Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:131

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
15-04-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
AUA201701640
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurovereenkomst. Haviltex. Artikel 1:88 lid 1 sub c BW. Artikel 1:88 lid 4 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 15 april 2020

Behorend bij A.R. nr. AUA201701640

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

HORIZON PROPERTIES CORPORATION N.V.,

gevestigd in Aruba,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna ook te noemen: Horizon,

gemachtigde: de advocaat mr. R.L.F. Dijkhoff,

tegen:

[GEDAAGDE],

wonende in Aruba,

gedaagde in conventie, eiser is reconventie,

hierna ook te noemen: [Gedaagde],

gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 februari 2019;

- de comparitie van partijen op 5 maart 2019, waarbij zijn verschenen Horizon bij haar gemachtigde voornoemd en [Gedaagde] in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde;

- de akte van [Gedaagde] van 3 april 2019;

- de akte uitlating producties en akte vermeerdering van eis van Horizon van 5 juni 2019;

- het pleidooi op 6 januari 2020, waarbij zijn verschenen Horizon bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, alsmede de heer [Naam directeur] in persoon (directeur), en [Gedaagde] bij zijn gemachtigde voornoemd;

- de pleitaantekeningen van partijen van 6 januari 2020.

1.2

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Met ingang van 1 maart 2012 is een lease agreement tot stand gekomen tussen Horizon en [Naam Directeur] onder Hoofdvestiging Rasberry International N.V. (hierna: Rasberry) voor de duur van vijf jaar ten behoeve van een bedrijfsruimte gelegen te L.G. Smith Boulevard nr. 146, in Aruba (hierna: de huurovereenkomst). De huurprijs bedroeg in beginsel een bedrag van Afl. 4.500,- per maand en liep gedurende de jaren op tot een bedrag van Afl. 7.000,- per maand.

2.2

In de huurovereenkomst staat, voor zover van belang:

A. The undersigned Horizon Properties Corporation N.V., doing business under the name of Horizon Properties Corporation N.V. established in Aruba (…), for this transaction legally represented by Sim Yee Cha, residing at the L.G. Smith Boulevard # 150, hereinafter to be called “the Landlord”

and

B. [Naam Directeur] onder Hoofdvestiging Rasberry International N.V. for this transaction legally represented by [Gedaagde], residing at Cumana 99-C (…) hereinafter to be called “the Tenant”

(…)

SURRENDER OF PREMISES AT END OF TERM

30. (…)

Any property not so removed will be deemed to have been abandoned by Tenant, and may be retained or disposed of by the Landlord as Landlord will desire.

(…)

The undersigned tenant, [Gedaagde], , is personally responsable for the execution and all effects of the present agreement. Any violation of above lease agreement shall be deemed non-compliance of the lease and the lease shall be terminated.

Thus agreed upon and signed in duplicate at Oranjestad, Aruba on…......, 2012

Sim Yee Cha [Gedaagde]

Horizon Properties Corporation N.V. [Directeur]

Landlord Tenant ”.

2.3

Bij brief van 14 november 2016 is [Gedaagde] door Horizon gesommeerd om de achterstallige huurpenningen van Afl. 85.426,76 binnen een termijn van zeven dagen te voldoen, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten, wettelijke rente en advocaatkosten.

2.4

Bij akte van 3 juli 2017 heeft Rasberry haar vordering op Horizon, met betrekking tot vergoeding van de door Rasberry geleden en nog te lijden schade uit hoofde van de door Horizon in of omstreeks de eerste helft van 2014 uit het door Rasberry gehuurde bedrijfsruimte verwijderd en verduisterd plafonds en airco’s, welke eigendom waren van Rasberry, gecedeerd aan [Gedaagde].

