Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:673

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
16-10-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
AUA201902993
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Familiezaak, nihil stelling van kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 16 oktober 2019

Behorend bij K.G. AUA201902993

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiser],

wonende in Aruba,

eiser,

hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. E.M.J. Cafarzuza,

tegen:

[gedaagde],

wonende in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: de advocaat mr. M.A.M. Malmberg.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit

-het verzoekschrift, met producties;

-de nadere beslissing van dit Gerecht dat de mondelinge behandeling van de zaak zal worden gehouden ter terechtzitting van vrijdag 27 september 2019 om 10:30 uur.

1.2

Partijen zijn ter zitting verschenen samen met hun respectieve gemachtigde. Partijen hebben in twee termijnen het woord gevoerd - beiden mede aan de hand van een overgelegde en voorgedragen pleitnota, die van [gedaagde] voorzien van toegelaten producties -, en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1 [

eiser] vordert dat het Gerecht bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. het door [gedaagde] ten laste van [eiser] gelegde loonbeslag met onmiddellijke ingang opheft, danwel ongedaan maakt danwel schorst met terugwerkende kracht vanaf het moment van de beslaglegging en [gedaagde] veroordeelt tot terugbetaling aan [eiser] van hetgeen [gedaagde] krachtens het beslag heeft verkregen, althans [gedaagde] beveelt het beslag met onmiddellijke ingang op te heffen op straffe van verbeurte van een dwangsom van Afl. 1.000,-- voor iedere dag dat [gedaagde] dit bevel niet opvolgt;

b. het bedrag ad Afl. 1.000,-- dat [eiser] voorlopig moet betalen voor het levensonderhoud van [gedaagde] per augustus 2018 althans per heden op nihil bepaalt;

c. het bedrag ad Afl. 450,-- dat [eiser] voorlopig moet betalen aan bijdrage voor de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarige zoon van partijen per augustus 2018 althans per heden op nihil bepaalt;

d. [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten.

2.2 [

gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het door [eiser] verzochte. [gedaagde] verzoekt kosteloos te mogen procederen.

2.3

Voorzover van belang voor de uitspraak zullen de stellingen van partijen hierna worden besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vorderingen ligt besloten in de aard van die vorderingen en de daaraan ten gronde gelegde stellingen.

3.2

Bij tussen partijen gewezen vonnis van dit Gerecht in kort geding van 22 december 2017 in de zaak met als nummer AUA201703142 (hierna: het vonnis) heeft het Gerecht bepaalt dat [eiser] voorlopig Afl. 450,-- per maand moet betalen aan bijdrage voor de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zoon van partijen. Verder heeft het Gerecht bij dat vonnis bepaald dat [eiser] voorlopig Afl. 1.000,-- per maand moet betalen voor het levensonderhoud van [gedaagde]. De vraag die thans moet worden beantwoord is of het vonnis door wijzing van omstandigheden niet langer beantwoordt aan de wettelijke maatstaven in de zin van het bepaalde in het eerste lid van artikel 1:401 BW zoals gesteld door [eiser].

3.3

Bij email van 3 juli 2019 heeft [gedaagde] [eiser] onder meer het volgende bericht: “Hierbij stuur ik je het voorstel van de aanvulling op het scheidings convenant zoals we al hebben besproken. Mocht je vragen hebben hoor ik dat graag dan kunnen we daar natuurlijk over praten en eventueel aanpassen.”. Voormeld aan [eiser] voorgelegd voorstel van [gedaagde] met als kopje “AANVULLENDE OVEREENKOMST TOT WIJZIGING ECHTSCHEIDINGSCONVENANT van 17 juni 2015”, waarin met [eiser] wordt bedoeld [eiser] en met [gedaagde] [gedaagde], vermeldt onder meer:

2. Ten aanzien van partneralimentatie:

Bij vonnis in het kort geding van 22 december 2017 van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba is bepaald dat [eiser] een bedrag van Afl. 1.000,- per maand dient bij te dragen voor het levensonderhoud van [gedaagde]. Gelet op wijzigingen in de omstandigheden, willen partijen de afspraken over de partneralimentatie op de volgende onderdelen wijzigen:

-Partijen stellen vast dat hun behoefte dan wel draagkracht met ingang van 1 september 2019 geen aanleiding meer geeft voor partneralimentatie. De partneralimentatie zal derhalve met ingang van 1 september 2019 vervallen,

-Partijen zien verder af van enige vordering tot partneralimentatie.”.

