Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:86

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
CvB nr. 484 van 2017/ AUA201703614
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 5, lid 1 van de Landsverordening Ziekteverzekering. Geen aanspraak meer op ziekengeld. Zelfde ziekteoorzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 14 februari 2019

CvB nr. 484 van 2017/ AUA201703614

COLLEGE VAN BEROEP

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening ziekteverzekering (LvZv) van:

[ Appellante ],

wonende in Aruba,

APPELLANTE

gemachtigde: [ A ],

tegen de beslissing van 15 februari 2017 van

DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER, hierna te noemen de bank,

gemachtigde: de advocaat mr. M.D. Tromp.

1 HET PROCESVERLOOP

1.1

Bij beslissing van 15 februari 2017 heeft de bank besloten dat appellante geen recht meer heeft op tegemoetkoming in verband met verminderde belastbaarheid wegens Syringomyelie Arnold Chiari type 1 (hierna: de ziekte AC), nu zij zich voor het eerst op 29 januari 2008 vanwege deze ziekte bij de bank arbeidsongeschikt heeft gemeld.

1.2Tegen deze beslissing heeft appellante op 8 maart 2017 schriftelijk beroep aangetekend.

1.3

Op 4 mei 2017 heeft de bank een verweerschrift ingediend.

1.4

Het beroep van appellante is met toestemming van partijen behandeld door dit college, bestaande uit de voorzitter en het lid namens de werkgeversorganisaties, op de bijeenkomst van 15 november 2018. Op de bijeenkomst zijn verschenen appellante, bijgestaan door haar gemachtigde, en namens de bank mr. B. Every, juridisch adviseur, drs. M. Schaad, verzekeringsarts en M. de Cuba, M.D. controlearts, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd.

2. DE BEOORDELING

2.1

Appellante kan zich niet verenigen met de beslissing van de bank om haar geen ziekengeld meer toe te kennen en heeft zich op het standpunt gesteld dat er bij haar ziektemelding in december 2016 geen sprake was van een zelfde ziekteoorzaak. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de behandelend neuroloog weliswaar heeft gezegd dat haar symptomen te maken hebben met de bij haar bekende ziekte AC, maar dat zij deze symptomen nooit eerder heeft gehad, en dat deze volgens de neurochirurg C. Vallejo, passen in een geheel ander ziektebeeld, namelijk een Cerebrovasculair Accident (CVA).

2.2

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de LvZv, voor zover thans van belang, heeft de werknemer die als gevolg van ziekte arbeidsongeschikt is, recht op ziekengeld vanaf de vierde dag van de ziekmelding. Het recht op ziekengeld ter zake van eenzelfde ziekteoorzaak vervalt na twee jaar.

2.3

In geschil is de vraag of de bank op goede gronden heeft besloten dat in dit geval sprake is van eenzelfde ziekteoorzaak als bedoeld in de tweede volzin van artikel 5, lid 1 van de LvZv.

2.4Het College gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.4.1

Niet in geschil is dat appellante zich op 29 januari 2008 voor het eerst arbeidsongeschikt heeft gemeld wegens de ziekte AC en dat zij toen onder ziektemeldingskaart nr. 345186 is gecontroleerd. Deze ziektemeldingskaart is op 29 januari 2010 geëxpireerd.

2.4.2

Appellante heeft zich op 26 december 2016 arbeidsongeschiktheid gemeld bij de bank wegens een focale neurologische uitval.

2.4.3

De behandelende neuroloog, M. Meelis, antwoordt op de vraag van de controlearts van de bank van 10 januari 2017 naar de uitslagen van het medisch onderzoek betreffende appellante, dat er sprake is van “passagere krachtsverlies bij bekende Chiari Malformatie (…) Geen aanwijzingen voor een CVA.”

2.4.4

De neurochirurg, C. Vallejo, schrijft in zijn verslag van 11 november 2018, dat appellante vanaf 8 augustus 2017 bij hem “under evaluation” is, en dat hij op basis van anamnese en het verslag van de MRI van 30 december 2016 concludeert dat zij op 26 december 2016 een CVA heeft geleden, dat zij daar nog altijd last van heeft (“…this event was not transient but permanent…”) en dat er geen verband bestaat tussen de klachten en de bij haar bekende ziekte AC.

2.5

Het College hecht in dit geval meer waarde aan de verklaring van de specialist die appellante ten tijde van haar klachten in december 2016 heeft behandeld, dan aan de verklaring van een specialist, die appellante kennelijk pas in augustus 2017 voor het eerst heeft gezien en die ten behoeve van deze zaak een verklaring op papier heeft gesteld. Dat betekent dat het College het niet nodig acht om in dit geval de mening te vragen van een derde specialist.

2.6

Gelet op genoemde feiten en omstandigheden heeft de bank naar het oordeel van het College, op goede gronden geconstateerd dat de ziekmelding in december 2016 dezelfde ziekteoorzaak, namelijk de ziekte AC, betreft. Op grond van artikel 5, lid 1 van de LvZv had appellant vanaf 29 januari 2010 geen aanspraak meer op ziekengeld ter zake van deze ziekteoorzaak.

2.7

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3 BESLISSING

Het college

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven op 14 februari 2019 door mr. N.K. Engelbrecht, voorzitter, en E.E. de Cuba, lid, in tegenwoordigheid van de secretaris.