Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:651

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
16-10-2019
Zaaknummer
AUA201800718
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

EJ. Definitieve omgang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 8 oktober 2019

Behorend bij EJ nr. AUA201800718

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

op het verzoek van

[naam verzoeker] ,

wonende in Aruba,

VERZOEKER, hierna de vader,

gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn,

tegen

[naam verweerster] ,

wonende in Aruba,

VERWEERSTER, hierna de moeder,

gemachtigde: de advocaat mr. E.M.J. Cafarzuza,

Belanghebbende:

[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] in Aruba,

de minderjarige,

1 DE PROCEDURE

De eerdere procedure blijkt uit de tussenbeschikking van 26 februari 2019, waarbij een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige is bepaald, de Voogdijraad is verzocht nader onderzoek te verrichten en de vader daarbij te betrekken, en de voortzetting van de behandeling omtrent het gezag en de definitieve omgangsregeling is bepaald op 30 april 2019.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 28 mei 2019, waar partijen in persoon en bijgestaan door hun gemachtigden, en de raadsonderzoekers, [namen raadsonderzoekers], van de Voogdijraad, zijn verschenen,

  • -

    de akte uitlating zijdens beide partijen ingediend op 2 juli 2019.

De uitspraak is nader bepaald op heden.

2. DE VERDERE BEOORDELING

Omgangsregeling

2.1

Ter zitting is niet gebleken dat de voorlopige omgangsregeling niet goed verloopt. Partijen hebben ook geen bezwaren geuit tegen deze omgangsregeling. Het gerecht overweegt, wellicht ten overvloede, dat het in het algemeen in het belang van een kind is te achten dat het contact heeft met de niet-verzorgende ouder en in beginsel hebben beiden ook recht op omgang met elkaar, tenzij zwaarwegende belangen van het kind zich daartegen verzetten. Van dergelijke zwaarwegende belangen is in deze niet gebleken.

Verder geldt dat, vooral bij jonge kinderen zoals in dit geval, de verantwoordelijkheid voor een omgangsregeling tussen het kind en de niet-verzorgende ouder, primair bij de verzorgende ouder ligt. Dat betekent in dit geval dat de moeder, in het belang van de minderjarige, hem door haar houding, steun, vertrouwen en toestemming dient te geven voor een omgangsregeling met de vader.

Aan de andere kant bestaat voor de niet-verzorgende ouder, in dit geval de vader, de verplichting om zich aan de vastgestelde omgangsregeling te houden. Deze verplichting geldt ongeacht of de vader beschikt over een eigen auto of niet.

Gelet hierop zal het gerecht de voorlopige omgangsregeling omzetten in een definitieve.

Gezag

2.2

In het rapport van de Voogdijraad van 15 januari 2019, het aanvullend rapport alsmede het psychologisch rapport van 23 mei 2019, staat het volgende.

Bij de vader is sprake van psychopathologie. Hij is wantrouwend naar anderen toe, is egoïstisch ingesteld en zelfs vijandig. Hij kan zich inhouden maar heeft weinig vaardigheden om met zijn emoties om te gaan, met het gevolg dat hij explosief reageert. Hij heeft nog geen duidelijke opvoedingsstijl en neemt als opvoeder een laisser-faire stijl aan. Hij bagatelliseert de incidenten van huiselijk geweld en grof taalgebruik in bijzijn van de minderjarige en is zich niet bewust van de gevolgen hiervan op de ontwikkeling van de minderjarige. Hij heeft inadequate pedagogische vaardigheden en weinig inzicht in zijn eigen aandeel en effect van zijn gedrag op de ontwikkeling van de minderjarige en de communicatie. Hij heeft ook weinig inzicht in de emotionele behoeftes van de minderjarige.