3.4

In het licht van voormeld door [gedaagde] aan [eiser] voorgelegd voorstel heeft [gedaagde] de stelling van [eiser] dat hij – kort gezegd – niet langer draagkrachtig is om partneralimentatie ten behoeve van [gedaagde] te betalen en dat [gedaagde] dienaangaande niet langer behoeftig is naar het oordeel van het Gerecht onvoldoende onderbouwd bestreden. Zonder nadere doch ontbrekende uitleg valt immers in het licht van bedoeld van [gedaagde] afkomstig voorstel van 3 juli 2019 niet in te zien dat zij thans (nog geen drie maanden later) ter zake van partneralimentatie weer behoeftig is en dat [eiser] weer voldoende draagkrachtig is. Dit klemt aan de zijde van [gedaagde] temeer omdat zij voorstelt dat partijen verder afzien van enige vordering tot partneralimentatie, waaruit volgt dat aan de zijde van [gedaagde] kennelijk sprake is van een bestendig inkomen of een bestendig ontbreken van behoefte. Dit één en ander brengt mee dat het Gerecht het voorshands aannemelijk oordeelt dat het vonnis wat betreft partneralimentatie niet langer aan de wettelijke vereisten beantwoordt, zoals gesteld door [eiser].

3.5 [

eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vordering onder c. gesteld dat de minderjarige zoon van partijen (hierna: de zoon) tegenwoordig telkens de ene week bij hem en de volgende week bij [gedaagde] verblijft. [gedaagde] heeft die stelling niet bestreden, als gevolg waarvan komt vast te staan dat sprake is van een zogeheten co-ouderschap, dat met zich brengt dat het Gerecht het voorshands aannemelijk oordeelt dat de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon gedurende de weken dat hij bij [eiser] verblijft door hem worden gedragen, neerkomende op de helft van het bedrag tot betaling waarvan [eiser] is veroordeeld. Verder brengt het hiervoor besproken voorstel van [gedaagde] mee dat het Gerecht het verder voorshands aannemelijk oordeelt dat zij de kosten kan dragen van verzorging en opvoeding van de zoon gedurende de weken dat hij bij haar verblijft, en dat overige kosten met betrekking tot de zoon – en dat is inherent aan co-ouderschap – door partijen gezamenlijk moeten en kunnen worden gedragen. Dit één en ander brengt mee dat het Gerecht het voorshands aannemelijk oordeelt dat het vonnis thans wat betreft kinderalimentatie evenmin aan de wettelijke vereisten beantwoordt.

3.6

Bij de hiervoor geschetste stand van zaken valt in een bodemprocedure het oordeel te verwachten dat de vorderingen van [eiser] zullen worden toegewezen, met dien verstande dat niet met grote mate van zekerheid valt te verwachten valt dat de bodemrechter grond ziet grond voor toewijzing met terugwerkende kracht zoals verzocht door [eiser]. De thans door [eiser] verzochte voorzieningen zullen worden toegewezen als na te melden.

3.7

Afweging van de belangen van partijen maakt vorenstaande niet anders, omdat het Gerecht geen zwaarwegender belangen ziet aan de zijde van [gedaagde] bij afwijzing van het door [eiser] verzochte ten opzichte van de belangen van [eiser] bij toewijzing daarvan.

3.8

In de aard van dit geschil ziet het Gerecht aanleiding om de proceskosten te compenseren tussen partijen, aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

3.9

Uit het daartoe overgelegde bewijs van onvermogen volgt dat [gedaagde] niet in staat is om de kosten van deze procedure te dragen. Aan haar zal daarom verlof tot kosteloos procederen worden verleend.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

-bepaalt het bedrag dat [eiser] voorlopig moet betalen voor het levensonderhoud van [gedaagde] per onmiddellijk op nihil;

-bepaalt het bedrag dat [eiser] voorlopig moet betalen aan bijdrage voor de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarige zoon van partijen per onmiddellijk op nihil;

-heft op de voet van artikel 479d Rv in verbinding met het tweede lid van artikel 438 Rv per onmiddellijk op het op 12 augustus 2019 door [gedaagde] ten laste van [eiser] gelegde executoriale derdenbeslag onder [bedrijf];

-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-compenseert de proceskosten tussen partijen, aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

-wijst af het meer of anders door [eiser] verzochte;

-verleent aan [gedaagde] verlof tot kosteloos procederen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 16 oktober 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.