar burgerlijk recht.

1.2

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Lar kan degene die door een beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen, het bestuursorgaan verzoeken de beschikking in heroverweging te nemen, tenzij deze op bezwaar is genomen.

1.3

Ingevolge artikel 23, eerste lid kan degene die rechtstreeks in zijn belang is getroffen door een op een bezwaarschrift genomen beslissing, daartegen beroep instellen bij het gerecht.

1.4

Ingevolge artikel 15 van de Lar, stelt het bestuursorgaan het bezwaarschrift en de daarop betrekking hebbende stukken in handen van de bezwaaradviescommissie, tenzij het bestuursorgaan het bezwaarschrift op grond van artikel 12, eerste lid, of artikel 14, tweede lid, niet-ontvankelijk heeft verklaard.

1.5

Ingevolge artikel 39 van de Landsverordening algemene ziektekostenverzekering (Lazv) sluit het uitvoeringsorgaan met beroepsbeoefenaren en instellingen, die aan de op dezen van toepassing zijnde wettelijke voorschriften voldoen, overeenkomsten in zodanige omvang en van zodanige inhoud, dat het in staat is om zijn verplichtingen jegens de verzekerden naar behoren na te komen.

1.6

Ingevolge artikel 1, wordt onder contracterende instelling verstaan, een rechtspersoonlijkheid bezittende instelling die met het uitvoeringsorgaan een overeenkomst heeft gesloten als bedoeld in artikel 39.

1.7

In de Memorie van Toelichting van de Lazv (MvT) staat op pagina 12, onder §6 “Rechtsvorm en Rechtskarakter van de AZV” voor zover hier van belang het volgende:

“Het systeem is zo ingericht, dat het uitvoeringsorgaan het verlenen van de hulp overlaat aan zelfstandig in de gezondheidszorg werkzame personen en instellingen, die het daartoe contractueel aan zich verbindt. Deze personen en instellingen worden aangeduid als contractanten respectievelijk contracterende instellingen. De verzekerde maakt zijn recht op verstrekking jegens het uitvoeringsorgaan geldend door bij een contractant of contracterende instelling de benodigde hulp in te roepen. (…)

Anders dan de verhouding tussen het uitvoeringsorgaan en de verzekerden heeft de verhouding tussen het uitvoeringsorgaan en de aanbieders van zorg een privaatrechtelijk karakter. (…)”

1.8

In Hoofdstuk V van de MvT staat als toelichting op artikel 39 van de Lazv voor zover hier van belang, het volgende:

“In het algemeen gedeelte van deze toelichting is reeds ingegaan op de betekenis van de overeenkomsten, aan te gaan tussen het uitvoeringsorgaan en de aanbieders van zorg, voor een goede uitvoering van de AZV. Het eerste lid van artikel 39 bevat de opdracht aan het uitvoeringsorgaan om overeenkomsten te sluiten in zodanige omvang en van zodanige inhoud dat het uitvoeringsorgaan in staat is om zijn verstrekkingsverplichtingen naar behoren na te komen.

Aan deze bepaling kunnen noch aanbieders van zorg, noch verzekerden rechtstreeks rechten ontlenen. (…)”

1.9

Artikel 14 van de Lazv bepaalt – voor zover hier van belang – dat een verzekerde aanspraak heeft op in de apotheek op de welke betrokkene bij het uitvoeringsorgaan is ingeschreven af te leveren genees- en verbandmiddelen, voorgeschreven door de – kort gezegd – beroepsbeoefenaren die met het uitvoeringsorgaan een overeenkomst hebben gesloten als bedoeld in artikel 39.

1.10

Ingevolge artikel 20, lid 1 van de Lazv heeft een verzekerde aanspraak op verstrekking van de bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vastgestelde hulpmiddelen.

De feiten

2.1

Appellanten exploiteren ieder voor zich een apotheek. Tussen elke appellant en het uitvoeringsorgaan is een overeenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 39, eerste lid van de Lazv. Appellanten vallen onder de definitie van “contracterende instelling” als bedoeld in artikel 1 van de Lazv.

2.2

Bij brief van 20 december 2018 heeft verweerder alle apotheken bericht over zijn voornemen om een openbare aanbesteding te organiseren voor de levering van katheters en toebehoren.

2.3

Bij brief van 21 januari 2019, zoals gewijzigd c.q. aangevuld bij brief van 28 januari 2019 hebben appellanten verweerder verzocht om als voorwaarde aan de geselecteerde leverancier te stellen, dat alle bij de AZV geregistreerde apotheken als distributiepunten van katheters moeten worden aangesteld, bij gebreke waarvan het contract tussen de geselecteerde leverancier en verweerder per onmiddellijk wordt opgezegd, dan wel wordt ontbonden.

