Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:146

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
22-04-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
AR nr. AUA201500271
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongeval - Letsel – Immateriële schade - Gederfde inkomsten – Voornemens tot benoeming Medwork als deskundige – Inschakelen deskundige ter bepaling van daadwerkelijke pensioenschade eiseres - Akte uitlating - Tussenvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0333
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 22 april 2020

Behorend bij A.R. no. AUA201500271

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

[EISERES],

wonende in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: [Eiseres],

gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd,

tegen:

[GEDAAGDE],

wonende in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: [Gedaagde],

gemachtigde: de advocaat mr. C.F.K.J. Lejuez.

1 HET PROCESVERLOOP

1.1

Het procesverloop blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de conclusie van antwoord, met producties;

-de conclusie van repliek tevens houdende een verzoek tot wijziging van eis, met producties;

-de conclusie van dupliek.

1.2 [

Gedaagde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de door [eiseres] verzochte eiswijziging. Dat verzoek wordt mede daarom toegewezen.

1.3

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1 [

Eiseres] verzoekt na wijziging van eis dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] veroordeelt:

a. om aan [eiseres] te betalen Afl. 80.000,--, althans een door het Gerecht te bepalen ander bedrag, aan vergoeding voor immateriële schade;

b. om aan [eiseres] te betalen Afl. 157.820,43, althans een door het Gerecht te bepalen ander bedrag, ten titel van verlies van arbeidsinkomen tot en met 30 september 2019;

c. om aan [eiseres] te betalen Afl. 12.582,43 ten titel van vergoeding van medische kosten;

d. om aan [eiseres] te betalen Afl. 29.120,-- ten titel van vergoeding van kosten voor mantelzorg;

e. om aan [eiseres] te betalen Afl. 185,-- aan (voorlopige) kosten ex het tweede lid van artikel 6:96 BW;

f. om aan [eiseres] te betalen een nog in deze procedure vast te stellen bedrag aan verlies van toekomstig arbeidsinkomen en aan pensioenschade.

g. in de proceskosten.

2.2 [

Gedaagde] voert verweer en concludeert - zo het Gerecht begrijpt - dat (1) de vordering onder a. voor het meerdere van Afl. 35.000,00 moet worden afgewezen, (2) de vordering onder b. voor het meerdere van Afl. 98.878,85 moet worden afgewezen, en dat (3) de vorderingen onder c., d en e. kunnen worden toegewezen.

2.3

Voor zover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.

3.1.2

In de avonduren van 16 juli 2011 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij [eiseres] en [gedaagde] betrokken waren (hierna: het ongeval). [Eiseres] bevond zich als passagier op een motorfiets. De bestuurder van die motorfiets, de heer [naam bestuurder] zijnde de vriend van [eiseres], moest op de Kamerlingh Onnestraat ter hoogte van het restaurant Four Season een uitwijkmanoeuvre maken waardoor de motor met beide berijders op de rijbaan ten val kwamen. Op het moment dat de heer [naam bestuurder] aanstalten maakte om [eiseres] de helpende hand te bieden om op te staan, werden beiden aangereden door een pick-up, in beschonken toestand bestuurd door [gedaagde]. Nagenoeg onmiddellijk daarna werd [eiseres] ook aangereden door een verder onbekend gebleven busje.

3.1.3 [

Naam bestuurder] voornoemd is als gevolg van het ongeval om het leven gekomen. [Eiseres] is (zeer) ernstig gewond geraakt door het ongeval.

3.1.4 [

Gedaagde] is tot vijftien maanden gevangenisstraf veroordeeld in verband met het ongeval.

3.1.5

Bij vonnis van dit Gerecht van 19 februari 2014 in de tussen partijen gevoerde zaak onder nummer A.R. nr. 491 van 2012 is [gedaagde] uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld om aan [eiseres] te vergoeden alle door [eiseres] ten gevolge van het door [gedaagde] veroorzaakte ongeval geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.1.6

Als gevolg van het ongeval heeft [eiseres] de volgende letsels opgelopen:

i. politrauma;

ii. een verbrijzeld linker heupbeen;

iii. een gefractureerd heiligbeen;

iv. een gefractureerd rechterdijbeen;

v. dislocatie van een sleutelbeen;

vi. een hersenschudding;

vii. een gefractureerd achterhoofdbeen

Bij aankomst in het ziekenhuis moest [eiseres] gereanimeerd worden, en zij heeft toen 3 maanden (van 17 juli 2011 tot en met 10 oktober 2011) in het ziekenhuis gelegen. Zij is behandeld door neuroloog [naam neuroloog], internist [naam internist] en de orthopedisch chirurgen [naam orthopedisch chirurg 1] en [naam orthopedisch chirurg 2].

