Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:725

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
28-10-2019
Datum publicatie
13-11-2019
Zaaknummer
439 van 2017
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arubaanse strafzaak. Vrijspraak feit 1, impliciet primair (moord). Verweer bewijsuitsluiting door schending ondervragingsrecht verdachte verworpen.

Feit 1: impliciet subsidiair: Doodslag.

Feit 2: Voorhanden hebben van een vuurwapen. Redelijke termijnoverschrijding, maar geen schending artikel 6 EVRM door bijzondere omstandigheden van het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: P-2017/04009

Zaaknummer: 439 van 2017

Uitspraak: 28 oktober 2019 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteland],

wonende in [woonplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Aruba.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2019. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. Z.T.M. Arendsz-Marchena, advocaat in Aruba.

De officier van justitie, mr. W. Bos, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht – kort gezegd – de onder 1 (impliciet subsidiair) ten laste gelegde doodslag en het onder 2 ten laste gelegde voorhanden hebben van een pistool van het merk [merk 2] bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de aan de verdachte onder 1 (impliciet primair) ten laste gelegde moord en het onder 2 ten laste gelegde voorhanden hebben van een pistool van het merk ‘[merk 1]’.

Zijn vordering behelst voorts de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen vuurwapens, de op marihuana lijkende kruiden, de op cocaïne lijkende poeder en de roze poeder. Tevens is de teruggave aan de verdachte en/of aan de rechthebbende(n) gevorderd van de overige in beslag genomen voorwerpen, zoals aangeduid op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst.

De raadsvrouw heeft een bewijsuitsluitingsverweer opgeworpen en aan de hand van een bewijsverweer bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. dat hij op of omstreeks 1 mei 2017 in Aruba, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar, opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, met een vuurwapen een kogel afgevuurd op of in de richting van die [slachtoffer], ten gevolge waarvan die [slachtoffer], is overleden;

(artikel 2:262/2:259 van het Wetboek van Strafrecht)

2. dat hij op of omstreeks 1 mei 2017 in Aruba, een pistool (van het merk [merk 1] model [model 1], serie nummer [serienummer], kaliber [kaliber 1]) en/of een pistool (van het merk [merk 2] model [model 2], kaliber [kaliber 2]), in elk geval een (of meer) vuurwapen(s), en/of een (of meer) patro(o)n(en), in elk geval munitie, als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening, voorhanden heeft gehad;

(artikel 3 van de Vuurwapenverordening)

Formele voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

Feit 1, impliciet primair

Het Gerecht is, overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte met ‘voorbedachten rade’ handelde en zich daarbij schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord. De verdachte zal daarom van dit deel van de tenlastelegging onder 1 worden vrijgesproken.

Bewijsuitsluiting door schending van het ondervragingsrecht van de verdachte

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdediging van de verdachte ernstig is geschaad op grond van het feit dat diens ondervragingsrecht is geschonden. De schending dient, aldus de raadsvrouw, te leiden tot uitsluiting van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 3] en [betrokkene 2] tot bewijs van het onder 1 ten laste gelegde.

Ter onderbouwing van haar stelling heeft de raadsvrouw – samengevat – op de eerste plaats aangevoerd dat er in casu geen goede reden bestaat voor het niet kunnen ondervragen van de getuigen. Het Openbaar Ministerie heeft, volgens de raadsvrouw, ten onrechte de getuigen niet in voorarrest gehouden om ze te kunnen ondervragen, en aldus gefaald. Ten tweede heeft zij aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen in overwegende mate beslissend zijn voor de bewezenverklaring, zodat thans dient te worden beoordeeld of aan de verdediging voldoende compensatie op zowel procedurele als bewijsinhoudelijke gronden is geboden. Naar de mening van de raadsvrouw zijn in casu geen compenserende factoren aanwezig en kan de betrokkenheid van de verdachte niet voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Het Gerecht overweegt dienaangaande als volgt.

Het Gerecht stelt allereerst voorop dat de onderhavige zaak ter terechtzitting van 20 oktober 2017, op verzoek van de verdediging, naar de rechter-commissaris in dit Gerecht werd verwezen voor het horen van de getuigen [betrokkene 2], [betrokkene 4], [betrokkene 3] en [betrokkene 5] in Canada. De rechter-commissaris heeft te dien einde een rechtshulpverzoek door tussenkomst van de officier van justitie naar de Canadese justitiële autoriteiten doen uitgaan.

Het Gerecht stelt – op grond van de zich in het dossier bevindende processen-verbaal van de rechter-commissaris – vast dat [betrokkene 4] en [betrokkene 5] op 12 maart 2019 respectievelijk 13 maart 2019 (via videoconference met Canada) in bijzijn van de verdediging door voormelde rechterlijke instantie als getuigen in deze zaak zijn gehoord.

Bij de beoordeling van het verweer in kwestie moet voorts voorop worden gesteld dat de verdediging op grond van artikel 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM het recht op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft om getuigen in enig stadium van het geding daadwerkelijk te (doen) ondervragen. Of in het concrete geval zo een ondervragingsmogelijkheid bestaat, is mede afhankelijk van de omstandigheden waaronder en de wijze waarop de ondervraging van de getuige plaatsvindt. In het algemeen geldt dat de verdediging een zodanige mogelijkheid tot het (doen) stellen van vragen aan de getuige moet worden geboden dat zij daarmee in staat is de oprechtheid en de geloofwaardigheid van een door de getuige afgelegde verklaring – daaronder begrepen een verklaring die eerder tijdens het vooronderzoek en buiten de aanwezigheid van de verdediging is afgelegd – te toetsen en aan te vechten. Waar het gaat om de effectiviteit van de ondervragingsmogelijkheid, komt mede betekenis toe aan het bestaan en het toepassen van wettelijke voorschriften en procedures die beogen te bevorderen dat de getuige de gestelde vragen (naar waarheid) beantwoordt, waaronder de voorschriften betreffende de verplichting om bij het verhoor te verschijnen en (de mogelijkheid van) het beëdigen dan wel aanmanen van de getuige.1

