Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:134

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
15-04-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
AUA201803043
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Bedoelde beweerdelijk mededeling of toezegging van de Minister-President op grond waarvan OPPA meent dat die het Land jegens haar leden bindt moet worden gekwalificeerd als een door die minister verrichte privaatrechtelijke rechtshandeling met een geldelijk belang. Nietig. Niet valt in te zien dat dienende ambtenaren en overheidsgepensioneerden wat betreft rechtspositionele regelingen gelijke gevallen betreft die gelijk moeten worden behandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 15 april 2020

Behorend bij A.R. no. AUA201803043

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

ORGANISACION DI PENSIONADONAN PUBLICO ARUBANO,

gevestigd in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: OPPA,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET LAND ARUBA,

zetelend in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: het Land,

gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ).

1 HET PROCESVERLOOP

1.1

Het procesverloop blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de conclusie van antwoord, met producties;

-de conclusie van repliek, met producties;

-de conclusie van dupliek, met één productie;

-de door OPPA genomen akte uitlating productie.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

OPPA verzoekt dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a. voor recht verklaart dat het Land gebonden is aan de mededeling gedaan door de Minister-President van Aruba op 17 augustus 2017 dat de indexering van Afl. 85,-- per maand ingaande 1 januari 2013 ook voor de gepensioneerde ambtenaren zou gelden; althans

b. voor recht verklaart dat het Land in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel door de indexering van Afl. 85,-- per maand ingaande 1 januari 2013 niet aan de gepensioneerde ambtenaren toe te kennen; althans

c. voor recht verklaart dat de toelagen en verhogingen die aan de ambtenaren worden toegekend door de handelwijze van het Land door de jaren heen onderdeel zijn geworden van het (te verwachten) pensioen van de leden van OPPA en daardoor onder de bescherming vallen van het Eerste Protocol van het EVRM;

d. het Land beveelt om aan de leden van OPPA gerekend vanaf 1 januari 2013 uit te betalen de per die datum aan in dienst van het Land zijnde ambtenaren bij wijze van indexering toegekende salarisverhoging van maandelijks Afl. 85,--;

e. het Land veroordeelt in de proceskosten.

2.2

Het Land voert verweer en concludeert dat OPPA niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte, althans tot afwijzing daarvan, kosten rechtens.

2.3

Voor zover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Er zijn gronden gesteld noch gebleken waaruit volgt dat OPPA niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte. Het ontvankelijkheidsverweer van het Land wordt daarom verworpen.

3.2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.

3.2.2

OPPA is een vereniging die de belangen behartigt van overheidsgepensioneerden, en als zodanig vertegenwoordigt zij haar leden in en buiten rechte.

3.2.3

Bij Landsbesluit houdende algemene maatregelen van 4 mei 2005 ter uitvoering van artikel 28 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: Lb-1) heeft het Land besloten om in verband met het uitblijven van indexering van de salarissen van ambtenaren met ingang van 2005 in januari van elk jaar een toeslag ad Afl. 500,-- uit te keren aan ambtenaren ter compensatie van het koopkrachtverlies.

3.2.4

Hoewel Lb-1 daar niet in voorziet heeft het Land bij Protocol van 25 april 2008 ingestemd om het restant van de inhaalmanoeuvre en de koopkrachtverliescompensatie ook aan de overheidsgepensioneerden uit te betalen, hetgeen sindsdien steeds gebeurde.

3.2.5

De krachtens Lb-1 aan ambtenaren toegekende toeslag is onder intrekking van Lb-1 bij Landsbesluit van 29 juni 2009 (hierna: Lb-2) gewijzigd in een aan ambtenaren uit te keren voorjaarstoeslag en een najaarstoeslag. De jaarlijkse voorjaarstoeslag bedraagt Afl. 884,--, en wordt telkens gelijktijdig uitgekeerd met het ambtenarensalaris van januari. De jaarlijkse najaarstoeslagen worden telkens gelijktijdig uitgekeerd met het ambtenarensalaris over november en bedragen als volgt:

-de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 Afl. 480,--;

-de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 Afl. 736,--;

-de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 Afl. 896,--;

-de periode van 1 januari 2205 tot en met 31 december 2008 Afl. 1.250,--;

3.2.6

Hoewel Lb-2 daar niet in voorziet werden de bij dat Landbesluit aan ambtenaren toegekende toeslagen ook telkens uitgekeerd aan overheidsgepensioneerden.

3.2.7

Het Bilateraal Akkoord tussen de regering en de vakbonden in de publieke sector (te weten FTA, SEPPA, SADA, SIMAR, SINBA, SPA, STA en SCCA) van 21 december 2012 vermeldt met betrekking tot dienstdoende ambtenaren onder meer het volgende:

“(…).