3.1.7

Op 19 juli 2012 is [eiseres] opnieuw geopereerd door orthopedisch chirurg [naam orthopedisch chirurg 1] voornoemd.

3.1.8

Uit het schrijven van orthopedisch chirurg [naam orthopedisch chirurg 2] voornoemd van 26 februari 2013 blijkt het volgende. [Eiseres] heeft continue pijn ter hoogte van haar heup en spieren. Er is een MRI gemaakt onder algehele narcose. Die heeft laten zien dat er geen beweging zit in het helingsproces en om die reden is een nieuwe operatie noodzakelijk. Er dient ook behandeling plaats te vinden voor een betere kalkaanzetting voor een periode van 3 maanden, waarna de noodzaak tot opereren verder gerevalueerd kan worden.

3.1.9

Uit het schrijven van de in Colombia praktiserende fysiotherapeut [naam fysiotherapeut] van 26 februari 2013 blijkt welke behandelingen [eiseres] heeft ondergaan, dat haar rechterdijbeen nog niet in orde is, dat [eiseres] pijn lijdt en dat nadere fysiotherapie wordt aanbevolen.

3.1.10

Uit het schrijven van de in Colombia praktiserende orthopedisch chirurg en traumatoloog [naam orthopedisch chirurg en traumatoloog] van 26 februari 2013 blijkt dat hij op basis van in Aruba gemaakte foto’s heeft vastgesteld dat er een verschil is in dijbeenlengte van 3 cm, dat een fractuur niet goed is gehecht en dat [eiseres] opnieuw aan haar dijbeen moet worden geopereerd omdat de fractuur niet is geconsolideerd. Deze specialist adviseerde [eiseres] de intramedullaire nagel- en vergrendelschroeven, die in 2011 na het ongeval in haar dijbeen waren geplaatst, te verwijderen zodat consolidatie (aanhechting) en minimalisering van het lengteverschil zou plaatsvinden door middel van externe fixatie.

3.1.11 [

Eiseres] heeft voormeld advies in Aruba besproken met dokter [naam orthopedisch chirurg 2] voornoemd, die haar heeft verteld dat een dergelijke behandeling niet in Aruba kan worden uitgevoerd. Omdat de specialisten in Colombia stelden dat zij de procedure succesvol zouden kunnen uitvoeren en [eiseres] niet langer mank zou blijven doch slechts een minimale hink zou overhouden en derhalve weer bijna normaal zou kunnen lopen met aanzienlijk minder pijn, heeft [eiseres] besloten bedoelde operatie in Colombia uit te laten voeren. Die op 10 maart 2016 uitgevoerde behandeling/operatie viel niet onder de dekking van AZV, en is door [eiseres] zelf bekostigd met hulp van haar familie. Na de operatie begon er voor [eiseres] een lang en pijnvol proces van controles en therapie van bijna een jaar.

3.1.12

Op 20 maart 2017 is [eiseres] opnieuw geopereerd in Colombia. Die operatie was nodig om volledige consolidatie te bewerkstelligen.

3.1.13

Op 22 mei 2017 is [eiseres] voor het laatst geopereerd in Colombia. Bij die operatie werd de fixatie van haar dijbeen verwijderd.

3.1.14 [

Eiseres] is in december 2017 vanuit Colombia teruggekeerd naar Aruba. [Eiseres] kan in elk geval thans vrijwel normaal lopen, maar niet rennen of joggen. [Eiseres] kan geen schoenen met hoge hakken dragen, en kan niet langer blijven staan of zitten dan een half uur zonder pijn. Als [eiseres] langer staat of zit dan een half uur worden haar linkerknie en haar heupen stijf. Verder heeft nog steeds last van hoofdpijnen en problemen met haar zicht uit haar linkeroog. Na “therapia faxial” hier in Aruba en met lenzen is hier verbetering in gekomen, maar het kan niet geheel worden verholpen.

