Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:660

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
09-10-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
AUA201802312
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Tussenvonnis. Huurovereenkomst. Bewijslevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 9 oktober 2019

Behorend bij A.R. no. AUA201802312

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

[eiser],

wonende in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. M.H.J. Kock,

tegen:

de naamloze vennootschap

DECOCI HUNTER DOUGLAS N.V.,

gevestigd in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: Decoci,

gemachtigde: de advocaat mr. J.M.R.F. Scheper.

1 HET PROCESVERLOOP

1.1

Het procesverloop blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de conclusie van antwoord, met producties;

-de conclusie van repliek, met producties;

-de conclusie van dupliek, met producties;

-de op 28 augustus 2019 door [eiser] genomen akte uitlating producties.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

Na vermindering van eis verzoekt [eiser] dat het Gerecht bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Decoci veroordeelt:

-om aan [eiser] te betalen (22.497,-- minus 350,-- =) Afl. 22.147,--, te vermeerderen met (1) wettelijke rente gerekend vanaf 16 februari 2018 en (2) met een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;

-in de proceskosten, waaronder begrepen die van het beslag.

2.2

Decoci voert verweer dat strekt tot afwijzing van het door [eiser] verzochte.

2.3

Voor zover van belang voor de uitkomst van deze procedure worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.

3.1.1

Krachtens een tussen partijen gesloten schriftelijke huurovereenkomst (hierna: de huurovereenkomst) huurde Decoci de aan [eiser] toebehorende woning gelegen in Aruba te [adres] (hierna: het gehuurde) gedurende de periode vanaf 15 september 2015 tot 15 september 2017 tegen een maandelijks te betalen huur ad Afl. 2.600,-- exclusief 3,5% bbo. Decoci gebruikte (een deel van) het gehuurde als werk- en opslagplaats voor het aannemersbedrijf van [...].

3.1.2

Ingevolge artikel 6 van de huurovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat Decoci het gehuurde bij aanvang van de huur in goede staat heeft ontvangen.

3.1.3

Ingevolge artikel 7 van de huurovereenkomst is Decoci aansprakelijk voor alle (door haar veroorzaakte) schade aan het gehuurde.

3.1.4

Ingevolge artikel 16 van de huurovereenkomst is [eiser] niet gehouden tot vergoeding van aanpassingen aan en/of verbeteringen van het gehuurde die Decoci al dan niet met toestemming van [eiser] heeft uitgevoerd.

3.1.5

Bij email van 1 oktober 2019 heeft [eiser] Decoci verzocht het gehuurde op te leveren ter opname van schade op 4, 5, of 6 oktober 2017, alsmede aangemaand tot betaling van de huur over de maanden augustus, september en oktober 2017.

3.1.6

Op 4 oktober 2017 heeft Decoci de sleutels van het gehuurde per koerier doen toekomen aan [eiser].

3.1.7

Op 5 oktober 2017 heeft Arcotec in opdracht van [eiser] opname gedaan van het gehuurde. Arcotec heeft haar bevindingen neergelegd in een schaderapport (hierna: het rapport), dat als productie 13 bij de conclusie van repliek is overgelegd door [eiser]. [eiser] heeft Afl. 375,-- betaald voor dat rapport.

3.2

In het licht van voormelde feitelijkheden wordt vooropgesteld dat het Gerecht geen aanleiding ziet om te twijfelen aan betrouwbaarheid en de juistheid van het rapport. Vast komt daarom te staan dat op 5 oktober 2017 het gehuurde de schade had zoals omschreven in het rapport, met uitzondering (in verband met de vermindering van eis) van schadepost 19 in totaal groot (15.240,-- minus 350,-- =) Afl. 14.890,--.

3.3.1

Artikel 7A:1580 BW bepaalt dat indien bij aanvang van de huur geen beschrijving van het gehuurde is opgemaakt, de huurder ten aanzien van het onderhoud, hetwelk ten laste van huurders komt, behoudens tegenbewijs, wordt voorondersteld het gehuurde in goede staat te hebben aanvaard en moet hij hetzelve in die staat teruggeven.

3.3.2

Het eerste lid van artikel 7A:1581 BW bepaalt dat de huurder aansprakelijk voor is schade aan de verhuurde zaak, die is ontstaan door een hem toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat alle schade behalve brandschade wordt vermoed daardoor te zijn ontstaan.

3.4

Gesteld noch is gebleken dat partijen een beschrijving van het gehuurde hebben opgemaakt bij aanvang van de huuroverkomst. Voormelde wettelijke bepalingen in verbinding met de omstandigheid dat is gesteld noch gebleken dan de door Arcotec geconstateerde schade is ontstaan als gevolg van brand brengen mee dat voorshands bewezen wordt geoordeeld dat (1) Decoci het gehuurde in goed onderhouden staat heeft ontvangen van [eiser] en (2) dat alle in het rapport omschreven schade aan het gehuurde is ontstaan door aan Decoci toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van haar verplichting uit de huurovereenkomst om als goed huurder geen schade toe te brengen aan het gehuurde. Hier komt nog bij dat hetzelfde rechterlijk vermoeden voortvloeit uit artikel 6 van de huurovereenkomst, welke overeenkomst heeft te gelden als een onderhandse akte in de zin van het eerste lid juncto het derde lid van artikel 135 Rv die krachtens het tweede lid van artikel 136 RV behoudens door Decoci te leveren tegenbewijs tussen partijen dwingend bewijs oplevert van hetgeen is neergelegd in artikel 6 van de huurovereenkomst, te weten dat Decoci het gehuurde bij aanvang van de huur in goede staat heeft ontvangen.