Uit de door de rechter-commissaris opgemaakte processen-verbaal van de getuigenverhoren blijkt dat de getuigen onder ede zijn gehoord. Voorts blijkt dat de verdediging bij die verhoren aanwezig is geweest en in de gelegenheid is gesteld om de getuigen te ondervragen, alsmede om hen te confronteren met hun eerder te Aruba afgelegde verklaringen en hen – nu de verhoren via videoconference hebben plaatsgevonden – te observeren. Van deze gelegenheid blijkt de verdediging ook gebruik te hebben gemaakt. Het is het Gerecht, mede gelet op de inhoud van meer vermelde processen-verbaal en het verhandelde ter terechtzitting, niet gebleken dat de verdediging tijdens die verhoren op enigerlei wijze werd beperkt in haar mogelijkheid de verklaringen van de getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] naar hun oprechtheid en geloofwaardigheid te toetsen. Het Gerecht concludeert, mede gelet op de inhoud van de processen-verbaal van de getuigenverhoren, dat aan de verdediging een effectieve en behoorlijke mogelijkheid werd geboden om [betrokkene 4] en [betrokkene 5] te (doen) ondervragen. Dat [betrokkene 4] en [betrokkene 5] tijdens hun respectievelijke verhoren hebben aangegeven zich niet veel te kunnen herinneren, doet, naar het oordeel van het Gerecht, daaraan niet af. De enkele omstandigheid dat een getuige de aan hem gestelde vragen niet (volledig) beantwoordt omdat hij – al dan niet vanwege tijdsverloop – onvoldoende concrete herinneringen heeft aan wat hij met betrekking tot wat aan de verdachte is ten laste gelegd, heeft waargenomen of ondervonden, brengt niet mee dat een effectieve en behoorlijke ondervragingsmogelijkheid heeft ontbroken. Die omstandigheid kan wel relevant zijn bij de selectie en waardering van het bewijsmateriaal en daarop gerichte verweren, in het bijzonder ten aanzien van de eerder in het vooronderzoek afgelegde verklaring(en).2 In dat verband is van belang dat de getuigen tijdens dit nader verhoor de inhoud van de door hen tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen niet hebben betwist, terwijl de getuige [betrokkene 5] een aantal vragen van de verdediging wel van een concreet antwoord heeft voorzien. Zo heeft zij verklaard op de bewuste dag een schot te hebben gehoord alsmede heeft zij bevestigd (in zoverre) dat zij op 3 mei 2017 heeft verklaard te vermoeden dat [betrokkene 4] het moment heeft waargenomen waarop de verdachte haar vriend [slachtoffer] heeft beschoten.

De conclusie van de verdediging dat [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] dit nader verhoor bewust saboteerde(n) kan, bij gebrek aan concrete aanwijzingen, niet worden gerechtvaardigd.

Het Gerecht is derhalve van oordeel dat de verdediging in het geval van de getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] op generlei wijze werd beperkt in de uitoefening van haar ondervragingsrecht, hetgeen ook geen schending van dat in artikel 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM vervatte recht met zich brengt. Dit deel van het verweer slaagt niet.

Ten aanzien van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] geldt het volgende. De Canadese autoriteiten hebben de rechter-commissaris bericht dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2], ondanks herhaalde pogingen daartoe, niet voor hun respectievelijke getuigenverhoren konden worden opgeroepen. [betrokkene 3] bleek te zijn overleden, terwijl [betrokkene 2] onvindbaar was. Deze getuigen konden aldus niet door de rechter-commissaris worden gehoord. Met betrekking tot [betrokkene 2] overweegt het Gerecht als volgt. Van een effectieve en behoorlijke ondervragingsmogelijkheid was in het geval van [betrokkene 2] geen sprake; hij kon immers niet worden gelokaliseerd. Doch de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe (zoals in casu de herhaalde pogingen via de Canadese autoriteiten om [betrokkene 2] te vinden), geen gebruik heeft kunnen maken van die ondervragingsmogelijkheid, staat er niet aan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel – indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd – het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd. Voor de beanwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van – kort gezegd – een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.3

De verdachte betwist het slachtoffer [slachtoffer] te hebben doodgeschoten. [betrokkene 2] heeft ten overstaan van de Arubaanse politie – voor zover hier van belang – verklaard dat [slachtoffer], [betrokkene 3], de verdachte, [betrokkene 4] en hij zich in een kamer op de eerste verdieping van de woning van [slachtoffer] bevonden, dat er een discussie tussen [slachtoffer] en de verdachte ontstond en dat de verdachte een vuurwapen vanuit zijn broeksband trok, dit vuurwapen op het gezicht van [slachtoffer] richtte en direct schoot. [slachtoffer] viel vervolgens op de grond en bloedde hevig uit zijn hoofd.

[betrokkene 2]s verklaring staat niet op zichzelf maar wordt ondersteund door onder meer de verklaringen van [betrokkene 4] en [betrokkene 5]. [betrokkene 4] heeft – voor zover hier van belang – verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte [slachtoffer] doodschoot. [betrokkene 4] heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte een vuistvuurwapen haalde op de benedenverdieping. [betrokkene 4] heeft verder verklaard dat hij, [betrokkene 2], [betrokkene 3], [slachtoffer] en de verdachte aanwezig waren in de kamer op de bovenverdieping tijdens het schietincident. Hij heeft gezien dat de verdachte een vuurwapen in de richting van het hoofd van [slachtoffer] richtte en plotseling vuurde. Ook [betrokkene 4] zag [slachtoffer] op de grond vallen en bloed uit diens hoofd vloeien. [betrokkene 5] heeft verklaard dat er een hevige discussie op de bovenverdieping gaande was tussen de verdachte en [slachtoffer]. [betrokkene 5] bevond zich op dat moment op de benedenverdieping en herkende de schreeuwende stemmen van de verdachte en [slachtoffer]. [betrokkene 5] heeft vervolgens verklaard dat de verdachte naar beneden kwam, naar de slaapkamer ging en terugkwam. [betrokkene 5] heeft waargenomen dat de verdachte op dat moment met zijn hand iets tussen zijn broeksband vasthield onder zijn kleding en tegen haar zei: “I have a really good reason to do this. I am gonna do something”. Tevens heeft [betrokkene 5] bevestigd dat op een gegeven moment [slachtoffer], de verdachte, [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] zich allen op de bovenverdieping bevonden. Vlak na het schietincident heeft zij van [betrokkene 3] gehoord dat [slachtoffer] dood is en dat de verdachte hem heeft doodgeschoten.

De verklaringen van [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] worden voorts door objectief bewijsmateriaal ondersteund. Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) komt naar voren dat schotrestdeeltjes op de handen van de verdachte zijn aangetroffen.