2.4

Verweerder heeft bij brief van 5 februari 2019 appellanten bericht dat hij geen aanleiding ziet om de door hen verzochte voorwaarde te stellen aan de leverancier van de hulpmiddelen.

2.5

Tegen deze brief hebben appellanten op 19 maart 2019 bezwaar in de zin van de Lar gemaakt, door indiening van een pro-forma bezwaarschrift.

2.6

Bij beslissing op bezwaar van 2 april 2019 heeft verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder schrijft onder anderen:

“In de uitvoering van de Lv. AZV wordt de relatie tussen het Uitvoeringsorgaan en de zorgverleners beheerst door het civiele recht. (…)

Onze brief via onze advocaat van 5 februari 2019 is bedoeld om rechtsgevolg te hebben binnen de privaatrechtelijke verhouding tussen ons en uw cliënten en wordt aldus ook beheerst door het privaatrecht en is derhalve reeds om die reden geen beschikking in de zin van artikel 2 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.”

2.7

Op 2 april 2019 hebben appellanten de gronden waarop hun bezwaarschrift berust, ingediend.

De standpunten van partijen

3.1

Appellanten kunnen zich niet verenigen met de beslissing om hun bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren en hebben zich daarbij op het volgende standpunt gesteld. Volgens appellanten is niet gebleken dat verweerder het bezwaarschrift heeft doorgestuurd naar de bezwaaradviescommissie Lar, zodat de bestreden beslissing niet op grond van de wettelijke voorschriften tot stand is gekomen.

Verder betogen appellanten dat de beslissing van verweerder van 5 februari 2019 wel degelijk een beschikking in de zin van de Lar is, omdat verweerder bij het tot stand komen van de overeenkomsten en het bepalen van de inhoud daarvan gebruik maakt van de hem toegekende publiekrechtelijke bevoegdheid om het algemeen belang te behartigen, zodat er sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het verzoek van appellanten is niet gedaan in het kader van de uitvoering van de overeenkomsten tussen partijen, maar in het kader van het waarborgen van de kwaliteit van de zorg voor de verzekerden, aldus appellanten.

3.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de brief van 5 februari 2019 een weigering behelst om een privaatrechtelijke rechtshandeling te verrichten en daarom geen beschikking is in de zin van de Lar. Derhalve is artikel 15 van de Lar – over het inwinnen van advies bij de bezwaaradviescommissie Lar – niet van toepassing. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder aangevoerd dat het uitschrijven van een openbare aanbesteding geldt als uitvoering van de opdracht aan verweerder om overeenkomsten te sluiten met gekwalificeerde hulpverleners ten behoeve van de verstrekkingen aan de verzekerden, waarbij contractsvrijheid bestaat. Verweerder heeft daarbij niet de bevoegdheid om eenzijdig over te gaan tot vaststelling van die rechtsbetrekkingen c.q. het opleggen van voorwaarden zoals appellanten voorstellen. Aldus verweerder.

De beoordeling

4. Het gerecht overweegt als volgt.

4.1

Appellanten zijn tijdig in beroep gekomen tegen de beslissing op bezwaar van 2 april 2019, en zijn derhalve ontvankelijk in hun beroep.

4.2

Het betoog van appellanten ten aanzien van de gevolgde procedure, slaagt. Immers, niet is gebleken dat verweerder het bezwaarschrift in handen heeft gesteld van de bezwaaradviescommissie. Nu verweerder het bezwaarschrift niet op grond van artikel 12, eerste lid, of artikel 14, tweede lid niet-ontvankelijk heeft verklaard, is dat in strijd met artikel 15 van de Lar. Het beroep is derhalve gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar komt voor vernietiging in aanmerking.

4.3

Het gerecht ziet evenwel aanleiding om, met toepassing van artikel 47, vierde lid van de Lar, zelf in deze zaak te voorzien en overweegt daartoe als volgt.

Vast staat dat tussen verweerder en zorgaanbieders in de zin van de Lazv, privaatrechtelijke overeenkomsten worden gesloten. Dit geldt zowel voor appellanten als voor de leverancier van de hulpmiddelen als bedoeld in artikel 20 van de Lazv.

De beslissing van verweerder om te weigeren in de overeenkomst met een leverancier van hulpmiddelen voorwaarden te stellen die door andere zorgaanbieders, die bij die overeenkomst geen partij zijn, zijn verzocht, vloeit voort uit de privaatrechtelijke verhouding tussen verweerder en zijn verschillende contractspartijen en is een rechtshandeling naar burgerlijk recht.

Deze beslissing is dus geen beschikking in de zin van de Lar. Het bezwaarschrift zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.4

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden beslissing van 2 april 2019,

- verklaart het bezwaarschrift niet-ontvankelijk, nu het is gericht tegen een rechtshandeling naar burgerlijk recht.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken).

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de dag van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.