Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:694

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
AUA201804023
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

arbeid - niet is komen vast te staan dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst - het element loon ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 3 september 2019

Behorend bij AUA201804023

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de zaak van:

[naam verzoeker],

te Aruba,

verzoeker in conventie, verweerder in reconventie,

hierna ook te noemen: [naam verzoeker],

gemachtigde: de advocaat mr. Z.J.E. Paesch,

tegen:

de stichting

TEEN CHALLENGE FOUNDATION OF ARUBA ,

h.o.d.n. Adult and Teen Challenge Aruba,

te Aruba,

verweerster in conventie, verzoekster in reconventie,

hierna ook te nomen: TCA,

gemachtigde: de advocaat mr. M.M. Malmberg.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingediend op 14 december 2018;

- het verweerschrift met producties, overgelegd op de rolzitting van 19 maart 2019;

- de mondelinge behandeling op 14 mei 2019.

1.2

De datum van de uitspraak van de beschikking is nader bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1 [

naam verzoeker] heeft in ieder geval sinds het jaar 2003 werkzaamheden verricht voor TCA. [naam verzoeker] is op een gegeven moment tot voorzitter benoemd.

2.2

TCA is een stichting die middels de kerk Faith Revival Center Assembles of God Aruba, in het jaar 2002 is opgericht.

2.3 [

naam verzoeker] heeft betalingen ontvangen van TCA.

2.4 [

naam verzoeker] heeft bij schrijven van 20 april 2018 aanspraak gemaakt op achterstallig loon.

2.5

Bij brief van 14 augustus 2018 heeft TCA de arbeidsrelatie met [naam verzoeker] beëindigd.

2.6 [

naam verzoeker] heeft bij brief van 16 augustus 2018 de nietigheid van ontslag ingeroepen en heeft zich bereid verklaard de bedongen arbeid te blijven verrichten.

3 DE VORDERING

in conventie

3.1

Het – ter zitting gewijzigd - verzoek strekt ertoe om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

a voor recht te verklaren dat het door TCA aan [naam verzoeker] gegeven ontslag kennelijk onredelijk en onregelmatig is,

b TCA te veroordelen om aan [naam verzoeker] te betalen het bedrag van Afl. 58.800,-- uit hoofde van schadevergoeding naar billijkheid ex artikel 7A:1615s BW daar het ontslag kennelijk onredelijk is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2018 (zijnde de datum dat [naam verzoeker] is ontslagen) dan wel vanaf een ander door het gerecht te bepalen datum;

c TCA te veroordelen te betalen het bedrag van Afl. 14.700,-- uit hoofde van onregelmatig ontslag;

d primair: TCA te veroordelen, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [naam verzoeker] te voldoen het bedrag ad Afl. 301.890,--, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente telkens vanaf het moment dat het loon betaald had moeten worden;

e subsidiair: TCA te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [naam verzoeker] te voldoen het maandelijks bedrag gelijk aan het minimum loon vanaf het moment dat het loon betaald had moeten worden;

f ieder andere beslissing te treffen die het gerecht in goede justitie geraden acht;

g TCA te veroordelen in de proceskosten en de nakosten van deze procedure.

3.2

Aan dit verzoek heeft [naam verzoeker] ten grondslag gelegd dat hij op staande voet is ontslagen, terwijl er geen sprake was van een daartoe vereiste dringende reden. Verder stelt [naam verzoeker] zich op het standpunt dat TCA hem achterstallig loon verschuldigd is.

3.3

TCA voert verweer dat bij de beoordeling aan de orde komt.

in reconventie

3.4

TCA verzoekt dat het gerecht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

a [naam verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaart dan wel dit afwijst als zijnde ongegrond en/of niet bewezen, dan wel de vordering aanzienlijk matigt;

subsidiair:

b [naam verzoeker] veroordeelt om hetgeen aan hem is vergoed door TCA over de periode 2003 tot en met 2017, zijnde een totaal bedrag van Afl. 106.569,77 te verrekenen met hetgeen TCA mogelijk aan [naam verzoeker] verschuldigd zou zijn, met de veroordeling om een eventueel saldo aan TCA te restitueren;

c [naam verzoeker] veroordeelt de auto Hyundai Accent ten name van TCA (hierna: de auto) ogenblikkelijk in het bezit te stellen van TCA;

d [naam verzoeker] veroordeelt in de proceskosten;

e ieder andere beslissing te treffen die het gerecht in goede justitie geraden acht.