3.1.15 [

Eiseres] heeft voorts blijvend letsel aan haar linkerschouder en -arm, in die zin dat zij minder kracht en gevoel heeft in haar linkerarm en -hand en geen zware voorwerpen kan optillen.

3.1.16 [

Eiseres] heeft lelijke door het ongeval veroorzaakte littekens laten bedekken met tatoeages.

3.1.17

Ter bestrijding van pijn heeft [eiseres] verschillende pijnstillers moeten gebruiken, waaronder begrepen Ibuprofen 600 mg. Dat medicijn is schadelijk voor de maag, de nieren en de lever.

3.1.18 [

Eiseres] werkte voor het ongeval als barbediende in een Chinees restaurant tegen een bruto uurloon van Afl. 8,65, en dat zes dagen per week à 8 uren per dag.

3.1.19

Na het ongeval heeft [eiseres] aanvankelijk tot 26 september 2012 ziekengeld ontvangen van de SVB, ad 80% van haar loon. Bij brief van 11 oktober 2012 heeft de SVB besloten dat [eiseres] vanaf 26 september 2012 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij zich schuldig zou hebben gemaakt aan gedragingen waardoor haar genezing wordt belemmerd en waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid kan toenemen. Die beslissing van de SVB is vernietigd bij uitspraak van het College van Beroep van 10 april 2014 in de zaak onder nummer CVB nr. 3321 van 2012, kort gezegd omdat dit college van oordeel was dat de op artikel 7 lid 1 onder c van de LvZV (het zich schuldig maken aan gedragingen waardoor de genezing wordt belemmerd) gegronde beslissing van de SVB op onzorgvuldige wijze tot stand was gekomen en ontoereikend was gemotiveerd. Op grond van die uitspraak is aan [eiseres] voor de maximale duur van 2 jaren ziekengeld ad 80% van haar loon uitgekeerd door de SVB, te weten tot en met 4 augustus 2013. In totaal heeft de SVB na het ongeval (19.495,15 + 14.836,-- =) Afl. 34.331,15 aan ziekengeld uitgekeerd aan [eiseres].

3.2

De vorderingen onder c. d. en e. zullen, als zijnde niet door [gedaagde] bestreden, bij nog te wijzen eindvonnis worden toegewezen.

3.3.1

Ter zake van de vordering van [eiseres] tot vergoeding van immateriële schade ad Afl. 80.000,-- wordt het volgende overwogen. Uit de stellingen van [gedaagde] volgt dat hij erkent dat [eiseres] dergelijke schade heeft geleden, die hij onder verwijzing naar de ANWB smartengeld gids nr. 93 en met een beroep op eigen schuld ad 25% begroot op Afl. 35.000,--.

3.3.2

Het eerst bij dupliek opgeworpen beroep van [gedaagde] op eigen schuld ad 25% aan de zijde van [eiseres], omdat zij ten tijde van het ongeval als passagier op een motorfiets geen helm zo hebben gedragen en aldus een deel (25%) van de schade het gevolg is van eigen schuld van [eiseres], blijft als zijnde tardief buiten beschouwing. [Eiseres] heeft immers niet kunnen reageren op de stelling van [gedaagde] dat [eiseres] ten tijde van het ongeval geen helm droeg. Daar komt bij dat uit de hiervoor vermelde feitelijkheden volgt dat de gevolgen van het ongeval grotendeels niet gerelateerd kunnen zijn aan het niet dragen van een helm.

3.3.3

Uit voormelde feitelijkheden in onderlinge samenhang en verbinding beschouwd volgt onmiskenbaar dat [eiseres] als gevolg van het door [gedaagde] veroorzaakte ongeval significant fysiek letsel heeft opgelopen als gevolg waarvan zij een langdurig en pijnvol proces van behandelingen en revalidatie heeft moeten ondergaan en daardoor even zolang levensgenot heeft moeten derven. Dat alles in ogenschouw nemende komt het Gerecht een door [gedaagde] te betalen vergoeding voor door [eiseres] geleden immateriële schade van Afl. 60.000,-- redelijk en billijk voor. In die zin zal de vordering onder a. bij nog te wijzen eindvonnis worden toegewezen.

