Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:156

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
AUA202000937
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding waarbij de eiser verzoekt om de ontruiming van een woning op te schorten met oplegging van een dwangsom aan gedaagde. De vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 25 maart 2020

Behorend bij AUA202000937

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[Eiser],

te Aruba,

EISERES,

hierna ook te noemen: Eiser,

gemachtigde: de advocaat mr. M.B. Boyce,

tegen:

[Gedaagde],

te Aruba,

GEDAAGDE,

hierna ook te noemen: Gedaagde,

gemachtigde: de advocaat mr. R.A. Wix.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingediend op 20 maart 2020;

- de op 22 maart 2020 per e-mail door gedaagde toegezonden producties;

- de mondelinge behandeling van 23 maart 2020, waar partijen hun standpunten hebben toegelicht onder overlegging van een pleitnota.

1.2

Aan partijen is meegedeeld dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad en waren onder meer ieder voor de helft deelgenoot in de woningen [adres] te Aruba. In verband met de scheiding en deling zijn partijen ten aanzien van beide woningen overeengekomen dat deze werden toebedeeld aan gedaagde en dat gedaagde in verband met overbedeling per woning een bedrag van Afl. 180.000,00 aan eiser zou uitkeren.

2.2

Bij vonnissen in kort geding van 12 december 2018 van dit gerecht is eiser veroordeeld om medewerking te verlenen aan de uitvoering van de tussen partijen overeengekomen verdeling.

2.3

Op het moment van het wijzen van de vonnissen van 12 december 2018 bewoonde eiser de woning aan [adres]. In het vonnis dat is gewezen ten aanzien van deze woning is eiser tevens veroordeeld om de woning uiterlijk 1 februari 2019 te verlaten.

2.4

Nadat eiser de woning aan [adres] had verlaten, heeft zij een appartement betrokken op het perceel [adres] (appartement nr. 3). Daarna heeft zij ook appartement nr. 4 op het perceel [adres] betrokken en heeft dit ter beschikking gesteld aan haar meerderjarige zonen.

2.5

Bij vonnis van dit gerecht van 30 oktober 2019 is eiser veroordeeld om de woning [adres] vóór 15 februari 2020 te ontruimen.

2.6

Bij deurwaardersexploot van 17 maart 2020 is aan eiser bevel gedaan om de woning [adres] uiterlijk 23 maart 2020 te ontruimen.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

eiser verzoekt het gerecht om haar kosteloze procedure te verlenen en vordert dat het gerecht bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

- de ontruiming stopt door schorsing van de executie van het vonnis in kort geding gewezen op 30 oktober 2019;

- bepaalt dat gedaagde een dwangsom verbeurt van Afl. 1.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat gedaagde het bevel niet nakomt, met een maximum van Afl. 50.000,00;

- met veroordeling van gedaagde in de kosten van de procedure.

3.2

Aan haar vordering legt eiser ten grondslag dat:

- er tussen partijen een huurovereenkomst is ontstaan;

- dat door een ontruiming op dit moment, mede gezien de noodtoestand die op het eiland heerst wegens het corona-virus, een noodtoestand zal ontstaan;

- gedaagde geen belang heeft bij ontruiming op dit moment.

3.3

gedaagde voert hiertegen verweer. Hierna zal, voor zover voor de beoordeling van het geschil van belang, nader worden ingegaan op de grondslagen van de vordering en op het daartegen gevoerde verweer.

4 DE BEOORDELING

4.1

Het verzoek om kosteloos te mogen procederen zal, gezien het overgelegde bewijs van onvermogen, worden toegewezen.

4.2

Door gedaagde is ten eerste naar voren gebracht dat eiser te laat hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 30 oktober 2019, zodat dit vonnis kracht van gewijsde heeft gekregen. Ter onderbouwing van dit verweer heeft gedaagde verwezen naar de akte van hoger beroep d.d. 22 november 2019 (pleitnota gedaagde, prod. 1). Van de zijde van eiser is niet betwist dat het hoger beroep is ingesteld op 22 november 2019, zoals blijkt uit de door gedaagde overgelegde akte van hoger beroep. Het gerecht gaat er daarom vanuit dat op die datum hoger beroep is ingesteld. Nu op grond van de artikelen 264 lid 1 Rv jo. 235 Rv. de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen een vonnis in kort geding drie weken bedraagt, gaat het gerecht er daarom voorshands vanuit dat het hoger te laat is ingesteld. Dat brengt mee dat het vonnis van 30 oktober 2019 kracht van gewijsde heeft gekregen, zodat ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) voor de beantwoording van de vraag of de schorsing van het vonnis dient te worden gestaakt, de maatstaf zoals vermeld in het arrest van 22 april 1983 (NJ1984, 145; Ritzen/Hoekstra) onverkort geldt. Dat betekent dat er slechts grond is voor schorsing in geval van - kort gezegd - misbruik van bevoegdheid (zie HR 20 december 2019, rov. 5.7.1).

4.3

Misbruik van (executie)recht als bedoeld in art. 3:13 BW kan aan de orde zijn als het te executeren vonnis klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, of indien door feiten die na het vonnis zijn voorgevallen of aan het licht zijn gekomen klaarblijkelijk een noodtoestand voor de geëxecuteerde ontstaat, waardoor onverwijlde tenuitvoer-legging onaanvaardbaar is (HR 22 april 1983, NJ 1984, 145, Ritzen/Hoekstra). Misbruik van bevoegdheid kan ook worden aangenomen buiten de in Ritzen/Hoekstra genoemde voorbeelden, zodat ook in een executie kort geding steeds een afzonderlijke belangenafweging moet worden gemaakt, waarbij een schorsing van de executie van de tenuitvoerlegging evenwel slechts kan worden uitgesproken indien de executie de geëxecuteerde onevenredig zwaar treft in zijn belangen, met andere woorden als er sprake is van een onbalans (conclusie PG d.d. 14 juni 2019, ECLI:NL:PHR:666, overweging 3.13).