3.5

Ter onderbouwing van het verzoek heeft TCA primair aangevoerd dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan. TCA heeft subsidiair gesteld dat aan [naam verzoeker] over de jaren 2008 tot en met 2017 te veel aan vergoedingen is uitbetaald. Verder heeft TCA gesteld [naam verzoeker] de auto ten onrechte onder zich houdt.

4 DE BEOORDELING

in conventie

4.1

De kern van het geschil betreft de vraag of tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan in de zin van artikel 7A:1613a van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW). [naam verzoeker] stelt dat dit het geval is, maar TCA betwist dit.

4.2

Ingevolge artikel 7A:1613a BW is er sprake van een arbeidsovereenkomst wanneer de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Uit deze wetsbepaling volgt dat voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst sprake dient te zijn van de elementen: arbeid, loon en gezagsverhouding.

4.3

Het gerecht stelt voorop dat tussen partijen vast staat dat [naam verzoeker] werkzaamheden heeft verricht voor TCA en dat hij betalingen van TCA heeft ontvangen. De vraag die beantwoord dient te worden, is of deze betalingen beschouwd dienen te worden als loon in de zin van artikel 7A:1613a BW. Volgens [naam verzoeker] is dit wel het geval, terwijl TCA dit betwist.

Volgens TCA dient de relatie tussen partijen, conform de statuten van TCA, bestempeld te worden als één waarbij [naam verzoeker] op basis van vrijwilligheid werkzaamheden heeft verricht voor TCA en waarbij hij voor de door hem verrichte werkzaamheden vergoedingen heeft ontvangen.

4.4

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [naam verzoeker] een aantal verklaringen in de procedure gebracht, waaronder die van mevrouw A (hierna: A), voorzitter van TCA in de periode 2008 tot 2010, die gedateerd is op 20 oktober 2018. Uit die verklaring blijkt dat het bestuur in het jaar 2003 met [naam verzoeker] heeft afgesproken dat hij een vergoeding van Afl. 1.000, -- zal ontvangen en dat de directie eraan zal blijven werken zodat [naam verzoeker] een vast salaris zal krijgen. Naar het oordeel van het gerecht toont dit stuk niet aan dat met [naam verzoeker] loon is overeengekomen, omdat het woord vergoeding niet automatisch betekent dat het om loon gaat in de zin van artikel 7A:1613a BW. Bovendien blijkt uit de verklaring niet dat met [naam verzoeker] is afgesproken dat hij dit bedrag maandelijks zal ontvangen. Ditzelfde geldt ten aanzien van de soortgelijke verklaringen die zijn afgelegd door mevrouw X, mevrouw Y en de heer Z. Die verklaringen zijn eveneens als productie overgelegd. Hieraan voegt het gerecht toe dat sprake was van een organisatie die werkt met vrijwilligers en dat die voor eventuele kosten een vergoeding krijgen. Onvoldoende is komen vast te staan dat [naam verzoeker] anders dan als vrijwilliger werkzaam is geweest.

4.5

Verder heeft [naam verzoeker] ter onderbouwing van zijn standpunt stukken in de procedure gebracht, waaronder kwitanties van de jaren 2008 tot en met 2013. Naar het oordeel van het gerecht volgt ook uit deze stukken niet dat loon is overeengekomen. Uit deze stukken kan juist worden afgeleid dat [naam verzoeker] over de jaren heen geen vaste maandelijkse vergoeding heeft ontvangen. Het gerecht constateert dat de vergoedingen die aan [naam verzoeker] zijn uitbetaald telkens van hoogte verschillen en dat de door hem ontvangen vergoedingen bij lange na niet in de buurt komen van het bedrag van Afl. 1.000, -- per maand dat aan loon zou zijn afgesproken. Voorts is uit de stellingen van partijen gebleken dat [naam verzoeker] in het jaar 2012 helemaal geen vergoedingen heeft ontvangen.

