Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:129

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
AUA2019000829
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

personen- en familierecht, gezamenlijk gezag en omgang vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 14 april 2020

Behorend bij EJ nr. AUA201900829

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

op het verzoek van

[verzoeker] ,

wonende in Aruba,

VERZOEKER, hierna de vader,

gemachtigde: de advocaat mr. G.L. Griffith,

tegen

[verweerster] ,

wonende in Aruba,

VERWEERSTER, hierna de moeder,

gemachtigde: de advocaat mr. S. Paesch.

Belanghebbende:

[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] in Aruba,

de minderjarige.

1 DE PROCEDURE

1.1

De procedure blijkt uit de beschikking van 14 mei 2019, waarbij een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige is vastgesteld, en de Voogdijraad is verzocht om onderzoek in te stellen ter beantwoording van de vraag of in dit geval voor de minderjarige een onaanvaardbaar risico bestaat dat hij klem of verloren zou raken tussen de ouders, indien zij het gezag gezamenlijk zouden uitoefenen, alsmede de vragen welke hoofdverblijfplaats in het belang van de minderjarige wordt geacht en op welke wijze invulling dient te worden gegeven aan het omgangsrecht van de ouder bij wie de minderjarige de gewone verblijfplaats niet zal hebben.

1.2

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    Het rapport van de Voogdijraad van 26 november 2010,

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting met gesloten deuren van 14 januari 2020, waar zijn verschenen partijen in persoon en bijgestaan door hun gemachtigden voornoemd, en de raadsonderzoeker van de Voogdijraad, mevrouw [naam raadsonderzoeker].

2 OVERWEGINGEN

Gezag

2.1

Bij de beoordeling van het verzoek van de vader om gezamenlijk met de moeder belast te worden met het gezag over de minderjarige, neemt het gerecht het volgende in aanmerking.

2.2

De Voogdijraad heeft in zijn rapport van 26 november 2019 naar aanleiding van het onderzoek, het volgende vermeld.

De ouders zijn in staat met elkaar te communiceren over de minderjarige. De vader wenst meer betrokkenheid in het leven van de minderjarige en de minderjarige wenst regelmatig contact en omgang met de vader. De moeder is hierin een belemmerende factor.

Uit het psychologisch onderzoek volgt dat de klachten die moeder uit tegen vader, te maken hebben met haar relatie met de vader in het verleden, en dat zij niet openstaat voor het stimuleren of verbeteren van de situatie. Zij ziet niet in dat haar houding ervoor zorgt dat de minderjarige in een loyaliteitsconflict zit. De minderjarige heeft een goede en affectieve relatie met beide ouders, maar hij heeft de indruk dat hij tussen beiden moet kiezen, en door de loyaliteit en overgenomen preoccupaties van de moeder, voelt hij zich genoodzaakt de relatie met de vader aan de kant te zetten.

De Voogdijraad heeft geadviseerd om de vader gezamenlijk met de moeder te belasten met het gezag over de minderjarige, ter garandering dat de vader betrokken blijft in het leven/opvoeding van de minderjarige.

2.3

Het ouderlijk gezag omvat op grond van artikel 1:247 BW de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind, en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Het ouderlijk gezag brengt een aantal bevoegdheden met zich die nodig zijn voor de in voormeld kader te nemen beslissingen, waarbij gedacht moet worden aan zaken als de schoolkeuze, medische behandelingen of levensbeschouwelijke aangelegenheden. In geval van gezamenlijk gezag dienen dergelijke beslissingen tezamen met de andere gezaghebbende ouder te worden genomen. Voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag is dan ook vereist, dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen en wel zodanig dat het kind niet klem of verloren zal raken tussen de ouders.

In het geval dat de ouders niet (meer) samenleven en niet of moeizaam communiceren, kan dat zelfs betekenen dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven of de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, in ieder geval in staat zijn het kind buiten die strijd te houden.1

2.4

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van het gerecht niet gebleken dat er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders, dan wel dat het afwijzen van het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met de moeder met het gezag te belasten anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

Weliswaar is gebleken dat de communicatie tussen partijen nog steeds niet optimaal is, doch dit brengt niet zonder meer mee dat in het belang van de minderjarige het verzoek van de vader om gezamenlijke gezagsuitoefening dient te worden afgewezen. Dit volgt ook geenszins uit het advies van de psycholoog van de Voogdijraad.

Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat de ouders -kennelijk- in staat zijn om met elkaar te communiceren omtrent zaken die de minderjarige aangaan. Het gerecht acht de ouders geschikt en in staat de minderjarige naar behoren te verzorgen en op te voeden. Voorts worden zij in staat geacht om zodanig met elkaar te communiceren dat zij tot onderlinge afspraken kunnen komen over de situaties die zich rond de minderjarige kunnen voordoen. Van de ouders mag verwacht worden dat zij zich daarvoor zullen inzetten en het gerecht acht hen daartoe in staat.

2.5

In het belang van de minderjarige zal het gerecht daarom de ouders gezamenlijk belasten met het gezag over hem.

Hoofdverblijfplaats en omgang

2.6

Wat betreft de vraag bij welke ouder de hoofdverblijfplaats in het belang van de minderjarige moet worden bepaald, overweegt het gerecht het volgende.

Uit het advies van de Voogdijraad volgt, dat de minderjarige het liefst bij de moeder wil (blijven) wonen. Bij de vader deelt hij een slaapkamer met de zoon van de partner van vader, en dat vindt hij niet prettig. De Voogdijraad heeft geadviseerd om de minderjarige in zijn vertrouwde omgeving te laten, omdat er geen reden is om hierin verandering te brengen.

2.7

Gelet hierop, op hetgeen de minderjarige tijdens het minderjarigenverhoor te kennen heeft gegeven en op hetgeen partijen ter zitting naar voren hebben gebracht, ziet het gerecht aanleiding om het hoofdverblijf van de minderjarige te bepalen bij de moeder.

2.8

Wat betreft het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen, overweegt het gerecht als volgt.

Het is in het algemeen in het belang van een kind te achten, dat het contact heeft met de niet-verzorgende ouder. In beginsel hebben beiden ook recht op omgang met elkaar, tenzij zwaarwegende belangen van het kind zich daartegen verzetten. Van dergelijke zwaarwegende belangen is in deze niet gebleken.

Verder geldt dat, vooral bij jonge kinderen zoals in dit geval, de verantwoordelijkheid voor een omgangsregeling tussen het kind en de niet-verzorgende ouder, primair bij de verzorgende ouder ligt.

Dat betekent in dit geval dat de moeder, in het belang van de minderjarige, hem door haar houding, steun, vertrouwen en toestemming dient te geven voor een omgangsregeling met de vader. Aan de andere kant bestaat voor de niet-verzorgende ouder, in dit geval de vader, de verplichting om zich aan de vastgestelde omgangsregeling te houden.

2.9

De Voogdijraad heeft een voorstel gedaan, met inachtneming van de wensen van de minderjarige, voor een omgangsregeling. Uit het rapport en uit het gesprek met de minderjarige is af te leiden, dat de minderjarige doordeweeks zelf wil bepalen wanneer hij naar de vader gaat. Nu het om een inmiddels bijna 13-jarige jongen gaat, zal het gerecht hiermee rekening houden, echter deze wens is niet van doorslaggevende aard. Het gerecht zal een omgangsregeling bepalen rekening houdende met de belangen van beide ouders en de minderjarige, en merkt daarbij op dat deze regeling een minimale omgang betreft, en dat partijen deze in onderling overleg en rekening houdende met de wensen van de minderjarige, kunnen uitbreiden.

5 DE BESLISSING

Het gerecht:

bepaalt dat de vader, [verzoeker], voortaan samen met de moeder, [verweerster], zal worden belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] in Aruba,

bepaalt het hoofdverblijf van de minderjarige bij de moeder,

stelt de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige als volgt vast:

* doordeweeks: elke woensdag vanaf 17.00 uur tot donderdag 19:00 uur;

* in de weekenden: - het ene weekend, vanaf vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur,

- het andere weekend, op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en wordt geacht in het openbaar te zijn uitgesproken ter zitting van 14 april 2020 in aanwezigheid van de griffier.

1 Vgl. Gerechtshof Leeuwarden d.d. 21 juni 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BX0520