Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:833

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
02-01-2020
Zaaknummer
AUA201902879
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

vereffening nalatenschap, wanbeheer, belangen andere legaten, voorrechten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2020/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 30 oktober 2019

Behorend bij K.G. AUA201902879

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[EISERES],

wonende in de Verenigde Staten van Amerika, voor deze zaak gedomicilieerd ten kantore van haar hierna genoemde in Aruba gevestigde advocaat,

eiseres,

hierna ook te noemen: [eiseres],

gemachtigde: de advocaat mr. W.J. Noordhuizen,

tegen:

[GEDAAGDE],

wonende in de Verenigde Staten van Amerika, voor deze zaak gedomicilieerd ten kantore van haar hierna genoemde in Aruba gevestigde advocaat,

gedaagde,

hierna ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoekschrift met producties;

-de nadere beslissing van dit Gerecht dat de mondelinge behandeling van de zaak zal worden gehouden ter terechtzitting van vrijdag 11 oktober 2019 om 14:30 uur.

1.2

Partijen zijn bij hun respectieve gemachtigden ter terechtzitting verschenen. Zij hebben in twee termijnen het woord gevoerd - beiden mede aan de hand van overgelegde en voorgedragen pleitnota’s, beiden voorzien van toegelaten producties -, en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1 [

Eiseres] vordert dat het Gerecht bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. [Gedaagde] veroordeelt om zekerheid te stellen voor het beheer van de nalatenschap van [naam wijlen] (hierna: de nalatenschap) en de nakoming van haar verplichtingen als erfgenaam voor een bedrag ad US$ 3.500.000,--, door storting van dat bedrag onder een door [eiseres] aan te wijzen notaris of door het stellen van een bankgarantie voor dat bedrag,

en indien [gedaagde] niet binnen 24 uur na de uitspraak van dit vonnis aan dit bevel voldoet een vereffenaar benoemt voor het vereffenen van de nalatenschap;

b. [Gedaagde] gelast om de goederen en schulden van de nalatenschap te doen beheren door de daartoe door het Gerecht geadviseerde persoon die ook als vereffenaar kan optreden, onder bepaling dat als [gedaagde] daar niet binnen 24 uur na de uitspraak van dit vonnis uitvoering aan geeft dit vonnis op de voet van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van een daartoe strekkende schriftelijke wilsverklaring van [gedaagde], meer subsidiair dat dit vonnis op de voet van artikel 3:299 BW strekt tot machtiging van [eiseres] om zelf een persoon opdracht te verlenen tot beheer van de nalatenschap in de hiervoor vermelde zin;

c. [Gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 14 dagen na de uitspraak van dit vonnis.

2.2 [

Gedaagde] voert verweer en concludeert dat [eiseres] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte, althans tot afwijzing daarvan, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren kosten rechtens.

2.3

Voorzover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Er zijn gronden gesteld noch gebleken waaruit kan volgen dat [eiseres] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte. Het ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde] wordt daarom verworpen.

3.2

Het spoedeisend belang van [eiseres] bij haar vorderingen ligt besloten in de aard van die vorderingen en de daaraan ten gronde gelegde stellingen.

3.3

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat in elk geval het volgende vast tussen partijen.

3.3.1 [

Eiseres] was krachtens daartoe opgemaakte huwelijkse voorwaarden buiten gemeenschap van goederen gehuwd met de op 15 februari 2019 te Aruba overleden [naam wijlen] (hierna: de erflater). De erflater heeft op 19 maart 2014 bij testament beschikt over zijn nalatenschap, in die zin dat hij (1) [gedaagde] heeft benoemd als zijn enige erfgenaam, (2) aan [eiseres] heeft gelegateerd de bij partijen genoegzaam bekende in Aruba gelegen woning met de daarbij behorende in erfpacht uitgegeven percelen (hierna: de woning), en (3) aan zijn broer heeft gelegateerd het bij partijen genoegzaam bekende perceel gelegen in Venuezuela op Isla Margarita (hierna: het perceel).

3.3.2 [

Gedaagde] heeft de nalatenschap op 13 juni 2019 onder voorrecht van boedelbeschrijving (beneficiair) aanvaard.

3.3.3

Tot de nalatenschap behoren alleen de volgende activa: de woning, het perceel en een minderheidspakket aandelen in Royal Plaza.

3.3.4

De erflater heeft op enig voor zijn overlijden gelegen moment erkend dat hij

Afl. 3.631.921,-- verschuldigd is aan Royal Plaza. Die schuld heeft de erflater onbetaald gelaten, en maakt deel uit van de nalatenschap.