Overwegende

(…).

dat de regering en de vakbonden in de publieke sector reeds in het bilateraal akkoord van 27 augustus 2010 ter compensatie van het verlies aan koopkracht hebben bepaald dat:

a. de bezoldiging met ingang van 1 januari 2011 met een bedrag ter grootte van Afl. 105,-- is verhoogd;

b. de eenmalige ‘Voorjaarspremie’ met ingang van 1 januari 2011 is verhoogd van Afl. 884,-- naar Afl. 1.000,--;

c. het eenmalige in de maand november uit te keren ‘Gelijk Bedrag’ meet ingang van 1 januari 2011 is verhoogd van Afl. 1.250,-- naar Afl. 1.350,--;

dat de regering en de vakbonden in de publieke sector reeds in het bilateraal akkoord van 27 augustus 2010 ter compensatie van het verlies aan koopkracht hebben bepaald dat:

a. de bezoldiging met ingang van 1 januari 2012 met een bedrag ter grootte van Afl. 140,-- is verhoogd ter compensatie van het verlies aan koopkracht over de periode 1 september 2007 tot en met 31 augustus 2011;

b. de eenmalige ‘voorjaarspremie’ met ingang van 1 januari 2011 is verhoogd van Afl. 1.000,-- naar Afl. 1.350,--;

(…);

het volgende is overeengekomen:

1. dat het Land, ter compensatie van het verlies aan koopkracht over de periode van 1 september 2011 tot en met 31 augustus 2012, de bezoldiging met ingang van 1 januari 2013 wederom verhoogt, en wel met een bedrag van Afl. 85,-- per maand;

2. dat het Land, ter compensatie van het restant aan koopkrachtverlies over de jaren 2002 t/m 2007, met ingang van 1 januari 2013 de eenmalig in de maand januari uit te keren voorjaarspremie, de Bashi -premie, verhoogt van Afl. 1.350,-- naar Afl. 1.500,--;

3. dat het Land, ter compensatie van het restant aan koopkrachtverlies over de jaren 2002 t/m 2007, met ingang van 1 januari 2013 de eenmalig in de maand november uit te keren najaarspremie, het Gelijk Bedrag, verhoogt van Afl. 1.350,-- naar

Afl. 1.500,--;

(…).”.

3.2.8

Bij brief van 20 april 2017 heeft de minister van Financiën van Aruba OPPA onder meer het volgende te kennen gegeven:

(…).

In uw schrijven van 7 februari 2017 verzoekt u, namens de leden van de OPPA, om een vergadering met ondergetekende.

Agendapunt is de vraag, waarom de destijds toegekende verhoging wegens indexering ten bedrage van Afl. 85,-- tot heden niet aan overheidsgepensioneerden is toegekend.

Zoals u zelve opmerkt, rept het onderhavig Bilateraal Akkoord van 21 december 2012 over het per 1 januari 2013 verhogen van de bezoldiging van de ambtenaren en gelijkgestelden met een bedrag van Afl. 85,=.

In genoemd Bilateraal Akkoord wordt de verhoging niet toegekend aan overheidsgepensioneerden en derhalve is er geen rechtsgrond voor het toekennen van genoemde verhoging aan uw leden. Uit dien hoofde bestaat derhalve geen aanspraak.

(…).”.

3.2.9

Het aan de minister van Financiën uitgebrachte schriftelijke advies van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken van 2 juni 2017 vermeldt onder meer het volgende:

“(…).

Conclusie en advies

1. Er is geen wettelijke grondslag om het gelijk bedrag en de bashi-premie aan de overheidsgepensioneerden uit te betalen. Beëindiging van het dienstverband in verband met pensionering leidt tevens tot beëindiging van in ieder geval het recht op het gelijk bedrag en de bashi-premie die gedurende het dienstverband uitgekeerd hadden moeten worden.

2. Nu de rechtspositionele aangelegenheden van ambtenaren, conform de huidige wettelijke systematiek, nog altijd eenzijdig bij wet wordt vastgelegd, hetgeen bij het gelijk bedrag en de bashi-premie ook is gebeurd door middel van het Landsbesluit compensatietoelagen overheidspersoneel, had het in de rede gelegen dat ook de uitbetaling van het gelijk bedrag en de bashi-premie aan overheidsgepensioneerden was voorzien van een wettelijke basis. Dit is echter nimmer gebeurd.

De uitbetaling van het gelijk bedrag en de bashi-premie kan dan ook worden beschouwd als een vorm van een gunstgave aan de betrokken overheidsgepensioneerden waarvoor geen wettelijke grondslag bestaat. Het staat de overheid dan ook in beginsel vrij om deze - rekening houdende met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te beëindigen.

(…).

4. Het gelijk bedrag, de bashi-premie of andere incidentele uitkering in het kader van koopkrachtverliescompensatie vormen geen onderdeel van het pensioengevende loon. Hierdoor vallen zij niet onder het begrip eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.

5. Op grond van de overgelegde stukken blijkt dat de vereniging van overheidsgepensioneerden OPPA op de hoogte is gesteld van het voornemen en het daaropvolgende besluit van de regering om de uitbetaling van het gelijk bedrag en de bashi-premie aan overheidsgepensioneerden met ingang van 1 januari 2015 stop te zetten. (…).

