Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:669

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
16-10-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
AUA201903084
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Achterstallig loon betaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 16 oktober 2019

Behorend bij K.G. AUA201903084

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[APPELLANTE],

voor deze zaak gedomicilieerd in Aruba ten kantore van zijn hierna genoemde in Aruba gevestigde advocaat,

eiser,

hierna ook te noemen: [appellante],

gemachtigde: de advocaat mr. R.A. Wix,

tegen:

de naamloze vennootschap

S&L GENERAL CONTRACTOR N.V.,

gevestigd in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: S&L,

gemachtigde: de advocaat mr. R. Marchena.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit

-het verzoekschrift, met producties;

-de beslissing van dit Gerecht dat de mondelinge behandeling van de zaak zal worden gehouden ter terechtzitting van vrijdag 27 september 2019 om 08:30 uur.

1.2 [

appellante] is ter zitting verschenen samen met zijn gemachtigde. S&L is verschenen bij haar gemachtigde, die werd vergezeld door dhr. [Directeur 1] en dhr. [Directeur 2] (directeur respectievelijk Project Manager van S&L). Partijen hebben in twee termijnen het woord gevoerd - beiden mede aan de hand van een overgelegde en voorgedragen pleitnota, die van S&L voorzien van toegelaten producties -, en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1 [

appellante] vordert dat het Gerecht bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. S&L veroordeelt om aan [appellante] te betalen Afl. 51.035,-- aan achterstallig loon en per diem vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en gerekend vanaf de opeisbaarheid van dat bedrag met wettelijke rente;

b. S&L veroordeeld in de proceskosten.

2.2

S&L voert verweer en concludeert dat [appellante] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem verzochte, althans tot afwijzing daarvan, kosten rechtens.

2.3

Voorzover van belang voor de uitspraak zullen de stellingen van partijen hierna worden besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Er zijn gronden gesteld noch gebleken waaruit kan volgen dat [appellante] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem verzochte. Het ontvankelijkheidsverweer van S&L wordt daarom verworpen.

3.2

Het spoedeisend belang van [appellante] bij zijn vordering ligt besloten in de aard van die vordering en de daaraan ten gronde gelegde stellingen. Het verweer van S&L op dit punt wordt eveneens verworpen.

3.3

Vast staat tussen partijen in elk geval het volgende.

3.3.1

S&L heeft met CITGO ARUBA REFINERY N.V. (hierna: CITGO) een “Service Agreement” gesloten om CITGO te voorzien van professioneel personeel. In het kader van die Agreement (hierna: de Agreement) heeft S&L op 26 oktober 2018 met [appellante] een arbeidsovereenkomst (hierna: de arbeidsovereenkomst) gesloten krachtens welke [appellante] op 6 november 2018 in loondienst van S&L is getreden als “Team Lead” tegen een bruto maandloon van Afl. 22.213,97, een maandelijkse huisvergoeding van Afl. 4.375,-- en een per diem vergoeding van Afl. 227,-- voor iedere dag dat [appellante] zich op Aruba bevindt.

3.3.2

De arbeidsovereenkomst, waarin met Employer wordt bedoeld S&L en met Employee [appellante], vermeldt onder meer:

Article 1

a. a) As of November 6th, 2018, Employee enters into the service of Employer as Team Lead for a definite period of time, being for the duration of the execution of the work under the (…). Service Agreement (…).

b) This agreement ends, therefore, by operation of law without cancellation is required when the work within the framework of the Service Agreement is finalized or the Service Agreement (…) between Citgo Aruba and Employer is terminated, but in any case, on March 31, 2019.

(…).

Article 4

a. a) Employee will earn a gross salary of AWG. 22,213.97 per month to be paid once payment from Citgo Aruba Refinery has been received. (…).

b) Employee will be paid AWG. 4375.00 for housing per month to be paid once payment from Citgo Aruba Refinery has been received.

c) Employee will be paid AWG. 227.00 per diem per day only for days employee is on the island of Aruba.

(…).”.

3.3.3

S&L heeft het loon van [appellante] en de overeengekomen per diem vergoeding betaald aan [appellante] tot en met 15 februari 2019. Daarna heeft S&L geen loon en geen per diem vergoeding meer betaald aan [appellante].

3.3.4

S&L heeft de overeengekomen vergoeding voor housing over de maanden januari tot en met maart 2019 niet betaald aan [appellante].

