Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:78

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
228/AUA201700389
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Verdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 6 februari 2019

Behorend bij A.R. 228/AUA201700389

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[naam eiser],

wonende in Aruba,

eiser in conventie,

tevens gedaagde in reconventie,

hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. M.M. Malmberg,

tegen:

[naam gedaagde],

wonende in Aruba,

gedaagde in conventie,

tevens eiseres in reconventie,

hierna ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigden: de advocaten mrs. A.M.N. Thijsen en A.A. Ruiz.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure tot en met 12 september 2018 blijkt uit het tussenvonnis van die datum. Partijen hebben daarna over en weer (antwoord)aktes ingediend.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING IN CONVENTIE EN IN RECONVENTIE

Eigendomsgrond [naam eigendomsgrond]

2.1 [

eiser] wenst het terrein toebedeeld te krijgen. [gedaagde] heeft zich daartegen niet verzet. Ter comparitie is afgesproken dat ter zake van het perceel eigendomsgrond te [naam eigendomsgrond] bij de verdeling uitgegaan zal worden van de getaxeerde marktwaarde ad Afl. 44.000,- conform het door [gedaagde] overgelegde taxatierapport van [naam vennootschap] van 21 maart 2016. Het terrein zal bij eindvonnis worden toebedeeld aan [eiser]. [gedaagde] zal alsdan gerechtigd zijn tot een vergoeding van Afl. 19.555,56 (8/18 deel x Afl. 44.000,-) wegens overbedeling van [eiser].

2.2 [

gedaagde] vordert een vergoeding van [eiser] voor de door haar gemaakte taxatiekosten. Het gerecht ziet geen aanleiding deze kosten in de verdeling te betrekken, nu zij het taxatierapport op eigen initiatief heeft laten opstellen en overigens beide partijen taxatierapporten hebben laten opstellen betreffende de verschillende onroerende zaken.

[naam woning]

2.3 [

eiser] wenst de woning toebedeeld te krijgen. [gedaagde] heeft zich daartegen niet verzet. De woning zal bij eindvonnis aan [eiser] worden toebedeeld. De door het gerecht benoemde taxateur [naam taxateur] heeft de woning getaxeerd op Afl. 129.488,-. [eiser] heeft bezwaren geuit tegen de taxatie, omdat de taxateur er volgens hem ten onrechte van uit is gegaan dat de woning omstreeks 1975 gebouwd is, terwijl de woning volgens hem omstreeks 1943 is gebouwd. [eiser] heeft op eigen kosten een tweede taxatierapport door een andere taxateur laten opstellen, waaruit een marktwaarde van Afl. 108.000.- volgt. Het gerecht oordeelt als volgt. Ook indien ervan uit gegaan zou moeten worden dat de woning daadwerkelijk omstreeks 1943 is gebouwd, betekent dit nog niet dat de getaxeerde waarde niet juist is. De taxateur heeft de woning getaxeerd op basis van de feitelijke staat waarin de woning zich ten tijde van de taxatie bevond. Gelet op de uitkomst van de tweede in opdracht van [eiser] uitgevoerde taxatie, ziet het gerecht evenwel aanleiding om uit te gaan van een marktwaarde van Afl. 118.744,- (gemiddelde van Afl. 129.488,- en Afl. 108.000,-). [eiser] zal bij de verdeling derhalve een bedrag van Afl. 52.775,11 (8/18 deel x Afl. 118.744,-) aan [gedaagde] dienen te vergoeden wegens overbedeling.

Onroerend goed te Peru

2.4 [

gedaagde] wenst de woning toebedeeld te krijgen en [eiser] heeft zich daartegen niet verzet. De woning zal bij eindvonnis aan [gedaagde] worden toebedeeld. [gedaagde] heeft een verklaring van [naam erfgenaam]] [eiser] in het geding gebracht, waarin hij afstand doet van zijn aanspraak op het onroerend goed te Peru ten behoeve van [gedaagde]. Hij is nadien teruggekomen op deze verklaring in een verklaring d.d. 6 februari 2018 die door [eiser] in het geding is gebracht. Volgens [eiser] is [naam erfgenaam]] [eiser] bij het ondertekenen van de afstandsverklaring door [gedaagde] misleid en heeft hij gedwaald over de waarde van het onroerend goed, reden waarom hij is teruggekomen op de verklaring. Voorts heeft [eiser] aangevoerd dat [naam erfgenaam]] [eiser] al een volmacht had gegeven aan [eiser] om de verdeling af te wikkelen. In de door [eiser] bij conclusie van antwoord in reconventie in het geding gebrachte brief van 9 oktober 2015 die door [naam erfgenaam]] [eiser] is ondertekend (door [eiser] “volmacht” genoemd), staat dat [naam erfgenaam]] [eiser] zijn aandeel in de nalatenschap van zijn ouders (waaronder erflater) tegen een door [eiser] te betalen vergoeding heeft overgedragen aan [eiser]. Op deze overdracht is door [eiser] geen expliciet beroep gedaan. De rechter zal partijen in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over de vraag of de in voornoemde brief weergegeven overdracht van het aandeel van [naam erfgenaam]] [eiser] aan [eiser] er reeds aan in de weg staat dat [gedaagde] met vrucht een beroep kan doen op de nadien ondertekende (en later weer ingetrokken) afstandsverklaring, omdat [naam erfgenaam]] [eiser] op dat moment geen aandeel meer had waarvan hij afstand kon doen. Partijen kunnen zich hierover bij akte uitlaten.