3.4.1

Ter zake van de vordering onder b. wordt het volgende overwogen, waarbij voorop wordt gesteld dat naar het oordeel van het Gerecht de door [eiseres] uitgevoerde berekening van haar (gemiddeld) maandloon de meest zuivere is en daarom in aanmerking wordt genomen. Dat brengt mee dat vast komt te staan dat het bruto maandloon van [eiseres], die ten tijde van het ongeval als barbediende bij een Chinees restaurant in loondienst was, Afl. 1.799,20 bedroeg.

3.4.2 [

Eiseres] stelt dat zij per werkdag bij voormeld restaurant gemiddeld Afl. 50,-- aan fooi van klanten ontving. [Gedaagde] verweert zich te dezen, daartoe stellende dat anders dan aan tafel bedienend personeel, zoals kelners, worden aan barbediendes (en zeker in een Chinees restaurant) geen fooien gegeven. Het Gerecht volgt [gedaagde] niet in die stelling omdat naar het oordeel van het Gerecht het in Aruba algemeen bekend dat in Chinese bar-restaurants werkende bardames naast hun vaak wettelijk minimumloon (of niet veel meer dan dat) niet zelden fooi ontvangen van klanten die aan de bar drankjes drinken of afhaalmaaltijden komen ophalen. Nu [gedaagde] in het licht daarvan het voormeld door [Eiseres] gestelde bedrag aan fooi verder niet heeft bestreden, komt vast te staan dat [eiseres] per werkdag gemiddeld Afl. 50,-- aan fooi ontving van klanten, ofwel gemiddeld (6 x 50,-- =) Afl. 300,-- per week, ofwel gemiddeld (52 x 300,-- =) Afl. 15.600,-- per jaar, ofwel gemiddeld (15.600 : 12 =) Afl. 1.300,-- per maand.

3.4.3

In het licht van voormelde vaststaande bedragen aan loon en fooi en het gegeven dat [gedaagde] onder randnummer 12. van zijn conclusie van dupliek impliciet erkent dat [eiseres] in elk geval vanaf het ongeval tot en met december 2017 100% verlies aan arbeidsvermogen heeft geleden als gevolg van het ongeval kan het door [eiseres] geleden verlies aan arbeidsinkomen als gevolg van het ongeval over die periode worden vastgesteld als volgt:

-augustus 2011 tot en met december 2011:

(5 maanden x 1.799,20 =) Afl. 8.996,-- aan loonderving;

(5 maanden x 1.300,-- =) Afl. 6.500,-- aan fooiderving;

-januari 2012 tot en met december 2012:

(12 maanden x 1.799,20 =) Afl. 21.590,40 aan loonderving;

(12 maanden x 1.300,-- =) Afl. 15.600,-- aan fooiderving;

-januari 2013 tot en met december 2013:

(12 maanden x 1.799,20 =) Afl. 21.590,40 aan loonderving;

(12 maanden x 1.300,-- =) Afl. 15.600,-- aan fooiderving;

-januari 2014 tot en met december 2014:

(12 maanden x 1.799,20 =) Afl. 21.590,40 aan loonderving;

(12 maanden x 1.300,-- =) Afl. 15.600,-- aan fooiderving;

-januari 2015 tot en met december 2015:

(12 maanden x 1.799,20 =) Afl. 21.590,40 aan loonderving;

(12 maanden x 1.300,-- =) Afl. 15.600,-- aan fooiderving;

-januari 2016 tot en met december 2016:

(12 maanden x 1.799,20 =) Afl. 21.590,40 aan loonderving;

(12 maanden x 1.300,-- =) Afl. 15.600,-- aan fooiderving;

-januari 2017 tot en met december 2017:

(12 maanden x 1.799,20 =) Afl. 21.590,40 aan loonderving;

(12 maanden x 1.300,-- =) Afl. 15.600,-- aan fooiderving.

Dit alles levert een subtotaal op van Afl. 238.638,4‬0, op welk bedrag het totaal van het aan [eiseres] over voormelde periode aan ziekengeld vanwege de SVB ad Afl. 34.331,15 in mindering strekt. Aldus komt vast te staan dat [eiseres] over de periode vanaf het ongeval tot en met 31 december 2017 als gevolg van het ongeval (238.638,4‬0 minus 34.331,15 =) Afl. 204.307,25 aan inkomsten heeft gederfd. Die schade ligt reeds ver boven het door [eiseres] tot en met 2019 berekende en gevorderde bedrag ad Afl. 157.820,43, welke berekening naar het voorshandse oordeel van het Gerecht berust op een kennelijke misslag of vergissing. Partijen kunnen zich hierover bij na te melden akte uitlaten.