4.4

Dat na het wijzen van het vonnis op 30 oktober 2019 tussen partijen een huurovereenkomst is ontstaan - zoals door eiser is gesteld en door gedaagde is betwist - en dat om die reden executie van het vonnis misbruik van recht oplevert, is voorshands niet aannemelijk geworden. De omstandigheid dat eiser de in het vonnis van 30 oktober 2019 voor de periode tot 15 februari 2020 vastgestelde gebruiks-vergoeding betaalt en dat gedaagde deze vergoeding in ontvangst heeft genomen, brengt niet mee dat tussen partijen een huurovereenkomst is ontstaan. Aan het einde van de mondelinge behandeling is van de zijde van eiser nog aangevoerd dat zij na het wijzen van het vonnis van 30 oktober 2019 aan gedaagde heeft aangeboden om een huurovereenkomst aan te gaan waarbij zij Afl. 1.000,00 per maand aan huur zou gaan betalen. Daar heeft eiser zelf aan toegevoegd dat zij nimmer een reactie heeft ontvangen van gedaagde op dit voorstel. Aldus volgt ook uit deze stelling niet dat er een huurovereenkomst tussen partijen is ontstaan op grond waarvan eiser bevoegd zou zijn om in de woning te blijven wonen. Andere feiten waaruit voorshands het bestaan van een huurovereenkomst kan worden afgeleid, zijn gesteld noch gebleken. De aldus door eiser gestelde grondslag kan niet leiden tot toewijzing van de vordering.

4.5

Volgens eiser levert de verspreiding van het corona-virus en de beperkende maatregelen die het Land in verband daarmee heeft genomen, mee dat aan de zijde van eiser en haar gezinsleden een noodtoestand ontstaat indien zij thans de woning moet ontruimen. Zij zal door die ontruiming op straat komen te staan. Eiser is diabeet en behoort tot de risico-groep met betrekking tot het virus en bovendien woont de minderjarige dochter van partijen (16 jaar) bij haar in, die daarmee ook op straat komt te staan. Eiser heeft ook verwezen naar een mededeling van het Land dat in deze periode niemand door toedoen van het corona-virus uit huis mag worden gezet.

4.6

Naar het oordeel van het gerecht is voorshands niet aannemelijk geworden dat door een gedwongen ontruiming van de woning een noodtoestand aan de zijde van eiser zal ontstaan. Onbetwist is door gedaagde gesteld dat eiser als ambtenaar een vast inkomen heeft van Afl. 3.450,00 per maand. Zij heeft zelf aangeboden om in de woning te blijven wonen tegen betaling van een huur van Afl. 1.000,00 per maand. Het gerecht acht voorshands dan ook aannemelijk dat eiser in staat is om laatstgenoemd bedrag aan huur te betalen. Eiser heeft niet de stelling van gedaagde betwist dat er voor dit bedrag voldoende woningen en appartementen te huur zijn in Aruba. Volgens eiser zijn deze woningen echter niet groot genoeg om deze zowel met haar minderjarige dochter als haar meerderjarige zonen (naar het gerecht begrijpt, met partners) te bewonen. Niet valt in te zien waarom eiser verantwoordelijk is voor de huisvesting van haar meerderjarige zonen (al dan niet met partners) en dat eventuele problemen ten aanzien van hún huisvesting kan leiden tot een noodtoestand bij eiser. Het gerecht gaat er voorshands vanuit dat eiser voor Afl. 1.000,00 per maand een woning dan wel appartement kan huren dat geschikt is voor haar en haar minderjarige dochter. De omstandigheid dat er op dit moment op Aruba (en wereldwijd) een ongebruikelijke situatie bestaat, kan aan dit oordeel niet afdoen.

4.7

De stelling van eiser dat gedaagde op dit moment geen belang heeft bij ontruiming, omdat zij bereid is Afl. 1.000,00 per maand te betalen en verkoop van de woning door de (dreigende) economische gevolgen van de verspreiding van het corona-virus momenteel ook geen reële optie is voor gedaagde, wordt verworpen. Een executant hoeft, indien deze na het verkrijgen van een toewijzend vonnis tot executie overgaat, niet opnieuw aan te tonen dan wel aannemelijk te maken dat hij ook op het moment van executeren van het vonnis nog steeds belang heeft bij die executie. De vraag welke belangen de executant heeft, speelt in het kader van de schorsing van de executie slechts een rol bij de beantwoording van de vraag of executie - in het licht van de door de geëxecuteerde gestelde belangen - misbruik van recht oplevert. Die vraag is hiervoor in nummer 4.5 ontkennend beantwoord, zodat er thans geen ruimte meer is om te oordelen of gedaagde een voldoende belang heeft bij de executie.

4.8

De conclusie van het voorgaande is dat er geen reden is om executie van het vonnis van 30 oktober 2019 te schorsen, zodat de vorderingen zullen worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal eiser worden veroordeeld in de kosten van de procedure, die aan de zijde van gedaagde worden begroot op Afl. 1.500,-- aan salaris van gemachtigde.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

verleent eiser kosteloze procedure;

wijst het gevorderde af;

veroordeelt eiser in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van gedaagde worden begroot op Afl. 1.500,00 aan salaris van de gemachtigde;

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 25 maart 2020 in aanwezigheid van de griffier.