3.5

Nu Decoci bewijslevering heeft aangeboden zal zij in de gelegenheid worden gesteld tegenbewijs te leveren ter ontzenuwing van hetgeen het Gerecht hiervoor onder 3.4 (onderstreepte deel) voorshands bewezen heeft geoordeeld. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de in het dictum vermelde terechtzitting. Decoci dient uiterlijk drie dagen voor die zitting de personalia van de door haar voor te brengen getuige(n) schriftelijk kenbaar te maken aan het Gerecht en aan [eiser].

3.6

Ter zake van de vordering tot betaling van achterstallige huur wordt het volgende overwogen. Bij gelegenheid van repliek heeft [eiser] nader en gespecifieerd gesteld dat Decoci de huur over de periode 15 juli tot en met 15 oktober 2019 onbetaald heeft gelaten, ad in totaal (3 x 2.600,-- =) Afl. 7.800,-- op welk bedrag [eiser] de door Decoci betaalde borgsom ad Afl. 2.600,-- in mindering heeft gebracht. Aldus resteert volgens [eiser] in totaal (6.800,-- minus 2.600,-- =) Afl. 5.200,-- te vermeerderen met 3,5% bbo aan onbetaald gelaten huur, aldus in totaal ad Afl. 5.382,--. Die stelling heeft Decoci naar het oordeel van het Gerecht onvoldoende bestreden. Hierbij wordt nog overwogen dat de door [eiser] bestreden stelling van Decoci, dat [eiser] de sleutels van het gehuurde alsmaar weigerde in ontvangst te nemen waardoor Decoci het gehuurde niet kon opleveren, haar niet kan baten. Het had in dat beweerdelijk verband immers op de weg van Decoci gelegen om die sleutels, zoals zij heeft gedaan op 4 oktober 2017, uiterlijk op 15 september 2017 (tot welke datum de huurovereenkomst gold) per koerier aan [eiser] te doen toekomen. Het nalaten daarvan komt en blijft voor rekening en risico van Decoci. Bij nog te wijzen eindvonnis zal dit onderdeel van de vordering van [eiser] in elk geval worden toegewezen. Bij dit alles wordt nog overwogen dat na ommekomst van de huurovereenkomst per 15 september 2017 geen sprake was van huur. Nu Decoci na ommekomst van de huurovereenkomst om voor haar moverende reden gebruik is blijven maken van het gehuurde althans het gehuurde niet heeft opgeleverd dan eerst per 4 oktober 2017, is zij in plaats van huur een vergoeding verschuldigd aan [eiser] gelijk aan één maand huur plus bbo.

3.7

Ter zake van het bij partijen genoegzaam bekende meubelstuk (hierna: het meubelstuk) wordt het volgende overwogen. [eiser] heeft onbestreden gesteld dat het aan haar toebehorende meubelstuk (1) zich bij aanvang van de huur in het gehuurde bevond, (2) een waarde vertegenwoordigt van Afl. 1.500,-- en (3) bij oplevering van het gehuurde door Decoci zich niet meer in het gehuurde bevond. Bij gelegenheid van antwoord stelt Decoci in dit verband dat (1) zij dat meubelstuk cadeau heeft gekregen van [eiser], en dat (2) zij het elders dan in het gehuurde heeft geplaatst. Die onder (1) door [eiser] bestreden stelling mist naar het oordeel van het Gerecht voldoende feitelijke grondslag, en wordt daarom gepasseerd. Gesteld noch is gebleken met name wanneer precies en aan welke voor Decoci handelende persoon precies [eiser] het meubelstuk cadeau zou hebben gedaan. Vast komt te staan dat Decoci het meubelstuk zonder recht of titel heeft toegeëigend, hetgeen met zich brengt dat Decoci de door [eiser] geleden schade ad Afl. 1.500,-- als gevolg daarvan dient te vergoeden. De vordering van [eiser] op dit onderdeel zal bij nog te wijzen eindvonnis eveneens worden toegewezen.

3.8

Iedere verdere beslissing zal in afwachting van bewijslevering en de daarna door partijen te nemen conclusies na bewijslevering worden aangehouden.

4 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-stelt Decoci in de gelegenheid tegenbewijs te leveren zoals hiervoor omschreven onder rechtsoverweging 3.5;

-verwijst de zaak daartoe naar de terechtzitting van donderdag 7 november 2019 om 09.00 uur, tijdens welke zitting maximaal drie getuigen kunnen worden gehoord;

-bepaalt dat Decoci uiterlijk drie dagen voor die zitting de personalia van de door haar voor te brengen getuige(n) schriftelijk kenbaar dient te maken aan het Gerecht en aan [eiser];

-houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 9 oktober 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.