2.5

Bij brief van 11 september 2017 bericht de gemachtigde van de echtgenote van [Gedaagde] dat zij de huurovereenkomst tussen Horizon en Rasberry buitengerechtelijk heeft vernietigd op grond van artikel 1:88 lid 1 sub c jo. artikel 1:89 lid 1 BW.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

in conventie

3.1

Horizon vordert na vermeerdering van eis dat het Gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- [ Gedaagde] veroordeelt om, binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, aan Horizon te betalen een bedrag van Afl. 85.426,76, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2014 tot de dag der algehele voldoening zijnde een bedrag van Afl. 6.448,64, alsmede de buitengerechtelijke incassokosten van 15% zijnde een bedrag van Afl. 12.814,01,

- [ Gedaagde] de door hem begane onrechtmatige daad toerekent, alsmede hem veroordeelt om aan Horizon te betalen een bedrag gelijk aan de door haar geleden schade in de vorm van ontgane huurpenningen ten gevolge van het onrechtmatig handelen van [Gedaagde] bij het aangaan de van huurovereenkomst in de maand maart 2012, vermeerderd met de wettelijke rente,

- [ Gedaagde] veroordeelt tot betaling van de proceskosten.

3.2 [

Gedaagde] voert verweer en verzoekt het gerecht om Horizon niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering althans deze af te wijzen en met veroordeling van Horizon tot betaling van de proceskosten.

in reconventie

3.3 [

Gedaagde] vordert dat het gerecht voor recht verklaart dat Horizon naar aanleiding van het feitencomplex onrechtmatig heeft gehandeld jegens Rasberry als gevolg waarvan zij schadeplichtig is, Horizon veroordeelt om aan [Gedaagde] te betalen een schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente over dit schadebedrag vanaf 1 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling van Horizon tot betaling van de proceskosten.

3.4

Horizon voert verweer, dat bij de beoordeling aan de orde komt.

4 DE BEOORDELING

in conventie

4.1

Aan de orde is allereerst de vraag of [Gedaagde] is gehouden de achterstallige huurpenningen te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten.

4.2 [

Gedaagde] voert als primair verweer aan dat hij geen partij is bij de huurovereenkomst en om die reden niet kan worden gehouden de door Rasberry aan Horizon verschuldigde huurschuld te voldoen. Volgens [Gedaagde] dient de laatste alinea in de huurovereenkomst, waar Horizon een beroep op doet, zo te worden uitgelegd dat [Gedaagde] persoonlijk verantwoordelijk is voor de uitvoering van de huurovereenkomst, maar niet dat hij persoonlijk aansprakelijk is voor de huurschuld die Rasberry heeft opgebouwd. Dit verweer wordt verworpen. Volgens vaste jurisprudentie geldt bij de uitleg van overeenkomsten dat, ook indien groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van gekozen bewoordingen, de overige omstandigheden van het geval steeds kunnen meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de huurovereenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft aldus de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenaamde Haviltex-maatstaf).

4.3

In de bewoording van de laatste alinea van de huurovereenkomst leest het Gerecht, zoals Horizon terecht stelt, dat [Gedaagde] zich persoonlijk garant heeft gesteld voor de verplichtingen en de gevolgen voorvloeiende uit de huurovereenkomst. Dat dit de bedoeling was van partijen blijkt uit de begrippen “personally” en “effects” die staan opgenomen in diezelfde alinea van de huurovereenkomst. In het onderhavige geval gaat het om een huurovereenkomst die door professionele partijen tot stand is gekomen. In dat geval komt meer gewicht toe aan de tekst van de bepaling. Met de begrippen “personally” en “effects” wordt bedoeld “particulier” of “individueel” respectievelijk “consequenties” en “resultaat”. Deze termen duiden er – naar het oordeel van het Gerecht - op dat het de bedoeling was van partijen dat [Gedaagde] zich persoonlijk borg stelt voor de verplichtingen en de gevolgen voortvloeiende uit de huurovereenkomst.

4.4

Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van het Gerecht dat behalve Rasberry ook [Gedaagde] door Horizon aansprakelijk kan worden gesteld voor de achterstallige huurpenningen.

