Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:672

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
16-10-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
AUA201903024
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Lijfsdwang, kinderalimentatie, artikel 585 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 16 oktober 2019

Behorend bij K.G. AUA201903024

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak tussen

[eiseres],

wonende in Aruba,

EISERES, hierna ook te noemen: de vrouw,

gemachtigde: de advocaat mr. G.L. Griffith,

en

[gedaagde],

wonende in Aruba,

GEDAAGDE, hierna ook te noemen: de man,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Illes,

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, ingediend op 5 september 2019;

- de producties zijdens de man, ingediend op 10 september 2019;

- de mondelinge behandeling ter zitting van 11 oktober 2019, waar zijn verschenen de vrouw in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, en de man in persoon, bijgestaan door mr. E.M.J. Cafarzuza, occuperende voor de gemachtigde voornoemd.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Uit dit huwelijk is geboren: [minderjarige] op [geboorte datum] 2010 in Aruba (hierna: de minderjarige). Partijen zijn inmiddels van elkaar gescheiden.

2.2

Bij de echtscheidingsbeschikking van 15 april 2013 (behorend bij EJ nr. 698 van 2013) is – conform het bepaalde in de echtscheidingsconvenant van partijen – bepaald dat de man maandelijks met een bedrag van Afl. 800,- zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.

2.3

Bij beschikking van 20 maart 2018 (behorend bij EJ nr. 2460 van 2017/AUA201703021) heeft de rechter voormelde beschikking van 15 april 2013 gewijzigd in die zin dat de man met ingang van 1 april 2018 een bedrag van Afl. 400,- per maand dient te voldoen aan kinderalimentatie, conform hetgeen partijen ter zitting zijn overeengekomen.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

De vrouw vordert in kort geding bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad dat het gerecht:

a. aan haar verlof verleent om voormelde beschikkingen van 15 april 2013 en 20 maart 2018 bij lijfsdwang ten uitvoer te mogen leggen, en uit dien hoofde de man in gijzeling te doen stellen totdat hij Afl. 36.225,- aan achterstallige alimentatiebetalingen alsmede alle te dezen gevallen en nog te vallen kosten heeft betaald, en daarbij bepaalt dat de man voor de duur van maximaal 3 maanden in gijzeling kan worden gesteld;

b. verlof verleent aan de vrouw om na betekening van dit vonnis aan de man hem onmiddellijk in gijzeling te doen stellen, desnoods met behulp van de sterke arm;

c. de man veroordeelt in de proceskosten, alsmede de kosten van “betekening en beslaglegging” van voormelde beschikkingen, en voorts de kosten van betekening van dit vonnis en de kosten van het in gijzeling doen stellen van de man.

3.2

De vrouw stelt dat de man zijn onderhoudsverplichting, zoals vastgesteld bij genoemde beschikkingen, niet nakomt. De achterstand is inmiddels (tot en met augustus 2019) opgelopen tot een bedrag van Afl. 36.225,-. Volgens de vrouw is er sprake van betalingsonwil aan de zijde van de man. De vrouw heeft betoogd dat zij uitputtend en tevergeefs heeft gepoogd de beschikkingen anderszins te executeren, en dat gijzeling daarom nog het enige middel is dat haar ten dienste staat.

3.3

De man voert hiertegen verweer, strekkende tot afwijzing van het verzochte.

Volgens de man is sprake van betalingsonmacht en niet van betalingsonwil. Hij betoogt dat hij steeds ter zitting heeft aangegeven, dat hij de vastgestelde onderhoudsbijdrage niet kan voldoen omdat hij daarvoor geen draagkracht heeft, en dat het gerecht hem desondanks heeft veroordeeld tot het betalen van een alimentatiebijdrage. Hij heeft op dit moment geen vaste baan noch voldoende inkomen. Hij zal ook geen inkomen kunnen verwerven zolang hij gegijzeld is, zodat de vrouw onvoldoende belang bij haar vordering, aldus de man.

4 DE BEOORDELING

4.1

Het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vorderingen ligt besloten in de aard en strekking van die vorderingen.

4.2

Voor zover hier van belang kan de rechter, ingevolge het bepaalde in artikel 585, aanhef en onder sub b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), op verlangen van de schuldeiser de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toestaan van beschikkingen waarbij een uitkering tot levensonderhoud, krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba verschuldigd, daaronder begrepen het verschuldigde voor verzorging en opvoeding van een minderjarige is bevolen of toegezegd.