3.4

Vast staat dat de arbeidsovereenkomst in elk geval van rechtswege eindigde op 31 maart 2019. Tegen deze achtergrond stelt S&L dat de arbeidsovereenkomst op grond hiervoor geciteerde artikel 1 sub b. van die overeenkomst reeds is geëindigd per 15 februari 2019, omdat Citgo per die datum de Agreement door opzegging heeft beëindigd, hetgeen volgens S&L van algemene bekendheid is. [appellante] heeft die blote stellingen van S&L gemotiveerd bestreden, waardoor ze in deze op snelheid gerichte procedure niet vast komen te staan. Het Gerecht ziet in het licht van dat verweer en de omstandigheid dat in elk geval het door S&L gestelde niet bij hem en dus niet algemeen bekend is geen grond om dat gestelde voorshands aannemelijk te oordelen. Dit één en ander brengt mee dat voorshands komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd per 31 maart 2019.

3.5 [

appellante] stelt in dat verband (nader) dat S&L achterstallig is met de betaling van (1) loon en (2) de overeengekomen per diem vergoeding, beiden gerekend vanaf 16 februari 2019 tot en met 31 maart 2019 en (3) de overeengekomen vergoeding voor housing over de periode januari tot en met 31 maart 2013. S&L stelt te dezen dat het loon en de per diem vergoeding over de periode vanaf 16 februari 2019 tot en met 31 maart, en voorts de vergoeding voor housing over de periode vanaf 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 krachtens het hiervoor geciteerde artikel 4 sub a., b. en c. nog niet opeisbaar is omdat S&L te dien aanzien nog geen betalingen heeft ontvangen van Citgo. Die stelling mist in elk geval ter zake van de per diem vergoeding feitelijke grondslag, en wordt daarom gepasseerd. Uit het hiervoor geciteerde artikel 4 sub c. van de arbeidsovereenkomst blijkt immers niet dat betaling van per diem vergoeding afhankelijk is van betalingen van Citgo. Vast komt daarom te staan dat S&L in elk geval de per diem vergoeding over de periode van 16 februari tot en met 31 maart 2019 opeisbaar verschuldigd is aan [appellante], in totaal ad (43 x 227,-- =) Afl. 9.761,--.

3.6

Artikel 7A:1614 BW luidt: “De werkgever is verplicht de arbeider zijn loon op de bepaalde tijd te voldoen.”. Het Gerecht volgt [appellante] voorshands in zijn standpunt dat de in artikel 4 sub a. en b. van de arbeidsovereenkomst neergelegde betalingsvoorwaarde strijdig is met die dwingendrechtelijke op de werkgever rustende wettelijke verplichting. Het niet ondenkbare geval dat in dezen Citgo niet tot betaling aan S&L overgaat zou immers met zich brengen dat S&L niet hoeft te voldoen aan haar wettelijke verplichting telkens het bedongen maandloon van [appellante] te betalen. Dit één ander brengt naar het voorlopig oordeel van het Gerecht mee dat bedoelde voorwaarde op de voet van het bepaalde in het tweede lid van artikel 3:40 BW nietig is, met als gevolg dat het beroep van S&L op die voorwaarde faalt.

3.7

Vorenstaande brengt mee dat S&L het loon van [appellante] over de periode van 16 februari 2019 tot en met 31 maart 2019 en de vergoeding voor housing over de periode januari tot en met maart 2019 opeisbaar verschuldigd is aan [appellante]. Hierbij wordt nog overwogen dat naar het voorshandse oordeel van het Gerecht de vergoeding voor housing als onderdeel van de aan [appellante] toegekende emolumenten binnen het begrip loon valt. Aldus dient S&L aan [appellante] te betalen (1,5 x 22.213,97 =) Afl. 33.320,96 bruto aan loon en aan vergoeding voor housing (3 x 4.375,-- =) Afl. 13.125 bruto.

3.8

Bij de hiervoor geschetste stand van zaken valt in een bodemprocedure het oordeel te verwachten dat de loonvordering [appellante] zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging zoals te doen gebruikelijk vast te stellen op telkens maximaal 15% en de wettelijke rente. De thans door [appellante] verzochte voorziening zal daarom worden toegewezen als na te melden.

3.9

Afweging van de belangen van partijen maakt vorenstaande niet anders, omdat het Gerecht geen zwaarwegender belangen ziet aan de zijde van S&L bij afwijzing van het door [appellante] verzochte ten opzichte van de belangen van [appellante] bij toewijzing daarvan.

3.10

S&L zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [appellante], tot aan deze uitspraak begroot op (450,-- + 226,65 =) Afl. 676,65 aan verschotten en Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

-veroordeelt S&L om aan [appellante] te betalen Afl. 51.035,-- bruto aan achterstallig loon, per diem vergoeding en vergoeding voor housing, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van telkens maximaal 15% en met wettelijke rente telkens gerekend vanaf de opeisbaarheid van dat loon en die vergoedingen;

-veroordeelt S&L in de proceskosten gevallen aan de zijde van [appellante], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 676,65 aan verschotten en Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde;

-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-wijst af het meer of anders door [appellante] verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 16 oktober 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.