4.5

Als subsidiair verweer voert [Gedaagde] aan dat zijn echtgenote bij akte van 11 september 2017 de huurovereenkomst heeft vernietigd en – naar het Gerecht begrijpt – Horizon daardoor [Gedaagde] niet aan de daaruit voorvloeiende betalingsverplichtingen kan houden. Ter onderbouwing van zijn verweer stelt [Gedaagde] dat op grond van artikel 1:188 lid 1 sub c BW de toestemming van zijn echtgenote was vereist voor het aangaan van de huurovereenkomst met Horizon en dat hij haar toestemming ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst niet had.

4.6

Artikel 1:188 lid 1 sub c BW bepaalt dat een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot nodig heeft, voor onder meer, het aangaan van overeenkomsten, die ertoe strekken dat hij anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van de derde verbindt. De Hoge Raad heeft geoordeeld (HR 14 april 2000, NJ 2000, 689) dat de bedoeling van de wetgever klaarblijkelijk is dat de toestemming van de andere echtgenoot alleen dan niet is vereist indien de rechtshandeling waarvoor de borgstelling wordt verleend, zelf behoort tot de rechtshandelingen die in de normale uitoefening van het bedrijf plegen te worden verricht. Met die 'handeling zelf' verwijst de Hoge Raad (HR 8 juli 2005, NJ 2006, 96) niet naar de borgstelling, maar naar de rechtshandeling waarvoor de borgtocht is verstrekt.

4.7

Het Gerecht is met Horizon van oordeel dat de verplichte toestemming van de echtgenote van [Gedaagde] op grond van artikel 1:88 lid 1 sub c BW in het onderhavige geval niet was vereist voor het aangaan van de overeenkomst. Het aangaan van een huurovereenkomst is naar het oordeel van het Gerecht een handeling die past in de normale uitoefening van het bedrijf van Rasberry, alwaar [Gedaagde] de directeur van is. De huurovereenkomst is aangegaan zodat Rasberry een bedrijfsruimte had waarin haar bedrijfsvoering kon plaatsvinden. Anders dan [Gedaagde] stelt zijn de vereisten opgenomen in artikel 1:88 lid 4 BW geen constitutieve vereisten ten opzichte van artikel 1:88 lid 1 sub c BW. Op lid 4 van artikel 1:88 BW kan slechts een beroep worden gedaan indien de toestemming op grond van lid 1 sub c van artikel 1:88 BW wel vereist is.

4.8

Gelet op het voorgaande constateert het Gerecht dat het beroep van [Gedaagde] op vernietigbaarheid van de huurovereenkomst faalt. Om deze reden kunnen de overige stellingen van [Gedaagde] met betrekking tot artikel 1:88 lid 4 BW en de stellingen van Horizon omtrent het onrechtmatig handelen van [Gedaagde] ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst, onbesproken blijven.

4.9

Tot slot voert [Gedaagde] verweer tegen de hoogte van de huurschuld. Om de hoogte van de huurschuld te bepalen dient de datum van de beëindiging van de huurovereenkomst te worden bepaald.

4.10 [

Gedaagde] stelt dat de huurovereenkomst op 30 december 2013 tot een einde is gekomen en dat de hoogte van de huurschuld op die datum Afl. 52.834,76 bedroeg. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst [Gedaagde] naar de factuur van 29 januari 2014 die hij bij conclusie van antwoord als productie 1 heeft overgelegd. Daartegenover stelt Horizon dat de huurovereenkomst op 31 mei 2014 tot een einde is gekomen en de huurschuld op die datum Afl. 85.426,76 bedroeg. Ook Horizon verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar een factuur die door haar is overgelegd als productie 2 van het inleidend verzoekschrift. Horizon voert aan dat het bedrag van Afl. 85.426,76 bestaat uit achterstallige huurpenningen die Rasberry over de periode van 24 december 2012 tot en met 31 mei 2014 onbetaald heeft gelaten.