Het Gerecht concludeert op grond van het vorenoverwogene dat de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde niet in beslissende mate op de verklaring van [betrokkene 2] is gebaseerd, maar in voldoende mate steun vindt in andere wettige bewijsmiddelen. Van enige inbreuk op het ondervragingsrecht van de verdachte, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM is dan ook geen sprake.

Ook dit deel van het verweer slaagt niet.

Ten slotte is het Gerecht van oordeel dat de stelling van de raadsvrouw dat het Openbaar Ministerie heeft gefaald omdat het Openbaar Ministerie de getuigen niet in voorarrest heeft gehouden teneinde ze te kunnen horen, geen steun vindt in het recht. Deze stelling wordt dan ook verworpen.

Het Gerecht is derhalve van oordeel dat de verklaringen van [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 2] voor het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde kunnen worden gebezigd.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, impliciet subsidiair, en 2 is ten laste gelegd, met dien verstande dat:

1. dat hij op of omstreeks 1 mei 2017 in Aruba, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar, opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, met een vuurwapen een kogel afgevuurd op of in de richting van die [slachtoffer], ten gevolge waarvan die [slachtoffer], is overleden;

2. dat hij op of omstreeks 1 mei 2017 in Aruba, een pistool (van het merk [merk 1] model [model 1], serie nummer [serienummer], kaliber [kaliber 1]) en/of een pistool (van het merk [merk 2] model [model 2], kaliber [kaliber 2]), in elk geval een (of meer) vuurwapen(s), en/of een (of meer) patro(o)n(en), in elk geval munitie, als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening, voorhanden heeft gehad.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.

Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Voor zover de hieronder opgenomen bewijsmiddelen worden aangeduid als ‘bijlage’, betreft het processen-verbaal en geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Aruba, Divisie [divisie], administratienummer [nummer], onderzoeksnaam “[onderzoeksnaam]”, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 23 juni 2017 gesloten en ondertekend door [verbalisant 1], hoofdagent eerste klasse bij voormeld korps.

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Aruba.

Voor zover geschriften worden gebruikt, worden deze slechts gebruikt in samenhang met de inhoud van andere bewijsmiddelen, die op hetzelfde feit of dezelfde feiten betrekking hebben.

Feiten 1, impliciet subsidiair, en 2

1. Een proces-verbaal, Ambtshandelingendossier, bijlagenummer 3.1, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 1 mei 2017 gesloten en getekend door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], respectievelijk hoofdagent eerste klasse en agent eerste klasse bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende, als relaas van die verbalisanten of van een van hen, -zakelijk weergegeven-:

Op 1 mei 2017, omstreeks 05.00 uur, werd ik, [verbalisant 2], benaderd door een kennis van mij genaamd [betrokkene 1]. Zij vertelde mij spontaan in het Papiaments, dat zij met een [etniciteit] man was bij een logeerwoning te [gehucht 1] ter hoogte van “[naam park]” te [gehucht 2] met andere [buitenlandse] mannen. Op een gegeven moment hoorde zij het geluid van een schot van een vuurwapen. Zij ging naar de eerste verdieping in de eerste slaapkamer en trof aan haar vriend, de [etniciteit] man, die op de grond lag met bloed aan zijn hoofd.

Omstreeks 05:30 uur, wees het [buitenlandse] meisje (het Gerecht bgrijpt dat bedoeld wordt [betrokkene 1]) ons het perceel [adres 1] aan, alwaar de schietpartij zou hebben plaatsgevonden. In de eerste slaapkamer op de eerste verdieping troffen wij, verbalisanten, een man aan die op de grond lag in een plasbloed.

Ondertussen kwam een melding binnen via de Centrale Post van een aanrijding bij de splitsing te [gehucht 3], zijnde in de omgeving van [adres 1]. Voordat ik, [verbalisant 2], naar de aanrijding ging nam ik een opname van het gezicht van het lijk. De bij de aanrijding betrokken auto was de [kenteken + nummer 1], behorende aan een autoverhuurbedrijf. De eigenaar van dat bedrijf deelde ons mede dat een groep [buitenlandse] en [etniciteit] mannen een andere auto hadden gehuurd. Die auto is voorzien van het nummer [kenteken + nummer 2] ten name van [slachtoffer], geboren in [geboorteland] op [geboortedatum] 1991. Vervolgens wees hij mij de paspoortfoto van die man. Naar aanleiding hiervan vergeleek ik, [verbalisant 2], de paspoortfoto van de man die de auto [kenteken + nummer 2] had verhuurd met het slachtoffer in de woning te [adres 1]. Voornoemde foto kwam overeen met elkaar.

2. Een geschrift, te weten een autopsierapport (PRO JUSTITIA [nummer]), opgemaakt en ondertekend door de patholoog dr. C. Texier Verhelst, betreffende een op 3 mei 2017 verrichtte autopsie van [slachtoffer], datum overlijden 1 mei 2017, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

The body of [slachtoffer] was presented to me by the ARUBAN POLICEFORCE.

Last Name (S) [achternaam slachtoffer]

First Name (S) [voornamen slachtoffer]

Date of Death 01 – May – 2017

Date of Autopsy 03 – May – 2017

Injuries

In the right head, at the lateral side, in a height from ground of 162 cm and in a distance of 16 cm from the middle. 3 cm from the right earlap there was an oval inshot wound (radial skin defect of ca. 1,5 cm) with an abrasion ring (2 mm). There were visible signs of a near distance shot like gun powder residues. This wound has been named ‘A’.

In the left side of the head in the occipital region there was an outshot wound (named ‘B’) in a height from ground of 161 cm distance from the middle 8 cm and 4 cm from the left earlap.

Conclusion

The shotwound (‘A’ – ‘B’) had an entrance into the right parietal bone, had damaged brain tissue and skull bone in its trajectory from right to left with exit in the left occipital at the level of the mastoid process.

The shot went from right to left with an angle of ca. 90 degrees downwards.

The shotwound have been fatal and caused the death. There have been visible signs of ‘near distance shot’ or ‘contact shot’ at the entrance wound.

CAUSE OF DEATH:

Death from bleeding and severe brain damage as a result of shot wound.

3. De verklaring van de verdachte, op 11 oktober 2019 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

Ik heb tijdens mijn aanhouding een valse naam opgegeven, te weten [valse naam verdachte]. Mijn echte naam is [verdachte]. “[bijnaam verdachte]” is mijn bijnaam.