(…).”.

3.3.1

In het licht van voormelde feitelijkheden stelt OPPA dat het Land gebonden is aan de toezegging of mededeling van de Minister-President van Aruba van 17 augustus 2017 dat de aan de dienende ambtenaren met ingang van 1 januari 2013 toegekende verhoging van hun bezoldiging in het kader van koopkrachtverlies met maandelijks Afl. 85,-- ook voor overheidsgepensioneerden zal gelden. Die door het Land bestreden stelling mist voldoende feitelijke grondslag en wordt reeds daarom gepasseerd. Indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de Minister-President die mededeling of toezegging heeft gedaan aan OPPA, heeft immers te gelden dat niet is gesteld dat die minister de te dezen bevoegde minister is. Dit klemt temeer omdat het derde lid van artikel 31 sub b. van de Comptabiliteitsverordening onder meer bepaalt dat nietig is iedere door een minister namens het Land verrichte rechtshandeling die rechtsgevolgen heeft op een gebied waarvoor de desbetreffende minister ingevolge de Landsverordening instelling ministeries geen verantwoordelijkheid draagt. Daar komt het volgende nog bij.

3.3.2

Bedoelde beweerdelijk mededeling of toezegging van de Minister-President op grond waarvan OPPA meent dat die het Land jegens haar leden bindt moet worden gekwalificeerd als een door die minister verrichte privaatrechtelijke rechtshandeling met een geldelijk belang. Het eerste lid van artikel 23 van de Comptabiliteitsverordening luidt voorzover thans van belang: “Op straffe van nietigheid blijkt uit geschrifte van het door een minister verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling met een geldelijk belang.”. Gesteld noch is gebleken dat sprake is van een dergelijk geschrift, bij welke stand van zaken de beweerdelijke rechtshandeling van de Minister-President als nietig heeft te gelden.

3.3.3

Vorenstaande brengt reeds mee dat de hiervoor onder a. vermelde vordering van OPPA zal worden afgewezen, en dat alle overige stellingen van partijen op dit punt, wat van de inhoud daarvan ook zijn, onbesproken kunnen blijven.

3.4

De subsidiaire vordering onder b. zal worden afgewezen reeds omdat zonder nadere doch ontbrekende uitleg niet valt in te zien dat dienende ambtenaren en overheidsgepensioneerden wat betreft rechtspositionele regelingen gelijke gevallen betreft die gelijk moeten worden behandeld.

3.5.1

Ter zake van de meer subsidiaire vordering onder c. wordt het volgende overwogen. Als grondslag voor die vordering stelt OPPA dat de toelagen en verhogingen van bezoldiging die aan de ambtenaren zijn/worden toegekend in verband met koopkrachtverliescompensatie door de handelwijze van het Land door de jaren heen onderdeel zijn geworden van het (te verwachten) pensioen van de leden van OPPA, en daarom of daardoor onder de bescherming vallen van het Eerste Protocol van het EVRM. Het Gerecht volgt OPPA niet in die door het Land bestreden stelling, en dat om het navolgende.

3.5.2

Het hiervoor onder 3.2.9 geciteerde aan de minister van Financiën uitgebrachte schriftelijke advies van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken van 2 juni 2017 vermeldt onder meer dat het aan dienende ambtenaren te betalen gelijk bedrag, de bashi-premie of enige andere incidentele uitkering in het kader van koopkrachtverliescompensatie geen onderdeel vormen van het pensioengevende loon van ambtenaren. OPPA heeft de juistheid van dat advies, waarop het Land zich beroept, niet bestreden. Vast komt daarom te staan dat alle toe(s)lagen en verhogingen van bezoldiging die door de jaren heen in het kader van koopkrachtverliescompensatie zijn toegekend aan dienende ambtenaren geen onderdeel vormen van hun pensioengevende loon. Die toe(s)lagen en verhogingen kunnen daarom geen onderdeel zijn geworden van het (te verwachten) pensioen van de leden van OPPA, met als gevolg dat de stelling van OPPA dat bedoelde toe(s)lagen en verhogingen onder de bescherming vallen van het op eigendomsrechten ziende Eerste Protocol van het EVRM feitelijke grondslag mist. Die stelling wordt daarom gepasseerd.

3.5.3

Vorenstaande brengt mee dat de vordering onder c. eveneens zal worden afgewezen. Dat en de omstandigheid dat ook de vorderingen onder a. en b. zullen worden afgewezen, betekent dat er geen grond bestaat voor toewijzing voor het door OPPA onder d. verzochte. Die vordering zal daarom worden afgewezen.

3.6

OPPA zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van het Land, tot aan deze uitspraak begroot op nihil omdat het Land in deze procedure werd vertegenwoordigd door een in zijn dienst zijnde ambtenaar.

4 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-wijst af het door OPPA verzochte;

-veroordeelt OPPA in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van het Land, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 15 april 2020 in aanwezigheid van de griffier.