4.11

Vast staat tussen partijen dat de huurovereenkomst nimmer is opgezegd of ontbonden. De huurovereenkomst kan door tijdsverloop zijn beëindigd. Om in dit geval het einde van de huurovereenkomst te bepalen, dient naar het oordeel van het Gerecht als indicatie te gelden de datum waarop de spullen van Rasberry uit de bedrijfsruimte zijn gehaald. Tussen partijen is niet in geschil dat de spullen van Rasberry tot halverwege juli 2014 in de bedrijfsruimte stonden en dat deze spullen hierna door Horizon zijn verwijderd in verband met een nieuwe huurder. [Gedaagde] heeft dit tijdens de comparitie op 1 november 2017 bevestigd. Een en ander geeft voldoende aanleiding om aan te nemen dat de huurovereenkomst in juli 2014, anders dan [Gedaagde] stelt, is beëindigd. Nu Horizon heeft gevorderd om [Gedaagde] te veroordelen tot betaling van de huurschuld tot 31 mei 2014 (zijnde een datum die ligt voor de datum van beëindiging van de huurovereenkomst) is deze voor toewijzing vatbaar.

4.12

De slotsom is dat geen van de verweren van [Gedaagde] slagen en dat de vordering van Horizon toewijsbaar is. [Gedaagde] zal worden veroordeeld om aan Horizon te betalen een bedrag van Afl. 85.426,76. Nu de hoofdvordering van Horizon zal worden toegewezen heeft Horizon geen belang meer bij zijn vordering zoals verzocht bij zijn vermeerdering van eis en zal deze onbesproken blijven.

4.13

De verzochte wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift, daar niet is gesteld op grond waarvan Horizon met ingang van 18 juli 2014 aanspraak op die rente zou kunnen maken.

4.14

De buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen conform het nieuwe procesreglement (naar rato van 1,5 punt van het liquidatietarief 6 van het procesreglement 2018).

4.15

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [Gedaagde] in de proceskosten van Horizon worden veroordeeld.

in reconventie

4.16 [

Gedaagde] stelt dat hij de bedrijfsruimte heeft verlaten en dat hij met Horizon schriftelijk heeft afgesproken dat hij de spullen in de bedrijfsruimte mocht achterlaten om te bezien of de nieuwe huurder deze spullen zou willen overnemen. Door de spullen te verwijderen heeft Horizon volgens [Gedaagde] onrechtmatig gehandeld en heeft hij schade opgelopen. Deze stelling is nimmer door [Gedaagde] met stukken onderbouwd en komt, gelet op de betwisting van Horizon, niet vast te staan. Uit artikel 30 van de huurovereenkomst blijkt dat partijen hebben afgesproken dat indien de huurder spullen in de bedrijfsruimte achterlaat dat de verhuurder deze spullen als verlaten kan beschouwen. De vordering van [Gedaagde] tot schadevergoeding van achtergelaten spullen in de bedrijfsruimte dient op grond van artikel 30 van de huurovereenkomst te worden afgewezen.

4.17

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [Gedaagde] in de proceskosten van Horizon worden veroordeeld.

5 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

in conventie

- veroordeelt [Gedaagde] tot betaling aan Horizon van een bedrag van Afl. 85.426,76, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 april 2017 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad Afl. 2.250,-;

- veroordeelt [Gedaagde] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van Horizon worden begroot op Afl. 850,- aan griffierecht, Afl. 203,44 aan explootkosten en Afl. 3.000,- aan salaris van de gemachtigde (naar rato van 2 punten van het liquidatietarief 6 van het procesreglement 2018);

- verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af:

in reconventie

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [Gedaagde] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van Horizon worden begroot op Afl. 3.000,- aan salaris van de gemachtigde (naar rato van 2 punten van het liquidatietarief 6 van het procesreglement 2018).

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Verheijen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag, 15 april 2020 in aanwezigheid van de griffier.