De moeder biedt de minderjarige een warm en pedagogisch klimaat aan. Zij heeft inzicht in de veiligheid en ontwikkelingsbehoeftes van de minderjarige. Er zijn geen indicaties van psychopathologie of andere mogelijke trauma’s. Haar enige zorg is de relatie met de vader. Hij stelt zich fysiek en verbaal agressief op jegens haar en zij stelt zich onderdanig op om escalaties te voorkomen. Er zijn incidenten geweest van huiselijk geweld met politie interventie.

De communicatie tussen de ouders verloopt zeer moeizaam, en de vader is in zijn houding zowel sociaal wenselijk als passief agressief, hetgeen het voor de moeder moeilijk maakt om samen beslissingen in het belang van de minderjarige te nemen. De vader lijkt niet in staat te zijn om de minderjarige structuur en een deugdelijke verzorging aan te kunnen bieden. De Voogdijraad concludeert dat het belang van de minderjarige vergt dat de moeder het eenhoofdig gezag behoudt.

2.3

De moeder stemt in met het advies van de Voogdijraad en concludeert tot afwijzing van het verzoek van de vader.

2.4

De vader kan zich niet verenigen met het advies en persisteert in zijn verzoek. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij bereid is om samen met de moeder de voorgestelde communicatiecursus te volgen. Hij meent dat het prematuur is, gelet op zijn relatief jonge leeftijd – 23 jaar –, om hem nu al uit te schakelen als gezagsdrager zonder dat hij de kans heeft gekregen om samen met de moeder het gezag uit te oefenen.

2.5

Zoals het gerecht in de tussenbeschikking van 29 mei 2018 reeds heeft overwogen, volgt uit artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW) en de jurisprudentie, dat een verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag, indien de moeder daarmee niet instemt, slechts wordt afgewezen indien de rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.

Het ouderlijk gezag omvat op grond van artikel 1:247 BW de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind, en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Het ouderlijk gezag brengt een aantal bevoegdheden met zich die nodig zijn voor de in voormeld kader te nemen beslissingen, waarbij gedacht moet worden aan zaken als de schoolkeuze, medische behandelingen of levensbeschouwelijke aangelegenheden. In geval van gezamenlijk gezag dienen dergelijke beslissingen tezamen met de andere gezaghebbende ouder te worden genomen. Voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag is dan ook vereist, dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen en wel zodanig dat het kind niet klem of verloren zal raken tussen de ouders.

2.6

Het gerecht constateert dat de verhouding tussen partijen slecht is en dat zij amper met elkaar communiceren. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vader enerzijds gezag wenst omdat hij “ook iets te zeggen wil hebben over zijn kind”, maar anderzijds nonchalant reageert wanneer hij de afspraken met betrekking tot de minderjarige, zoals de omgangsregeling, niet nakomt vanwege een omstandigheid die voor zijn rekening komt.

Partijen zijn naar het oordeel van het gerecht, niet in staat om op een constructieve manier met elkaar te overleggen over de minderjarige. Gelet hierop acht het gerecht het niet reëel te veronderstellen dat partijen in gezamenlijk overleg beslissingen van enig belang over de minderjarige kunnen gaan nemen. Het gerecht is dan ook van oordeel dat onder genoemde omstandigheden er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige bij gezamenlijk gezag klem of verloren zullen raken. Niet te verwachten is dat in deze omstandigheden binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt. Het verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen.

3 DE BESLISSING

Het Gerecht:

bepaalt de definitieve omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige als volgt,

- elke maandag en donderdag, vanaf 17.00 uur tot de volgende ochtend, waarbij de vader de dochter naar school brengt,

* zolang de vader in de weekenden werkt:

- het ene weekend op zaterdag, vanaf 13.00 uur tot 19.00 uur,

- het andere weekend op zondag, vanaf 13.00 uur tot 19.00 uur,

* zodra de vader niet meer in de weekenden werkt:

- om het weekend: van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit Gerecht, ter zitting van dinsdag 8 oktober 2019 in aanwezigheid van de griffier.