2.5 [

gedaagde] heeft een taxatierapport d.d. 5 juli 2017 laten opstellen, waaruit een waarde van US$ 60.375,43 volgt. [eiser] heeft vervolgens ook een taxatierapport laten opstellen, waaruit een waarde van US$120.000,- volgt. Gezien het grote verschil in taxatiewaardes is het gerecht thans niet in staat een waarde vast te stellen. Het gerecht legt partijen de volgende twee mogelijkheden voor: of het gerecht zal met instemming van partijen een waarde van US$ 90.000,- hanteren (gemiddelde beide taxaties) of het gerecht zal een (derde) taxateur benoemen die het onroerend goed moet gaan taxeren, waarna op basis van die taxatie de waarde zal worden vastgesteld. Indien een taxateur benoemd dient te worden, kunnen partijen gezamenlijk een taxateur voorstellen. Indien zij daarover geen overeenstemming bereiken, kunnen beide partijen ieder afzonderlijk namen van taxateurs aandragen. Partijen kunnen zich bij akte uitlaten.

Auto

2.6

Het betreft een [merk] [model], bouwjaar 1991. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat zij de auto voor een bedrag van Afl. 500,- aan [naam erfgenaam]] [eiser] heeft verkocht na het overlijden van erflater. De auto maakt derhalve geen onderdeel meer uit van de nalatenschap. [gedaagde] is wel gehouden een vergoeding wegens overbedeling aan [eiser] te voldoen. [eiser] heeft niet gesteld welke (hogere) waarde de auto had. Het gerecht zal dan ook uitgaan van een waarde van Afl. 500,-. Aangezien de auto in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van erflater en [gedaagde] viel, is [eiser] deelgerechtigde voor 1/3 deel, inclusief het overgedragen aandeel van [naam erfgenaam]] [eiser] ((1/2 x 1/3) x 2) en [gedaagde] is deelgerechtigde voor 2/3 deel (1/2 + 1/2 x 1/3). [gedaagde] dient dan ook een bedrag van Afl. 166,67 (1/3 deel x Afl. 500) aan [eiser] te vergoeden wegens overbedeling.

Grondbelasting en erfpacht

2.7

Nu de onroerende zaken te [adres woning] en [naam eigendomsgrond] aan [eiser] worden toebedeeld zullen ook de daaraan verbonden lasten aan hem worden toebedeeld. [eiser] heeft gesteld dat hij in totaal een bedrag van Afl. 6.388,85 aan grondbelasting en erfpachtcanon heeft betaald. [gedaagde] heeft dit niet betwist. [gedaagde] dient naar rato van haar erfdeel (8/18 deel) bij te dragen. [gedaagde] dient derhalve in totaal een bedrag van Afl. 2.839,49 (Afl. 6.388,85 x 8/18 deel) aan [eiser] te vergoeden.

2.8 [

gedaagde] heeft (eerst) bij antwoordakte van 5 december 2018 gesteld dat zij belastingen heeft betaald ter zake het perceel in Peru. Zij heeft deze stelling evenwel niet nader onderbouwd en ook geen bedragen genoemd, zodat het gerecht aan die stelling voorbij zal gaan.

Onderhoudskosten

2.9 [

eiser] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat hij onderhoudskosten heeft gemaakt voor de woning te [adres woning] en tot welk bedrag. Hij heeft volstaan met de overlegging van producties zonder nadere toelichting en zelfs zonder een totaalbedrag te noemen. Het gerecht zal de onderhoudskosten dan ook niet in de verdeling betrekken.

Kosten boedelverdeling

2.10 [

gedaagde] heeft een verklaring van erfrecht op laten maken. De kosten daarvan Afl. 347,55 dienen partijen naar rato van hun erfdeel te dragen. [eiser] dient een bedrag van Afl. 231,70 (1/3 deel x Afl. 347,55 x 2) aan [gedaagde] te vergoeden.