4. Een proces-verbaal, Persoonsdossier, bijlagenummer 2.8.7, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 3 mei 2017 gesloten en getekend door [verbalisant 4] en [verbalisant 1], respectievelijk brigadier eerste klasse en hoofdagent eerste klasse bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende, als verklaring van [betrokkene 5], -zakelijk weergegeven-:

[betrokkene 3] en ik zijn goed bevriend met [slachtoffer], bijgenaamd “[roepnaam slachtoffer]”. Op 1 mei 2017 reden wij naar het huis van [roepnaam slachtoffer]. Op een gegeven moment liepen [bijnaam verdachte] en [roepnaam slachtoffer] naar de eerste verdieping. Wij hoorden een hevige discussie op de eerste verdieping. Ik zag [bijnaam verdachte] naar beneden lopen en hij liep naar de slaapkamer op de begane grond. Hij bleef daar ongeveer vijf minuten. Ik zag [bijnaam verdachte] daarna langs mij lopen en ik zag dat [bijnaam verdachte] een zogenaamd “determined look” op zijn gezicht had. [bijnaam verdachte] uitte de volgende woorden in het Engels tegen mij: “I have a really good reason to do this. I am gonna do something”. Ik zag toen dat [bijnaam verdachte] met zijn hand iets tussen zijn broekband vasthield. Ik zag dat hij iets onder zijn kleding vasthield. [bijnaam verdachte] liep naar de eerste verdieping. Op dat moment bevonden [bijnaam verdachte], [roepnaam slachtoffer], [voornaam betrokkene 3] en [voornaam betrokkene 2] ([betrokkene 2]) zich op de eerste verdieping. Ik hoorde weer een geschreeuw en ik herkende de stemmen van [bijnaam verdachte] en [roepnaam slachtoffer]. [bijnaam verdachte] en [roepnaam slachtoffer] waren elkaar aan het uitschelden. Ik vroeg [voornaam betrokkene 4] ([betrokkene 4]) om naar de eerste verdieping te gaan om te kijken of alles goed was. [voornaam betrokkene 4] deed dit.

Op het moment dat ik in de SUV stapte, kwam [voornaam betrokkene 3] naar mij toe en zei tegen mij: “[roepnaam slachtoffer] is dead. [bijnaam verdachte] shot him.” [voornaam betrokkene 3] zag er heel triest uit en huilde een beetje.

In de auto hoorde ik [bijnaam verdachte] zeggen: “I have a gun”.

5. Een proces-verbaal, Persoonsdossier, bijlagenummer 2.3.7, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 1 mei 2017 gesloten en getekend door [verbalisant 5], hoofdagent eerste klasse bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende, als verklaring van [betrokkene 4], -zakelijk weergegeven-:

Gisteren omstreeks 22.30 uur gingen wij naar de woning van [roepnaam slachtoffer]. Op een gegeven moment begaven [roepnaam slachtoffer], [roepnaam betrokkene 3] ([betrokkene 3]), “[bijnaam betrokkene 2]” ([betrokkene 2]) en de man met de [tint] huidskleur (het Gerecht: de verdachte) zich naar de kamer van [roepnaam slachtoffer] op de eerste verdieping. Op een gegeven moment zag ik de man met de [tint] huidskleur naar beneden komen. Hij liep naar de kamer tussen de keuken en de badkamer. Hij haalde iets op, verborg dit en liep terug naar de kamer van [roepnaam slachtoffer].

6. Een proces-verbaal (met bijlage), Persoonsdossier, bijlagenummer 2.3.8, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 2 mei 2017 gesloten en getekend door [verbalisant 5] en [verbalisant 6], beiden hoofdagent eerste klasse bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende, als verklaring van [betrokkene 4], -zakelijk weergegeven-:

In mijn eerste verklaring heb ik verklaard dat [bijnaam verdachte] iets ging halen beneden tussen de keuken en de badkamer. Op dat moment zat ik in de patio te roken. Vandaar kon ik alles duidelijk zien. Hierbij wil ik bevestigen dat het iets dat [bijnaam verdachte] ging halen, een vuistvuurwapen was. Het betrof een zilver-zwartkleurig pistool. Ik weet dat het een pistool is, want het had geen cilinder. In Canada had ik vuistvuurwapens gezien. Daarom kan ik dat bevestigen.

Ik wil hierbij bevestigen dat ik de gepleegde moord had gezien. Op dat bewuste moment waren [roepnaam slachtoffer], [bijnaam verdachte], [roepnaam betrokkene 3], “[bijnaam betrokkene 2]” en ik in de slaapkamer waar [roepnaam slachtoffer] werd vermoord. Ik zag [bijnaam verdachte] met het vuurwapen in zijn hand. [bijnaam verdachte] stond vóór [roepnaam slachtoffer], op een afstand van ongeveer twee meter van hem. [bijnaam verdachte] richtte het vuurwapen in de richting van het hoofd van [roepnaam slachtoffer]. Plotseling vuurde [bijnaam verdachte] op [roepnaam slachtoffer] af. Nadat [bijnaam verdachte] een schot op [roepnaam slachtoffer] afloste, zag ik dat [roepnaam slachtoffer] op de vloer viel. Daarna zag ik bloed van het hoofd van [roepnaam slachtoffer] lopen.

7. Een proces-verbaal, Persoonsdossier, bijlagenummer 2.2.8, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 4 mei 2017 gesloten en getekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 4], voornoemd, voor zover inhoudende, als verklaring van [betrokkene 2], -zakelijk weergegeven-:

Ik wil benadrukken dat [bijnaam verdachte] [roepnaam slachtoffer] had vermoord. “ [bijnaam verdachte]” wordt ook [bijnaam verdachte] genoemd.

[roepnaam slachtoffer], “[bijnaam verdachte]’, [roepnaam betrokkene 3], [voornaam betrokkene 4] ik waren op de eerste verdieping. Er was een discussie tussen [roepnaam slachtoffer] en “[bijnaam verdachte]” over geld. Ik zag toen “[bijnaam verdachte]” een zwart gekleurd vuistvuurwapen vanuit de rechterzijde van zijn broeksband trok. “[bijnaam verdachte]” richtte voornoemd vuistvuurwapen in de richting naar het gezicht van [roepnaam slachtoffer] en had hem direct geschoten. Ik zag [roepnaam slachtoffer] op de vloer vallen en bloedde hevig van zijn hoofd. Ik wist dat [roepnaam slachtoffer] al dood was op dat moment.