3.5.1

Ter zake van de vordering onder f. met betrekking tot de in deze procedure vast te stellen mogelijke door [gedaagde] aan [eiseres] te betalen vergoeding voor verlies van arbeidsinkomen gerekend vanaf 1 januari 2018 wordt het volgende overwogen. De al dan niet impliciete stelling van [eiseres], dat zij ook vanaf 1 januari 2018 tot en met haar AOV pensioengerechtigde leeftijd als gevolg van het ongeval niet in staat is om haar werkzaamheden als barbediende uit te voeren, heeft [gedaagde] voldoende gemotiveerd bestreden. Die stelling staat daarom niet vast, en overigens is gesteld noch gebleken dat [eiseres] geen andere inkomen generende werkzaamheden zou kunnen verrichten. Het is aan [eiseres] om door middel van daartoe aangewezen deskundigenonderzoeken en -berichten te bewijzen dat zij vanaf 1 januari 2018 voorgoed volledig arbeidsongeschikt is.

3.5.2

Dienaangaande dient naar het oordeel van het Gerecht ten eerste een daartoe gespecialiseerde verzekerings- of bedrijfsarts worden ingeschakeld ter beantwoording van de vraag of er als gevolg van het ongeval vanaf 1 januari 2018 sprake is van medisch objectief vast te stellen beperkingen in het functioneren van [eiseres], en - zo ja - wat die beperkingen precies zijn. Die vraag dient mede te worden beantwoord op grond van de door [eiseres] aan die verzekerings- of bedrijfsarts over te leggen volledige Colombiaanse en Arubaanse medische dossiers met betrekking tot [eiseres] over de periode van in elk geval juli 2011 tot met het door die arts uit te voeren onderzoek. Hierbij wordt nog overwogen dat een verslag of verklaring van een curatief behandelend orthopedisch chirurg tevens traumatoloog te dezen niet heeft te gelden als een deskundigenbericht, nu die specialismen niet zien op hetgeen waarin een verzekerings- of bedrijfsarts is gespecialiseerd, te weten het medisch objectief vaststellen van mogelijke beperkingen als gevolg van in dit geval het ongeval.

3.5.3

Vervolgens zullen de bevindingen van de verzekerings- of bedrijfsarts moeten worden voorgelegd aan een (register) arbeidsdeskundige. Die deskundige onderzoekt en bepaalt op grond van die bevindingen welke werkzaamheden [eiseres] eventueel nog kon verrichten vanaf 1 januari 2018 tot heden en vanaf heden nog kan verrichten.

3.5.4 [

Eiseres] heeft voorgesteld de in Curaçao gevestigde [naam geneeskundig specialist Arbeid- en Bedrijfsgeneeskunde], werkzaam als geneeskundig specialist Arbeid- en Bedrijfsgeneeskunde bij ARBO CONSULT, te dezen als deskundige te benoemen. Anders dan dat voorstel is het Gerecht om praktische redenen voornemens om het niet in het buitenland maar het hier te lande gevestigde bedrijf Medwork Caribbean N.V. (hierna: Medwork) als deskundige in te schakelen. Het Gerecht is er ambtshalve van op de hoogte dat aan dat bedrijf verzekerings- of bedrijfsartsen alsmede (register)arbeidsdeskundigen zijn verbonden. Volgens de griffier bij dit Gerecht heeft Medwork zich bereid verklaard bedoelde onderzoeken uit te voeren en heeft daarbij kenbaar gemaakt dat zij voor die onderzoeken en de daarover uit te brengen rapportages Afl. 3.250,-- als (in beginsel dekkend en in beginsel door [eiseres], als zijnde de bewijslastdragende partij, te betalen) voorschot wenst te ontvangen. Verder heeft Medwork kenbaar gemaakt dat de doorlooptijd met betrekking tot bedoelde onderzoeken normaal gesproken 6 weken bedraagt, maar dat dit onder de huidige COVID-19 omstandigheden langer kan duren omdat [eiseres] lichamelijk onderzocht moet worden, hetgeen eerst kan plaatsvinden zodra weer sprake is van een veilige situatie wat betreft het coronavirus.