3.3.5

Op het moment van overlijden had de erflater twee op zijn naam staande bankrekeningen bij de CMB-bank met beiden een negatief saldo, te weten Afl. 46.390,84 respectievelijk Afl. 138.951,54.

3.3.6

Uit hoofde van haar wettelijke taak als vereffenaar van de nalatenschap heeft [gedaagde] de fiscus herhaalde malen verzocht om opgave van mogelijke op naam van de erflater staande belastingschulden. De Belastingdienst heeft nog niet gereageerd op die verzoeken.

3.3.7

De woning wordt thans verzorgd door een door [gedaagde] daartoe aangestelde persoon en alle lopende kosten met betrekking tot de woning worden betaald. De woning is verzekerd tegen brand en andere schadeoorzaken zoals die voorheen (voor het overlijden van de erflater) was verzekerd.

3.4 [

Eiseres] legt aan haar vorderingen de stelling ten grondslag dat zij gegronde vrees heeft dat [gedaagde] als erfgenaam belast met de vereffening van de nalatenschap de belangen van [eiseres] bij de uitvoering van het legaat met betrekking tot de woning (hierna: het legaat) onvoldoende beheert in de zin van het bepaalde in artikel 4:1059 BW. Die stelling heeft [gedaagde] gemotiveerd bestreden en staat daarom niet vast, terwijl het Gerecht in het licht van dat verweer geen aanleiding of grond ziet om bedoelde stelling voorshands aannemelijk te oordelen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.5

Uit de omstandigheid dat de communicatie tussen partijen verre van optimaal is en dat [gedaagde] slechts spaarzaam reageert op verzochten van [eiseres] zoals door haar gesteld volgt geen voldoende aanknoping voor de aanname dat [gedaagde] als vereffenaar daarvan de nalatenschap niet naar behoren beheert. Dit klemt temeer omdat [gedaagde] onbestreden heeft gesteld dat van de nalatenschap alleen de hiervoor onder 3.3.3 tot en met 3.3.5 vermelde vermogensbestanddelen deel uitmaken, in welk verband verder vast staat dat [gedaagde] - zoals dat hoort - de Belastingdienst als mogelijke bevoorrechte schuldeiser van de nalatenschap meermalen doch tot zover tevergeefs heeft verzocht aan haar kenbaar te maken of er nog op naam van de erflater staande belastingschulden zijn waar zij rekening mee moet houden bij de vereffening van de nalatenschap. Van dit alles is [eiseres] op de hoogte, en zolang de Belastingdienst geen sluitend antwoord heeft gegeven op [gedaagde]’s verzoeken, kan zij in elk geval niet overgaan tot vereffening van de nalatenschap.

3.6

Aanleiding of grond voor de aanname van wanbeheer volgt evenmin uit de omstandigheid dat [gedaagde] in de bij partijen genoegzaam bekende bodemzaak A.R. AUA201900495, waarin Royal Plaza N.V. veroordeling vordert van de toen nog in leven zijnde erflater om aan haar te betalen Afl. 3.631.921,--, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten, geen verweer heeft gevoerd. Vast staat immers dat de erflater op enig voor zijn overlijden gelegen moment heeft erkend dat hij voormeld bedrag verschuldigd is aan Royal Plaza, en ter zitting heeft [gedaagde] niet of onvoldoende bestreden gesteld dat er in dat licht geen kansrijk verweer valt te bedenken tegen de vorderingen van Royal Plaza.

3.7

Bij vorenstaande wordt nog overwogen dat het Gerecht de stelling van [eiseres], dat de vorderingen in voormelde zaak moeten worden afgewezen omdat de nalatenschap door de beneficiaire aanvaarding daarvan een afgescheiden te vereffenen vermogen betreft waarop individuele schuldeisers geen zelfstandige vorderingsrechten hebben, niet volgt omdat die stelling naar het voorlopig oordeel van het Gerecht niet juist is. Het enkele feit dat er in dit geval sprake is van een afgescheiden te vereffenen vermogen waarop behoudens wettelijke uitzonderingen individuele schuldeisers geen zelfstandige vorderingsrechten hebben brengt niet mee dat er in bedoelde zaak geen veroordeling kan volgen en dat het beslag daarom is vervallen en moet worden doorgehaald. Hierbij heeft te gelden dat bedoeld beslag naar het voorlopig oordeel van het Gerecht geen voorrechten creëert voor Royal Plaza ten opzichte van andere schuldeisers van de nalatenschap indien en zodra in bedoelde zaak veroordeling tot betaling van een geldsom volgt en Royal Plaza die vordering ter betaling daarvan aanmeldt bij [gedaagde] als vereffenaar van de nalatenschap. Bedoeld beslag komt de facto alle schuldeisers van de nalatenschap ten goede, nu de woning door het beslag tot aan de dag der vereffening van de nalatenschap niet kan worden vervreemd. Overigens kan [gedaagde] indien en zodra blijkt dat het legaat ter voldoening van de schuldeisers van de nalatenschap moet worden verminderd opheffing van het beslag vorderen teneinde de woning in het openbaar te kunnen verkopen overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:1060 BW, indien en voorzover blijkt dat [eiseres] geen gebruik wenst te maken van haar bevoegdheid tot oplegging van het bedrag waarmee haar legaat dreigt te worden verminderd ter verkrijging van volledige voldoening van het legaat. Hetzelfde geldt indien de schuldeisers van de nalatenschap zonder vermindering van legaten geheel kunnen worden betaald, en het aan [eiseres] gemaakte legaat voldaan dient te worden.

