Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:736

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
20-11-2019
Zaaknummer
AUA201903517
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft een asielwens geuit. Verweerder heeft verzoeker ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld een formeel asielverzoek in te dienen. Dit maakt echter het bevelschrift tot uitzetting niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 30 oktober 2019

Lar nr. AUA201903517

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek in de zin van artikel 54 van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[verzoeker],

van Venezolaanse nationaliteit,

VERZOEKER,

gemachtigde: drs. M.L. Hassell,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN JUSTITIE, VEILIGHEID EN INTEGRATIE,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ) en J.M. Harewood (DIMAS).

PROCESVERLOOP

Bij bevelschrift van 18 september 2019 (bestreden beschikking) heeft verweerder de uitzetting van verzoeker bevolen.

Daartegen heeft verzoeker op 10 oktober 2019 bezwaar gemaakt.

Op 10 oktober 2019 heeft verzoeker bij dit gerecht een verzoekschrift als bedoeld in artikel 54 van de Lar ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 16 oktober 2019. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder bij zijn gemachtigden.

Uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Wettelijk kader

1.1

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.

Ingevolge het tweede lid kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek de indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.

1.2

Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, van de Landsverordening toelating en uitzetting (LTU) kunnen uitgezet worden personen die tot tijdelijk verblijf werden toegelaten, wanneer zij in het land worden aangetroffen, nadat de geldigheidsduur van hun tijdelijke verblijfsvergunning is verstreken of nadat de geldigheid van de vergunning door enige andere oorzaak is vervallen.

Ingevolge het tweede lid geschiedt de uitzetting krachtens een met redenen omkleed bevelschrift van de minister, belast met justitiële aangelegenheden, houdende het bevel Aruba binnen een daarbij te bepalen termijn te verlaten. Het bevelschrift vermeldt de periode waarin aan de betrokkene de toelating tot Aruba zal worden geweigerd; deze periode bedraagt ten hoogste acht jaar.

Ingevolge het derde lid wordt bij de bepaling van de in de eerste volzin van het tweede lid genoemde termijn aan betrokkene, indien nodig, voldoende tijd gelaten om orde op zijn zaken te stellen.

Feiten

2.1

Verzoeker is op 17 juli 2016 Aruba binnengekomen als toerist met een toegestane verblijfsduur van twee dagen.

2.2

Een gemachtigde heeft in december 2018 een ongedateerde (en nauwelijks leesbare) brief toegestuurd aan de minister waarin hij namens verzoeker heeft verzocht om asiel. In deze brief zijn behalve de naam en geboortedatum van verzoeker geen andere (contact)gegevens vermeld. Een machtiging is niet meegestuurd.

2.3

Bij brief van 27 maart 2019 heeft de minister op dit verzoek geantwoord dat verzoeker zich sinds zijn aankomst niet persoonlijk bij DIMAS heeft gemeld als asielzoekende, dat verzoeker evenmin asiel bij DIMAS heeft aangevraagd conform de voorgeschreven procedure, dat verzoeker niet beschikbaar is geweest voor officiële registratie en het uithoren van de persoonlijke asielmotieven, dat verzoekers brief van december 2018 derhalve gezien wordt als een intentieverklaring voor een asielaanvraag, dat in verzoekers brief van december 2018 slechts summiere algemene asielmotieven zijn genoemd die niet meebrengen dat verzoeker bij terugkeer een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, dat de brief van december 2018 zich niet leent voor verdere behandeling en daarom niet in behandeling wordt genomen.

2.4

Op 18 september 2019 is verzoeker werkend aangetroffen bij een in aanbouw zijnde huis te Mazurka door de afdeling Vreemdelingentoezicht.

2.5

Bij bestreden beschikking heeft verweerder de uitzetting van verzoeker bevolen.

De standpunten van partijen

3.1

Verweerder heeft aan het bevel tot uitzetting onder meer ten grondslag gelegd dat verzoeker sinds 20 juli 2016 niet in het bezit is van een geldige verblijfstitel.