Later heb ik het vuistvuurwapen van “ [bijnaam verdachte]” in de struiken gegooid.

8. Een proces-verbaal, Persoonsdossier, bijlagenummer 2.2.9, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 13 mei 2017 gesloten en getekend door [verbalisant 4], voornoemd, en [verbalisant 7], brigadier eerste klasse van voor zover inhoudende, als verklaring van [betrokkene 2], -zakelijk weergegeven-:

Ik moet benadrukken dat [bijnaam verdachte] dichtbij stond op een zogenaamde “point blank” afstand toen hij wijlen [roepnaam slachtoffer] in zijn hoofd schoot.

9. Een proces-verbaal van bevindingen van plaatsaanwijzing met [betrokkene 2], Ambtshandelingendossier, bijlagenummer 3.13, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 4 mei 2017 gesloten en getekend door [verbalisant 1], [verbalisant 6] en [verbalisant 4], voornoemd, voor zover inhoudende, als relaas van die verbalisanten of van een van hen, -zakelijk weergegeven-:

Gedurende het verhoor verklaarde de verdachte [betrokkene 2], dat hij het gebruikte vuurwapen in de moordzaak te [adres 1] in de struiken had weggegooid. Wij, verbalisanten, dirigeerden ons, op 4 mei 2017 vergezeld van de verdachte [betrokkene 2] richting de struiken ten westen van perceel [adres 2]. Daar gekomen wees de verdachte [betrokkene 2] ons aan, de struiken ten zuiden van het perceel [adres 2], alwaar hij bovengenoemd vuurwapen had weggegooid.

10. Een proces-verbaal van bevindingen, Ambtshandelingendossier, bijlagenummer 3.14, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 4 mei 2017 gesloten en getekend door [verbalisant 5], voornoemd, voor zover inhoudende, als relaas van die verbalisant, -zakelijk weergegeven-:

Op 4 mei 2017 werd een zoekactie gestart in de mondi, gelegen ten zuiden van het perceel [adres 2]. Een personeelslid van de Mobiele Eenheid trof bedoeld vuurwapen tussen de grassen aan. Het vuurwapen werd veiliggesteld in het belang van het verdere onderzoek. Tevens werd het vuurwapen in beslag genomen.

11. Een proces-verbaal (met bijlage), Persoonsdossier, bijlagenummer 2.2.10, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 19 mei 2017 gesloten en getekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 4], voornoemd, voor zover inhoudende, als verklaring van [betrokkene 2], -zakelijk weergegeven-:

OV: Aan de verdachte [betrokkene 2] werd een foto, opgemaakt door het Bureau Forensisch Technische Onderzoeken, van het in beslag genomen vuurwapen dat ten zuiden van het perceel [adres 2], in de mondi werd aangetroffen, getoond.

V: Herken jij het vuurwapen op die foto?

A: Ja, bedoeld vuurwapen is hetzelfde vuurwapen, waarover ik in mijn verklaringen had verklaard. Bedoeld vuurwapen is hetzelfde vuurwapen dat ik in de mondi had gegooid. Bedoeld vuurwapen is hetzelfde vuurwapen dat “[bijnaam verdachte]” had gebruikt om [roepnaam slachtoffer] te schieten.

12. Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, Nederland, op 15 november 2017 opgemaakt en ondertekend door ing. R.C. Roepnarain, NFI-deskundige schotrestenonderzoek, betreffende schotresten-onderzoek naar aanleiding van een schietincident in Aruba op 1 mei 2017, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

1. Te onderzoeken materiaal

Tabel 1 Overzicht te onderzoeken materiaal

SIN

Omschrijving in aanvraag

Omschrijving NFI

[nummer]

onderzoeksset schiethanden [valse achternaam verdachte]

een onderzoeksset schiethanden waarmee de handen van verdachte [valse naam verdachte] zijn bemonsterd

2 Verkregen informatie

In het onderzoeksaanvraag [nummer] van 15 september 2017 staat vermeld:

“Korte omschrijving van het delict

Op maandag 1 mei 2017 omstreeks 05:25 uur, kwam de melding binnen dat er een schietincident had plaatsgevonden op het adres [adres 1]. Als gevolg van dit schietincident overleed de man [slachtoffer], geboren in [geboorteland] op [geboortedatum] 1991.”

“Opmerking: de verdachte [valse naam verdachte], [vals geboorteland] [valse geboortedatum]1987 heeft bij zijn aanhouding een valse naam opgegeven. Hij heet in werkelijkheid [verdachte], geboren in [geboortestad], [geboorteland] op [geboortedatum] 1986.”

Omdat in de onderzoeksaanvraag en in het formulier “gegevens verdachte/slachtoffer” voor deze verdachte de naam [valse naam verdachte] is vermeld, wordt deze naam in de verdere rapportage aangehouden.

In het formulier “gegevens verdachte/slachtoffer” van de onderzoeksset schiethanden [[nummer]], setnummer [setnummer], staat vermeld:

Achternaam: [valse achternaam verdachte]

Voornamen: [valse voornaam verdachte]

Datum en tijdstip delict: 01-05-2017, omstreeks 05:25 uur

Datum en tijdstip afname schiethand: 01-05-2017, 08:45 uur

3 Vraagstelling

In de onderzoeksaanvraag [nummer] van 15 september 2017 staat vermeld:

“Kan een relatie worden aangetoond tussen de onderzoeksset schiethanden waarmee de handen van de verdachte zijn bemonsterd en een schietproces”

Bovenstaande vraagstelling wordt beantwoord aan de hand van een set hypothesen:

Hypothese 1: Op de bemonsteringen van de verdachte zijn schotresten aanwezig.

Hypothese 2: Op de bemonsteringen van de verdachte zijn géén schotresten aanwezig.

5 Resultaten

Op de onderzochte stubs zijn met de elektronenmicroscoop verschillende anorganische deeltjes aangetroffen.

Tabel 2 Overzicht van categorie A en B deeltjes die zijn aangetroffen op de onderzochte stubs.

Stuk van overtuiging

Elementsamenstelling a)

Aantal

Categorie

Onderzoeksset schiethanden [[nummer]]

verdachte [valse naam verdachte]

PbBASb

BaCaSi

Pb

Sb

Sr

1

2

3

2

2

A

B

B

B

B

Toelichting:

a) Verklaring symbolen elementen: lood (Pb), barium (Ba), antimoon (Sb), zink (Zn), titaan (Ti), calcium (Ca), silicium (Si), aluminium (Al) en strontium (Sr).