4.6 [

naam verzoeker] heeft voorts gesteld dat zijn loon, in verband met zijn directeurschap, tijdens een vergadering met het bestuur op 24 juli 2013 is verhoogd naar Afl. 4.900, --. Deze verhoging is volgens [naam verzoeker] vastgelegd in het nieuw financieel plan 2013. Dit stuk is als productie overgelegd. Uit dit stuk blijkt dat bij de post “Executive Director” onder het kopje “Personnel expenses (Office)” het bedrag van Afl. 4.900, -- per maand is opgenomen. Naar het oordeel van het gerecht toont ook dit stuk niet aan dat met [naam verzoeker] loon is overeengekomen, vooral omdat uit de notulen van diezelfde vergadering die eveneens als producties zijn overgelegd blijkt dat het aan [naam verzoeker] toe te kennen salaris nog op een nader te beleggen vergadering besproken moest worden. Gebleken is verder dat [naam verzoeker] vanaf 2013 tot het moment waarop de relatie tussen hem en TCA is beëindigd dit bedrag noch enig ander bedrag aan vergoedingen heeft ontvangen.

4.7

Gelet op de zeer onregelmatige wijze waarop de vergoedingen aan [naam verzoeker] zijn uitbetaald, de omstandigheid dat [naam verzoeker] jarenlang in het geheel geen vergoeding heeft ontvangen en dat bovendien niet is gebleken dat [naam verzoeker] op een eerder moment dan bij schrijven van 20 april 2018 aanspraak heeft gemaakt op achterstallig loon, is het gerecht van oordeel dat niet is komen vast te staan het standpunt van [naam verzoeker] dat tussen partijen loon in de zin van artikel 7A:1613a BW is overeengekomen en/of dat [naam verzoeker] loon heeft ontvangen. Gelet op het vorenstaande is het gerecht van oordeel dat het benodigde element ‘loon’ ontbreekt.

4.8

Het vorenstaande brengt het gerecht tot het oordeel dat niet is komen vast te staan het standpunt van [naam verzoeker] dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen hem en TCA. De vorderingen zullen derhalve worden afgewezen.

4.9

Nu het gerecht van oordeel is dat tussen partijen niet is komen vast te staan dat loon is overeengekomen, behoeft het beroep op verjaring zijdens TCA geen bespreking.

4.10 [

naam verzoeker] zal, als in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

in reconventie

4.11

Nu de vorderingen van [naam verzoeker] worden afgewezen, valt naar het oordeel van het gerecht niets te verrekenen dan wel te restitueren. De vordering onder b zal derhalve worden afgewezen.

4.12

Gebleken is dat [naam verzoeker] een auto onder zich heeft, welke hij naar eigen zeggen in retentie houdt. Voor zover [naam verzoeker] de auto in retentie houdt omdat hij de mening is toegedaan dat hij een vordering heeft op TCA vanwege achterstallig loon, is het volgende van belang. Nu gebleken is dat [naam verzoeker] geen vordering heeft op TCA, is hij, naar het oordeel van het gerecht, niet bevoegd om het retentierecht uit te oefenen. De auto staat op naam van TCA, die ook belang heeft bij retournering, omdat zij met de verkoopopbrengst een schuld aan een derde dient af te betalen. Dit deel van de vordering zal derhalve worden toegewezen.

4.13 [

naam verzoeker] zal, als in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5 DE UITSPRAAK

Het gerecht:

in conventie

wijst de vordering af;

veroordeelt [naam verzoeker] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van TCA, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.500,-- aan salaris voor de gemachtigde;

in reconventie

veroordeelt [naam verzoeker] de auto Hyundai Accent ten name van TCA in het bezit van TCA te stellen;

veroordeelt [naam verzoeker] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van TCA, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.250,-- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gewezen door mr. J. Sap, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 3 september 2019 in aanwezigheid van de griffier.