Bankrekening(en)

2.11 [

gedaagde] heeft gesteld dat er één bankrekening is op naam van erflater, dat het saldo ten tijde van diens overlijden Afl. 1.270,96 bedroeg en dat met dit geld de uitvaartkosten werden betaald. [eiser] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat er meer bankrekeningen waren en dat het saldo op de door [gedaagde] genoemde bankrekening meer bedroeg dan Afl. 1.270,96. Voorts heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat met dit geld de uitvaartkosten (deels) zijn betaald. Het gerecht zal het saldo van Afl. 1.270,96 dan ook niet in de verdeling betrekken.

2.12 [

eiser] heeft verder gesteld dat [gedaagde] een bedrag van Afl. 2.400,- van de rekening heeft opgenomen terwijl erflater in het ziekenhuis op sterven lag. Voorts heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] op de sterfdag van erflater nog eens Afl. 2.800,- heeft opgenomen. [eiser] stelt dat deze gelden [gedaagde] niet alleen toekwamen en alsnog verdeeld moeten worden tussen de erfgenamen. [gedaagde] heeft deze stellingen niet weersproken. Erflater overleed op 31 mei 2014. Uit het rekeningafschrift dat door [gedaagde] in het geding is gebracht (productie 6 conclusie van antwoord) blijkt dat op 7 april een bedrag van Afl. 2.410,- werd opgenomen en op 28 mei een bedrag van Afl. 2.800,- werd opgenomen. Nu [gedaagde] niet heeft weersproken dat zij deze gelden heeft opgenomen en dat die gelden nog verdeeld dienen te worden tussen de erfgenamen, zal het gerecht bepalen dat [gedaagde] Afl. 5.200,- (Afl. 2.400,- + Afl. 2.800,-) x 1/3 deel (1/2 x 1/3 x 2, dus inclusief het erfdeel van [naam erfgenaam]] [eiser]), derhalve een bedrag van Afl. 1.733,33 aan [eiser] dient te vergoeden.

Gebruiksvergoedingen

2.13

Partijen hebben over en weer aanspraak gemaakt op gebruiksvergoedingen. In artikel 3:169 BW wordt tot uitgangspunt genomen dat (tenzij een regeling anders bepaalt) iedere deelgenoot bevoegd is tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Indien een deelgenoot het goed met uitsluiting van de andere(n) gebruikt, kan dat aanleiding vormen om laatstgenoemde(n) een vergoeding ter zake van gederfd gebruiksgenot toe te kennen (HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:156). Daarbij dienen de redelijkheid en billijkheid die de rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten beheersen tot maatstaf (art. 3:166 lid 3 BW jo. art. 6:2 BW). De enkele omstandigheid dat een deelgenoot feitelijk de enige van de deelgenoten is die gebruik maakt van het goed, is op zichzelf en in beginsel niet toereikend om te zijnen laste een gebruiksvergoeding toe te kennen. Essentieel is de uitsluiting van de andere deelgenoot.

2.14 [

gedaagde] maakt aanspraak op een door [eiser] te betalen gebruiksvergoeding voor het gebruik van de woning te [adres woning]. [gedaagde] woonde samen met erflater en [eiser] in de woning ten tijde van het overlijden van erflater en heeft de woning na het overlijden van erflater verlaten. Volgens [gedaagde] heeft zij de woning door de spanningen tussen partijen moeten verlaten. Dit is niet weersproken door [eiser]. Deze feiten en omstandigheden leveren voldoende grond op om een gebruiksvergoeding aan [gedaagde] toe te kennen. Het door [gedaagde] genoemde bedrag van Afl. 1.200,-- per maand dat volgens haar als uitgangspunt kan worden genomen is nergens op gebaseerd. Het gerecht zal uitgaan van een gebruiksvergoeding gebaseerd op een percentage van 4%, welk percentage ook door [gedaagde] is genoemd en niet door [eiser] is betwist, van de marktwaarde van de woning. Het gerecht stelt de aan [gedaagde] toekomende gebruiksvergoeding derhalve vast op Afl. 175,92 per maand ((118.744,- x 4% / 12) x 8/18 deel). Wat betreft de ingangsdatum van de verschuldigde verbruiksvergoeding oordeelt het gerecht dat [eiser] in redelijkheid pas in april 2017 voor het eerst met een gebruiksvergoeding rekening hoefde te houden, nu [gedaagde] eerst toen, bij conclusie van eis in reconventie, aanspraak heeft gemaakt op een gebruiksvergoeding. De gevorderde gebruiksvergoeding zal dan ook toegewezen worden over de periode april 2017 tot en met januari 2019, zijnde 22 maanden. [eiser] is derhalve een gebruiksvergoeding van Afl. 3.870,17 verschuldigd aan [gedaagde].