4.3

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een rechterlijke uitspraak, in dit geval strekkende tot vaststelling van kinderalimentatie, dient te worden nagekomen. Niet kan worden geduld dat de alimentatieplichtige, in dit geval de man, zich daaraan ten koste van de minderjarige zou kunnen onttrekken. Het executiemiddel lijfsdwang strekt ertoe druk uit te oefenen op de alimentatieplichtige, zodat deze zijn verplichtingen nakomt. Het is echter een zeer ingrijpend middel, omdat de alimentatieplichtige daarmee zijn persoonlijke vrijheid wordt ontnomen. Toepassing daarvan komt slechts aan de orde als aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden (artikel 587 Rv), tenzij in dit geval de man aannemelijk maakt dat hij niet in staat is om aan zijn verplichtingen te voldoen (artikel 588 Rv). Daarnaast moet het belang van de in dit geval vrouw toepassing van lijfsdwang rechtvaardigen.

4.4

Vaststaat dat de man tot op heden niet (vrijwillig) heeft voldaan aan voormelde beschikkingen. De vrouw heeft voorts aannemelijk gemaakt dat alle pogingen om de man op minnelijke wijze tot betaling te bewegen, zijn mislukt. Zo heeft zij hem aangesproken, hetgeen heeft geleid tot zijn verzoek aan het gerecht tot verlaging van het alimentatiebedrag, getracht op de bankrekening van zijn bedrijf beslag te leggen, maar daar staat onvoldoende geld op, en beslag gelegd onder de [werkgever], als opdrachtgever van de man.

4.5

Het verweer van de man dat hem in voormelde beschikkingen in weerwil van zijn destijds gevoerde draagkrachtverweer een alimentatiebijdrage is opgelegd, wordt gepasseerd. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat in voormelde beschikkingen staat vermeld dat partijen overeenstemming hebben bereikt ter zake van de door de man te betalen alimentatiebijdrage en de man hiertegen geen beroep heeft aangetekend, zodat van de juistheid ervan dient te worden uitgegaan.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat de stelling van de man dat sprake is van betalingsonmacht en niet van betalingsonwil, niet kan slagen. Nu de man zich beroept op (het rechtsgevolg van de) betalingsonmacht, is het aan hem om de daaraan ten grondslag liggende feiten te stellen en zo nodig te bewijzen, dan wel deze feiten in het kader van deze procedure op zijn minst aannemelijk te maken. De man is hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd. Daarbij is van belang dat de man heeft nagelaten inzicht te verschaffen in zijn financiële positie, zodat ervan uitgegaan dient te worden dat de man nog immer voldoende draagkracht heeft om de vastgestelde bijdrage te voldoen. Nu niet kan worden vastgesteld dat de man niet in staat is de verschuldigde onderhoudsbijdrage te betalen, moet de handelwijze van de man worden geduid als betalingsonwil ter zake van de door hem verschuldigde onderhoudsbijdrage.

4.6

De vraag of het belang van de vrouw toepassing van lijfsdwang kan rechtvaardigen, beantwoordt de voorzieningenrechter bevestigend. Aangenomen moet worden dat de vastgestelde kinderalimentatie noodzakelijk is om in de behoefte van de minderjarige te voorzien. Reeds op grond hiervan staat dan ook vast dat het uitblijven van betaling door de man, rechtstreeks het belang van de minderjarige raakt, en daarmee ook het belang van de vrouw, die immers daardoor genoodzaakt wordt de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige alleen te dragen. In dit verband is bovendien nog van belang dat de achterstand inmiddels is opgelopen tot een fors bedrag en dat de schuld van de man maandelijks oploopt. Immers, staat vast dat de man tot en met augustus 2019 een bedrag van Afl. 36.225,- verschuldigd is aan achterstallige alimentatie, en dat daar elke maand een bedrag van Afl. 400,- bij komt.

4.7

Gelet op het voorgaande is het verzoek van de vrouw toewijsbaar.

4.8

De man zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van de vrouw, tot aan deze uitspraak begroot op (750,- + 238,84 =) Afl. 988,84 aan verschotten en Afl. 1.500,- aan gemachtigdensalaris.

4.9

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

staat de vrouw toe om, na veertien dagen na betekening van dit vonnis, de beschikkingen van dit gerecht van 15 april 2013 behorend bij EJ nr. 698 van 2013 en van 20 maart 2018 behorend bij EJ nr. 2460 van 2017/AUA201703021, ten uitvoer te doen leggen door middel van lijfsdwang, en uit dien hoofde de man in gijzeling te doen nemen totdat de vordering van de vrouw op de man van Afl. 36.225,- ter zake de achterstallige alimentatiebetalingen tot en met augustus 2019 is voldaan, met dien verstande dat die gijzeling ten hoogste dertig dagen zal duren;

veroordeelt de man in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van de vrouw, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 988,84 aan verschotten en Afl. 1.500,-- aan gemachtigdensalaris;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.K. Engelbrecht rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 16 oktober 2019 in aanwezigheid van de griffier.