6 Interpretatie resultaten

Verdachte [valse naam verdachte]

Op de stubs waarmee de handen van deze verdachte zijn bemonsterd, is één categorie A deeltje aangetroffen. Daarnaast zijn op de stubs ook categorie B deeltjes aangetroffen, zie tabel 2. Het categorie A deeltje voldoet aan de door het NFI voor deze categorie gehanteerde criteria. Van deze deeltjes zijn tot op heden geen andere bronnen van herkomst bekend dan een schietproces. Deze deeltjes zijn tot op heden niet aangetroffen bij personen die voor zover bekend op geen enkele wijze verzameling aangetroffen deeltjes, de beschikbare literatuur en de ervaring op het NFI in zaakonderzoek is het naar mijn oordeel zeer veel waarschijnlijker de verzameling deeltjes aan te treffen wanneer hypothese 1 (wel schotresten aanwezig) waar is, dan wanneer hypothese 2 (géén schotresten aanwezig) waar is.

7 Conclusie

De bevindingen van het onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten op de onderzoekssets schiethanden [[nummer] en [nummer]] waarmee de handen van de verdachten [valse naam verdachte] zijn bemonsterd, zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

13. Een proces-verbaal van onderzoek pistool, Forensisch dossier Onderzoek “[onderzoeksnaam]” (dossierpagina’s 104-105), mutatienummer [mutatienummer], in de wettelijke vorm opgemaakt en op 30 juni 2017 gesloten en getekend door [verbalisant 8], brigadier eerste klasse bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende, als relaas van die verbalisant, -zakelijk weergegeven-:

Aanleiding

Op 4 mei 2017 werd ik door de Centrale Meldkamer ter hoogte van het perceel [adres 2] gestuurd. Dit in verband met het aantreffen van een vuurwapen op aanwijzing van één van de verdachten in de zaak “[onderzoeksnaam]”.

Inbeslagname

Het vuurwapen werd door mij op dezelfde dag inbeslaggenomen en overgebracht naar het Bureau Forensisch Technische Onderzoeken voor onderzoek.

Onderzoek vuurwapen

Pistool

Merk : [merk 2]

Kaliber : [kaliber 2]

Model : [model 2].

Het pistool was niet voorzien van een patroonhouder en was niet geladen. Het pistool zag er goed onderhouden uit en de bewegende delen bleken naar behoren te functioneren.

Conclusie

Het pistool bleek een echt vuurwapen te zijn en moet als deugdelijk worden beschouwd. Het pistool is geschikt voor bedreiging of afdreiging en valt daarom onder de bepalingen van de Vuurwapenverordening.

Bewijsoverwegingen

Betrouwbaarheid van de verklaringen

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe – samengevat – aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen [betrokkene 4], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 6], [betrokkene 5] en [betrokkene 7] ongeloofwaardig zijn, nu:

  1. die verklaringen de indruk wekken dat de getuigen onderling hebben afge-sproken op wie de schuld moet worden afgeschoven en de getuigen aan de hand van de verklaringen van anderen hun verklaring hebben bijgesteld. Volgens de raadsvrouw kan niet worden uitgesloten dat de verdachte door deze groep naar voren wordt geschoven als de ‘fall guy’;

  2. die verklaringen niet kloppen en onwaarheden bevatten, nu het zelfstandig bewijsmateriaal de door de groep geschetste toedracht weerspreekt;

  3. [betrokkene 3], [betrokkene 2] en [betrokkene 4] niet op hun woord mogen worden geloofd. [betrokkene 3] is een zware crimineel die blijkbaar deel uitmaakt van een criminele bende (“[naam bende]”), [betrokkene 2] maakt ook deel uit van [naam bende] en [betrokkene 4] zit eveneens in het criminele circuit.

Het Gerecht overweegt als volgt.

Op grond van de bewijsmiddelen kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden vastgesteld. [slachtoffer] werd op 1 mei 2017 doodgeschoten in een (slaap)kamer van de door hem gehuurde woning in Aruba. Reeds vóór het schietincident bevonden zich, behalve ‘[roepnaam slachtoffer]’ [achternaam slachtoffer], ook andere personen in die woning te weten [betrokkene 1] (de vriendin van [slachtoffer]), [voornaam betrokkene 2] (‘[bijnaam betrokkene 2]’) [achternaam betrokkene 2], [voornaam betrokkene 3] (‘[roepnaam betrokkene 3]’) [achternaam betrokkene 3] en zijn vriendin [betrokkene 5], [betrokkene 4] [betrokkene 4] en zijn vriendin [betrokkene 7], [betrokkene 6] (een vriendin van [betrokkene 5]), [betrokkene 8] (‘[bijnaam betrokkene 8]’) en de verdachte.

Ad a:

Uit het dossier volgt dat de getuigen, die in eerste instantie als verdachten werden aangemerkt (met uitzondering van [betrokkene 1]), niet allen tezamen werden aangehouden. Zo werden [betrokkene 4], de verdachte, [betrokkene 7], [betrokkene 6] en [betrokkene 3] in de vroege ochtenduren van 1 mei 2017 gearresteerd. Voor [betrokkene 2] en [betrokkene 8] geldt dat zij pas in de middaguren van diezelfde dag op de politiewacht werden aangehouden. [betrokkene 5] werd op 1 mei 2017 – een paar uren na de schietpartij – vanwege een aanrijding in het ziekenhuis opgenomen en op 2 mei 2017 aldaar aangehouden.

[betrokkene 4] en [betrokkene 2] verklaarden op 2 mei 2017 respectievelijk 4 mei 2017 afzonderlijk dat de verdachte [slachtoffer] had doodgeschoten, terwijl [betrokkene 5] haar verklaring op 3 mei 2017 in het ziekenhuis aflegde. Doch reeds op 3 mei 2017 –na de getuigenis van [betrokkene 4]– deed de officier van justitie een mededeling naar de verdachte en voornoemde gewezen verdachten uitgaan, inhoudende de onthouding van de kennisneming van bepaalde processtukken, te weten de verklaring(en) van [betrokkene 4]. De kennisname van de processtukken is voor die personen beperkt gebleven tot aan 10 mei 2017.