2.15 [

eiser] heeft aanspraak gemaakt op een door [gedaagde] te betalen gebruiksvergoeding voor het gebruik van de woning te [adres woning] over de periode vanaf 2004 waarin zij samen met erflater in de woning heeft gewoond. [gedaagde] verzet zich hiertegen. De door [eiser] gevorderde gebruiksvergoeding is niet toewijsbaar. [gedaagde] was voor het overlijden van erflater geen deelgenoot, zodat artikel 3:169 BW niet van toepassing is. Het gerecht ziet ook geen andere rechtsgrond voor toewijzing van een gebruiksvergoeding aan [eiser]. [eiser] woonde zelf ook (kennelijk vanaf december 2013) in de woning in de periode waarover hij een gebruiksvergoeding vordert. [eiser] heeft zijn stelling dat hij vanaf 2004 (tot december 2013) geen gebruik heeft kunnen maken van de woning onvoldoende onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] sinds het overlijden van zijn moeder gebruik wilde maken van de woning, maar dat dit niet mogelijk was wegens gebruik van de woning door de overige deelgenoten. [eiser] heeft wel gesteld dat hij pas in 2013 op verzoek van erflater naar Aruba is gekomen, hetgeen er op duidt dat hij kennelijk in het buitenland woonachtig was voor die tijd en zonder nadere toelichting die is uitgebleven niet valt in te zien hoe hij gedurende die periode gebruik had willen dan wel kunnen maken van de woning. Daarbij komt dat op het moment dat [eiser] voor het eerst aanspraak heeft gemaakt op de gebruiksvergoeding (in zijn conclusie van repliek), [eiser] de woning zelf met uitsluiting van [gedaagde] bewoonde en [gedaagde] voor die tijd geen rekening met een te betalen gebruiksvergoeding hoefde te houden. Gelet op het voorgaande komt het gerecht aan het verjaringsverweer van [gedaagde] niet toe. De vordering strandt reeds om hiervoor genoemde redenen.

2.16

Ook de door [eiser] gevorderde gebruiksvergoeding voor het gebruik van de woning in Peru, waartegen [gedaagde] zich eveneens heeft verzet, is niet toewijsbaar, nu onvoldoende gemotiveerd gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] in de periode waarover de gebruiksvergoeding wordt gevorderd met uitsluiting van [eiser] gebruik heeft gemaakt van deze woning. Zo is door [eiser] niet gesteld dat hij gebruik had willen maken van de woning, maar dat dit niet mogelijk was doordat de woning door [gedaagde] werd gebruikt.

Immateriële schadevergoeding

2.17 [

eiser] vordert een bedrag van Afl. 10.000,- aan immateriële schadevergoeding omdat hij door een valse aangifte door [gedaagde] 10 dagen heeft vastgezeten op het politiebureau, terwijl hij op 2 juni 2016 werd vrijgesproken. [eiser] heeft deze vordering onvoldoende onderbouwd. Hij heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen voor zijn stelling dat [gedaagde] (opzettelijk) een valse aangifte heeft gedaan. Het enkele feit dat hij is vrijgesproken is daarvoor niet voldoende. Bovendien heeft hij onvoldoende onderbouwd dat hij immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van Afl. 10.000,-.

2.18

Uit het voorgaande vloeit voort dat partijen over en weer het volgende aan elkaar verschuldigd zijn:

[eiser] aan [gedaagde]:

- Afl. 19.555,56 (r.o. 2.1)

- Afl. 52.775,11 (r.o. 2.3)

- Afl. 231,70 (r.o. 2.10)

- Afl. 3.870,17 (r.o. 2.14)

Totaal: Afl. 76.432,54

[gedaagde] aan [eiser]:

Afl. 166,67 (r.o. 2.6)

Afl. 2.839,49 (r.o. 2.7)

Afl. 1.733,33 (r.o. 2.12)

Pm (onroerend goed te Peru)

Totaal: Afl. 4.739,49 + pm

2.19

Wie wat onder de streep aan de ander verschuldigd is, zal pas kunnen blijken nadat duidelijkheid is gekomen over de waarde van het onroerend goed te Peru en het aandeel dat aan partijen toekomt.

2.20

In afwachting van de door partijen te nemen aktes ter zake de woning te Peru, zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

3 DE BESLISSING

3.1

verwijst de zaak naar de rol van 6 maart 2019 direct peremptoir voor indiening van akten zijdens beide partijen gelijktijdig, zoals in r.o. 2.4 en 2.5 bedoeld, waarna partijen nog gelijktijdig een antwoordakte zullen mogen nemen, eveneens direct peremptoir;

3.2

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Schoemaker, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 6 februari 2019 in aanwezigheid van de griffier.