3.2

Het verzoek strekt tot schorsing van de bestreden beschikking totdat op het bezwaar is beslist. Daaraan legt verzoeker ten grondslag dat hij een asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist.

Beoordeling

4 Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Asielwens

5. In de ongedateerde (en nauwelijks leesbare) brief die in december 2018 is ingediend, heeft een gemachtigde namens verzoeker verzocht om asiel. In deze brief zijn behalve de naam en geboortedatum van verzoeker geen andere (contact)gegevens vermeld. Een machtiging is niet meegestuurd.

6. Voornoemde brief betreft geen asielaanvraag conform de voorgeschreven procedure. Met deze brief is namens verzoeker slechts een asielwens geuit.

7. Om vast te stellen of degene die zich als gemachtigde heeft aangediend daartoe werkelijk bevoegd is, kan van de gemachtigde worden verlangd dat deze een schriftelijk bewijs van machtiging overlegt. Als ten tijde van het uiten van de asielwens een machtiging ontbreekt, dient de gemachtigde eerste in de gelegenheid te worden gesteld alsnog een machtiging toe te sturen, alvorens deze asielwens buiten behandeling kan worden gelaten.

8. Vanaf de datum dat verzoeker zijn asielwens heeft geuit, geldt het uit het vluchtelingenschap voortvloeiende verbod op refoulement, hetgeen betekent dat verzoeker niet naar het land van herkomst mag worden teruggezonden. Verzoeker heeft echter zijn asielwens nog altijd niet laten volgen door het indienen van een formeel asielverzoek, zodat verweerder bevoegd was het bevelschrift tot uitzetting uit te vaardigen.

Gelegenheid tot asielverzoek

9. Op grond van artikel 19f in samenhang met artikel 19 Toelatingsbesluit 2009 moet de vreemdeling die in Aruba ten opzichte van een migratieambtenaar zijn wens tot asiel heeft geuit, in de gelegenheid worden gesteld een asielverzoek in te dienen. Het verzoek wordt gedaan op een daartoe bestemd formulier. Deze bepalingen uit het Toelatingsbesluit 2009 zijn in werking getreden per 4 juli 2019 (AB 2019, no. 40). De voorzieningenrechter acht deze bepalingen in het onderhavige geval van toepassing.

10. in de brief van 27 maart 2019 heeft verweerder medegedeeld dat de asielwens van verzoeker niet in behandeling wordt genomen. Gelet op het voorgaande dient verweerder verzoeker alsnog in de gelegenheid te stellen een asielverzoek in te dienen. Als verweerder niet beschikt over de contactgegevens van verzoeker, maar slechts bekend is met de gegevens van de gemachtigde, kan dit bijvoorbeeld geschieden door aan het adres van de gemachtigde een uitnodiging te sturen voor het persoonlijke registreren en uithoren van verzoeker ten kantore van DIMAS. Wordt aan deze uitnodiging geen gehoor gegeven, dan mag ervan worden uitgegaan dat bij verzoeker de asielwens niet langer bestaat en dat hij de asielprocedure niet in gang wenst te zetten.

Rechtmatig bevelschrift tot uitzetting

11. Vast staat dat verzoeker sinds 20 juli 2016 zonder geldige verblijfstitel op Aruba verblijft zodat verweerder op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en letter d, LTU bevoegd is verzoeker uit te zetten. Verzoeker heeft nog immer geen asiel aangevraagd bij DIMAS conform de voorgeschreven procedure. Nu ten tijde van het uitvaardigen van het bevelschrift tot uitzetting op 18 september 2019, geen formeel asielverzoek was ingediend, is dit bevelschrift niet onrechtmatig te achten. Verweerder mocht daarbij de vertrektermijn op nul dagen stellen. Gelet op het verbod van refoulement kan verzoeker echter niet worden uitgezet voordat een eventuele asielprocedure is beëindigd (vgl. GEA Aruba 2 oktober 2019, ECLI:NL:OGEAA:2019:633).

12. Gezien het voorgaande bestaat geen grond voor schorsing van het bestreden bevelschrift. Het verzoek wordt afgewezen.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. AJ.H. van Suilen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2019 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.