3.8

Met [gedaagde] volgt het Gerecht [eiseres] niet in haar stelling dat een legaat waarmee de erflater heeft willen voldoen aan een op grond van de verzorgingsgedachte gebaseerde natuurlijke verbintenis - daargelaten het antwoord op de vraag of het legaat als zodanig heeft te gelden - voorrang geniet boven andere legaten. Anders dan de Nederlandse wetgever (zie het derde lid van artikel 4:120 BW) heeft de Arubaanse wetgever daarin niet voorzien, terwijl gesteld noch is gebleken dat er onder geldend Arubaans recht en/of oud Nederlands recht te dezen jurisprudentie tot stand is gekomen waaruit de juistheid van de stelling van [eiseres] kan blijken. Het Gerecht ziet op dit punt met name in het kader van de rechtszekerheid geen aanleiding om voorshands te anticiperen op mogelijk op dit punt met Nederland gelijkluidende in Aruba in te voeren wetgeving. Indien de nalatenschap onvoldoende toereikend is om alle schuldeisers daarvan niet zijnde legatarissen te voldoen, ondergaan het legaat van [eiseres] en dat van de broer van de erflater naar het voorshandse oordeel van het Gerecht op de voet van artikel 4:998 BW een naar hun hoegrootheid evenredige vermindering. Dit alles brengt mee dat ook in dit verband het Gerecht geen aanleiding of grond ziet voor de voorshandse aanname dat sprake is van wanbeheer zoals door [eiseres] gesteld.

3.9

Hetzelfde geldt voor het minderheidsaandelenpakket in Royal Plaza. Te dien aanzien heeft [gedaagde] onbestreden gesteld dat de meerderheidsaandeelhouder geen belangstelling heeft voor dat pakket. Dat brengt mee dat bedoeld pakket, zoals terecht door [gedaagde] opgemerkt, ingevolge het eerste lid van artikel 4:1061 BW in het openbaar zal moeten worden verkocht.

3.10

Overige feiten of omstandigheden die aanleiding of grond kunnen opleveren voor bedoelde aanname zijn gesteld noch gebleken.

3.11

Bij de hiervoor geschetste stand van zaken valt naar het oordeel van het Gerecht in een bodemprocedure niet met grote mate van zekerheid te verwachten dat de vorderingen van [eiseres] zullen worden toegewezen, waarbij nog wordt overwogen dat de door [eiseres] beoogde zekerheidstelling ex het eerste lid van artikel 4:1061 BW naar het voorlopig oordeel van het Gerecht alleen kan worden bevolen indien [gedaagde] ernstig tekortschiet in de door haar uit te voeren vereffeningstaak of dat te verwachten valt dat dergelijk tekortschieten zich zal gaan voordoen (hetgeen dus niet voorshands aannemelijk wordt geoordeeld). Dit brengt mee dat de thans door [eiseres] verzochte voorzieningen moeten worden geweigerd.

3.12

Afweging van de belangen van partijen maakt vorenstaande niet anders, omdat het Gerecht geen zwaarwegender belangen ziet aan de zijde van [eiseres] bij toewijzing van haar vorderingen ten opzichte van de belangen van [gedaagde] bij afwijzing daarvan.

3.13 [

Eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [gedaagde], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.000,-- aan salaris voor de gemachtigde.

4 DE UITSPRAAK

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

-weigert de door [eiseres] verzochte voorzieningen;

-veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [gedaagde], tot aan deze uitspraak begroot Afl. 2.000,-- aan salaris voor de gemachtigde;

-verklaart voormelde kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 30 oktober 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.