3.5.5

Partijen worden in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het voornemen van dit Gerecht om Medwork als deskundige te benoemen voor het uitvoeren van bedoelde onderzoeken. Partijen kunnen - zo gewenst - in hun aktes ook mogelijke aan de deskundige(n) te stellen vragen formuleren en ter beoordeling voorleggen aan het Gerecht.

3.6.1

Ter zake van de vordering onder f. met betrekking tot vergoeding van de in deze procedure vast te stellen pensioenschade wordt het volgende overwogen. Per 1 januari 2012 geldt in Aruba de Landsverordening algemeen pensioen (hierna: Lvap), krachtens welke werknemers als [eiseres] (ten tijde van het ongeval) verplicht pensioenrechten opbouwen waarvan de verschuldigde premie tot de pensioenleeftijd van de werknemer volgens een wettelijke verdeelsleutel deels ten laste komt van de werknemer en deels ten laste komt van de werkgever. In dit verband heeft [eiseres] onbestreden gesteld dat zij op 17 november 2042 haar pensioengerechtigde leeftijd bereikt en dat de voor haar geldende gemiddelde leeftijd te Aruba 82 jaar bedraagt. In het licht van deze feitelijkheden is gesteld noch gebleken dat [eiseres] ten tijde van het ongeval pensioenrechten opbouwde bij haar toenmalige werkgever. Dat brengt mee dat het Gerecht uitgaat van het gegeven dat [eiseres] – het ongeval en de gevolgen daarvan wegdenkende - eerst per 1 januari 2012 zou zijn begonnen met de opbouw van pensioenrechten krachtens en overeenkomstig de Lvap, waarvoor zij naast haar werkgever ook zelf een deel van de premie zou moeten betalen.

3.6.2

Vast staat in dit verband in elk geval dat vanaf het ongeval tot en met december 2017 100% verlies aan arbeidsvermogen heeft geleden als gevolg van het ongeval (zie hiervoor rechtsoverweging 3.4.3 eerste volzin). Daaruit volgt dat in elk geval komt vast te staan dat [eiseres] als gevolg van het ongeval over de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2017 geen pensioenrechten krachtens de Lvap heeft kunnen opbouwen (maar ook geen premiebetalingen heeft moeten dragen). Het antwoord op de vraag of [eiseres] ook als gevolg van het ongeval na 31 december 2017 geen pensioenrechten heeft kunnen opbouwen krachtens de Lvap is geheel afhankelijk van de door een verzekerings- of bedrijfsarts en een (register) arbeidsdeskundige te verrichten onderzoeken ter beantwoording van de vraag welke werkzaamheden [eiseres] eventueel nog kon verrichten vanaf 1 januari 2018 tot heden en vanaf heden nog kan verrichten.

3.6.3

In afwachting van die onderzoeken en de daarover uit te brengen deskundigenberichten zal ook op dit onderdeel te zijner tijd een deskundige (actuaris) ingeschakeld moeten worden ter bepaling van wat de daadwerkelijke pensioenschade is van [eiseres], waarbij rekening gehouden dient te worden met (1) in elk geval het gegeven dat zij voordeel heeft genoten door geen verplichte pensioenpremies ingevolge de Lvap af te dragen en (2) mogelijk relevante op deze casus van toepassing zijnde andere pensioenverkeringswiskundige omstandigheden. Partijen kunnen zich bij de door hen te nemen aktes tevens uitlaten over de persoon van de deskundige die op dit punt benoemd zou kunnen worden.

3.7

In afwachting van de door partijen te nemen aktes, eerst [eiseres] en daarna [gedaagde], zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

4 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-stelt [eiseres] in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over hetgeen zij zich blijkens rechtsoverweging 3.4.3, 3.5.5 en 3.6.3 dient uit te laten;

-verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van woensdag 20 mei 2020 (P-1);

-stelt [gedaagde] vervolgens in de gelegenheid om zich bij antwoordakte uit te laten over de door [eiseres] genomen akte en over hetgeen hij zich blijkens rechtsoverweging 3.4.3, 3.5.5 en 3.6.3 dient uit te laten;

-verwijst de zaak daartoe naar een nader door de rolrechter te bepalen rolzitting (eveneens P-1);

-houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 22 april 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.