Het Gerecht acht het, gelet op het vorenstaande, dan ook niet aannemelijk geworden dat deze gewezen verdachten destijds hun verklaringen onderling hebben afgestemd, dan wel hun verklaringen op die van anderen hebben bijgesteld.

Ad b :

Uit de verklaringen van [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] komt naar voren dat zich ten tijde van het schietincident vijf personen in de onderhavige kamer bevonden, namelijk [slachtoffer], de verdachte, [betrokkene 3], [betrokkene 2] en [betrokkene 4]. Uit de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 5] volgt dat vlak voor het schietincident een ruzie/discussie ontstond tussen [slachtoffer] en de verdachte. Deze verklaringen worden in zoverre ondersteund door de verklaringen van [betrokkene 6], [betrokkene 7] en [betrokkene 1]. Ook zij zagen de mannen van het gezelschap naar de bovenverdieping gaan en hoorden dat er een discussie gaande was.4

Voorts hebben [betrokkene 2] en [betrokkene 4] verklaard dat zij hebben gezien dat de verdachte het vuurwapen op korte afstand op het hoofd van [slachtoffer] richtte en een schot loste. [betrokkene 4] heeft verklaard dat hij heeft waargenomen dat de verdachte vlak daarvoor een vuurwapen op de benedenverdieping ging halen.

De verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 4] worden ondersteund door de verklaring van [betrokkene 5]. Ook zij heeft de verdachte tijdens de discussie naar de benedenverdieping zien komen en met iets tussen zijn broeksband naar de bovenverdieping terug zien gaan, terwijl de verdachte tegen haar zei dat hij een zeer goede reden heeft om ‘dit’ te doen en dat hij ‘iets’ zal doen. Verder heeft [betrokkene 3], die ook in de kamer aanwezig was tijdens het schietincident, vlak na het schietincident tegen haar verteld dat de verdachte [slachtoffer] heeft doodgeschoten.

Vorenstaande verklaringen vinden verder steun in objectief bewijsmateriaal, te weten de rapporten van de patholoog en van het NFI. De patholoog bevestigt dat het slachtoffer op zeer korte afstand werd beschoten. Immers de patholoog concludeert dat sprake is van een ‘near distance shot’ of ‘contact shot’. Het NFI heeft onderzoek verricht naar de schiethanden van de verdachte en naar de schiethanden van [betrokkene 3], [betrokkene 2] en [betrokkene 4]. Uitsluitend bij de verdachte – en niet bij de anderen – is onder meer een categorie A-deeltje aangetroffen dat, vanwege zijn elementsamenstelling en morfologie, karakteristiek is voor een schietproces. Daar komt nog bij dat de verdachte steeds heeft geweigerd over de toedracht van de zaak te verklaren en daarmee geen redelijke uitleg heeft gegeven over hoe het schotrestdeeltje op hem terecht is gekomen.

Het Gerecht is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat de getuigenverklaringen, ondersteund door objectief bewijsmateriaal, in hoofdlijnen én details met elkaar overeenkomen. Dat de verklaringen niet in alle details met elkaar overeenkomen, leidt naar het oordeel van het Gerecht niet tot de onbetrouwbaarheid daarvan.

Ad c :

Deze stelling is naar het oordeel van het Gerecht niet onderbouwd. Ook indien zou worden uitgegaan van de juistheid van de stelling dat [betrokkene 3], [betrokkene 2] en [betrokkene 4] (zware) criminelen zouden zijn maakt dit, in het licht van het voorgaande, niet dat zij reeds om die reden niet mogen worden geloofd.

Het Gerecht acht, gelet op het vorenstaande, de verklaringen derhalve betrouwbaar en zal die ook bezigen tot het bewijs. Het verweer wordt verworpen.

Andere mogelijke scenario’s

De suggestie van de raadsvrouw dat een ander dan de verdachte de schutter zou zijn geweest, wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1. Doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 2:259 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.

2. Overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van deze Landsverordening.

Het bewezenverklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte is te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag en het voorhanden hebben van een pistool. De verdachte was samen met anderen op bezoek bij het slachtoffer. Er ontstond een discussie tussen het slachtoffer en de verdachte. De verdachte heeft toen de ruimte verlaten en is een pistool gaan halen, dat hij verborg onder zijn kleding. Vervolgens keerde de verdachte terug naar de ruimte waar de anderen zich bevonden. De discussie tussen de verdachte en het slachtoffer ging verder. Plotseling trok de verdachte het pistool, richtte dat op korte afstand op het hoofd van het slachtoffer en vuurde direct. Het slachtoffer viel dood neer. [betrokkene 4] heeft verklaard dat de verdachte op korte afstand van het slachtoffer stond, toen hij het schot op hem loste. [betrokkene 2] heeft verklaard dat de verdachte op ‘point blank’-afstand stond. Uit het rapport van de patholoog blijkt dat het een ‘near distance shot’ of ‘contact shot’ betrof.

De wijze waarop de verdachte het slachtoffer heeft doodgeschoten, namelijk een pistool trekken, dit direct op - dan wel vlak bij - het hoofd van het slachtoffer plaatsen en onmiddellijk vuren, getuigt van een op executiestijl ontnemen van diens leven. Deze stuitende gerichtheid op de dood van het slachtoffer, rekent het Gerecht de verdachte bijzonder zwaar aan. Blijkens de verklaring van de verdachte ter terechtzitting was het slachtoffer een goede vriend van de verdachte. De verdachte heeft aldus het slachtoffer in de veilige omgeving van zijn eigen woning, terwijl het slachtoffer meende zich onder vrienden te begeven, volledig overdonderd. Het slachtoffer heeft geen enkele kans gehad om dit te overleven.

De verdachte heeft door zijn handelen het slachtoffer beroofd van het hoogste goed dat de mens bezit, te weten het leven. Bij de nabestaanden heeft hij groot en onherstelbaar leed toegebracht. Zij zullen met het verlies en de herinnering aan deze tragedie moeten leven. Dit feit heeft ook de samenleving als geheel geschokt en heeft bijgedragen aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Ook het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen kan gevaarlijke situaties, zoals in casu, met zich brengen en behoort tot een categorie van feiten die ernstige inbreuk maken op de rechtsorde en gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweegbrengen.

Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

De verdachte is, zo blijkt uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister, hier te lande niet eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het Gerecht stelt vast dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een zaak in eerste aanleg behoort te zijn afgerond. In het geval de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze omstandigheden zijn, onder meer, de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.5

De redelijke termijn voor berechting van de onderhavige zaak heeft een aanvang genomen op 1 mei 2017, toen de verdachte werd aangehouden. De verdachte verkeert sindsdien in voorlopige hechtenis. De behandeling van zijn zaak in eerste aanleg is eerst op 28 oktober 2019 – en aldus niet binnen zestien maanden – met een eindvonnis afgerond. Daarvoor zijn bijzondere omstandigheden aan te wijzen. In de onderhavige zaak moest op grond van het verdedigingscriterium nader onderzoek naar de schiethanden en het sporenmateriaal van onder meer de verdachte worden verricht. Ook dienden vier getuigen in Canada nader te worden gehoord. De verscheidene autoriteiten zijn in deze met de nodige voortvarendheid te werk gegaan, echter het horen van de getuigen heeft voor vertraging gezorgd, nu die getuigen voor hun leven en veiligheid vreesden en daarom geen getuigenis wilden afleggen. Van de vier getuigen zijn uiteindelijk slechts twee gehoord; van de andere twee is één overleden en de ander (nog steeds) onvindbaar.

Daarnaast is de verdachte ook van verdediging gewisseld, waardoor de inhoudelijke behandeling van de zaak niet eerder dan op 11 oktober 2019 heeft kunnen plaatsvinden. Doch de door de wisseling ontstane vertraging in de berechting van de zaak dient voor risico van de verdachte te komen.

Het Gerecht is van oordeel dat de overschrijding in kwestie, gelet op de bijzondere omstandigheden in casu, geen schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM voor de verdachte oplevert.

Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

In beslag genomen voorwerpen

Aan de orde zijn voorts de (onder de verdachte) in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

A. Verbeurdverklaring

De op de aangehechte beslaglijst onder nummers 10, 18, 21 tot en met 24-A, 26 tot en met 29, 31, 34 tot en met 36, 38, 39, 41, 42, 58 tot en met 60, 65, 66, 67, 71, 75, 76, 88 tot en met 92, 101, 105, 108, 109 en 114 aangeduide voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Weliswaar behoren de voorwerpen niet toe aan de verdachte, maar op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het Gerecht niet kunnen vaststellen aan wie zij wel toebehoren.

Het Gerecht zal daarom de verbeurdverklaring gelasten.

Onttrekking aan het verkeer

De op de aangehechte beslaglijst voorkomende voorwerpen onder nummers 53, 54, 61, 62 en 87 zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen is in strijd met de wet en/of het algemeen belang. Het Gerecht zal die voorwerpen daarom onttrekken aan het verkeer.

Het in beslag genomen vuurwapen van het merk “[merk 2] [kaliber 2]” is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Het betreft een voorwerp met betrekking tot welke het onder 1, impliciet subsidiair, en 2 bewezen verklaarde is begaan. Het voorwerp is bovendien van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang. Het Gerecht zal dit voorwerpen daarom onttrekken aan het verkeer.

Tevens is het vuurwapen van het merk “[merk 1], [model 1]” (serienummer [serienummer]), vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Het voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

Teruggave

Het Gerecht is van oordeel dat zich geen strafvorderlijk belang verzet tegen teruggave aan de onder de verdachte in beslag genomen bankbiljetten van $[bedrag]. Daarom zal daarvan de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven [kleur] mobiele telefoon van het merk “[merk 3]” (zonder kaft) zal worden teruggegeven aan [betrokkene 7], zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven twee [kleur] snoeren (nummer 57 op de beslaglijst) zullen worden teruggegeven aan [betrokkene 7] en/of [betrokkene 4], zijnde degenen die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbenden kunnen worden aangemerkt.

De op de beslaglijst met nummers 20 en 30 aangeduide in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zullen worden teruggegeven aan [betrokkene 2], zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, op de beslaglijst aangeduid met nummers 77 en 78, zullen worden teruggegeven aan [betrokkene 4], zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven [kleur] mobiele telefoon van het merk “[merk 4]” (met [kleur] kaft) en de voorwerpen, op de beslaglijst aangeduid met nummers 72, 74, 79, 80 en 86, zullen worden teruggegeven aan [betrokkene 5], zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, op de beslaglijst aangeduid met nummers 110 tot en met 112, zullen worden teruggegeven aan [betrokkene], zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Niet in staat te beslissen

Het Gerecht acht zich niet in staat te beslissen omtrent de overige in de zaak van de verdachte in beslag genomen en op de beslaglijst met nummers 73, 95, 99, 100 en 104 aangeduide voorwerpen.

Artikel 397, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering van Aruba bepaalt dat het Gerecht de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen gelast voor zover deze niet worden verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer, tenzij het Gerecht verklaart tot het afgeven van een zodanige last niet in staat te zijn.

Het Gerecht overweegt dat daarvan in dit geval sprake is.

Weliswaar wordt de verdachte wegens een strafbaar feit veroordeeld, maar de in beslag genomen voorwerpen hebben met dat feit geen relatie en kunnen evenmin dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan. Daarom kunnen de desbetreffende voorwerpen niet worden verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer.

Aangezien de verdachte niet gerechtigd is om de voorwerpen voorhanden te hebben, zou teruggave daarvan een strafbaar feit opleveren. Gelet daarop zal het Gerecht op dit punt geen beslissing nemen en verklaren dat het tot het geven van een last tot teruggave niet in staat is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:62, 1:67, 1:68, 1:74, 1:75, 1:76, 1:136 en 1:224 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, impliciet primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, impliciet subsidiair, en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de vijftien (15) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten genoemd in rubriek A;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen genoemd in rubriek B;

gelast de teruggave van de in rubriek C genoemde voorwerpen aan de verdachte en aan de in die rubriek genoemde rechthebbenden;

verklaart ten aanzien van de in rubriek D genoemde voorwerpen, die niet voor verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer vatbaar zijn, dat het Gerecht tot het geven van een last tot teruggave niet in staat is.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S. Verheijen, bijgestaan door mw. M.E. Kelly, (zittingsgriffier), en op 28 oktober 2019 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Aruba.

uitspraakgriffier:

1 HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1017

2 HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1017

3 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016

4 Verklaringen van [betrokkene 6] (bijl. 2.5.8), [betrokkene 7] (bijl. 2.7.9), [betrokkene 5] (bijl. 2.8.7) en [betrokkene 1] (bijl. 4.1)

5 ECLI:NL:HR:2008:BD2578