Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:625

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
01-10-2019
Zaaknummer
AUA201901069
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

EJ. Arbeid. Inwonende dienstbode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 17 september 2019

E.J. no. AUA201901069

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de zaak van:

[Verzoekster],

wonende in Aruba,

hierna ook te noemen: verzoekster ,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

[Verweerster],

wonende in Aruba,

hierna ook te noemen: verweerster,

gemachtigden: de advocaten mrs. A.I.N. Fräser en E.A.Th. Kuster.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingediend op 3 april 2019;

- het verweerschrift met producties, ingediend op 28 mei 2019;

- de pleitaantekeningen van verweerster;

- de behandeling ter zitting van 25 juni 2019 en de daarvan gemaakte aantekeningen van de griffier, waaruit blijkt dat partijen in persoon zijn verschenen en bijgestaan door hun gemachtigden.

1.2

Vervolgens is de datum voor de beschikking nader bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Aan verzoekster zijn twee opeenvolgende vergunningen tot tijdelijk verblijf voor inwonende dienstbode verleend, waarbij [verweerster] als garantsteller optrad. De eerste vergunning betrof de periode van 17 augustus 2017 tot 17 augustus 2018 en de tweede vergunning de periode van 17 augustus 2018 tot 17 augustus 2019.

2.2

Op 28 juli 2018 is verzoekster door verweerster op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van diezelfde datum staat, voor zover hier van belang:

Middels deze brief stel ik je ervan op de hoogte dat ik per direct onze relatie die op 1 augustus 2018 zou ingaan annuleer.

Tevens informeer ik je om binnen Dimas gegeven tijd een nieuwe garantsteller te vinden, die je vergunning (bij DIMAS bekend onder nummer CVR [nummer]) tekent. Ik trek al mijn handtekeningen, huidige en toekomstige, voor jouw vergunning (bij Dimas) in en zal niet meer garant staan voor jou.

Gezien de gebeurtenissen van afgelopen week is onze relatie dermate beschadigd dat het onherstelbaar is. Ik, en mijn moeder bij wie je woonde, voelen ons niet meer veilig in je aanwezigheid. De bedreigingen, onwaarheden en respectloze bejegening van jouw kant naar mij en mijn familie is de voornaamste reden voor het direct beëindigen van onze relatie en onder geen enkele zullen wij verder garant staan.

2.3

Bij brief van 7 augustus 2018 heeft verweerster de Departamento di Integracion, Maneho y Admision di Stranhero (hierna: DIMAS) bericht dat zij haar garantstelling voor de verleende vergunning tot tijdelijk verblijf van verzoekster intrekt.

2.4

Bij brief van 7 augustus 2018 heeft verweerster de Dienst Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister van Aruba (hierna: Censo) verzocht verzoekster uit te schrijven van het adres [adres] te Aruba.

3 HET VERZOEK

3.1

Verzoekster verzoekt het gerecht om bij beschikking – uitvoerbaar bij voorraad – verweerster te veroordelen om aan verzoekster een bedrag van Afl. 8.434,- te betalen aan achterstallig loon, niet betaalde vakantiedagen, een maand opzegtermijn, cessantia-uitkering en vertragingsrente, met veroordeling van verweerster in de proceskosten. Tevens verzoekt verzoekster haar toestemming te verlenen om kosteloos te mogen procederen.

3.2

Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd en heeft het gerecht verzocht de vordering van verzoekster af te wijzen, met veroordeling van verzoekster in de proceskosten.

4 DE BEOORDELING

4.1

De vraag die voorligt is of verzoekster ingevolge artikel 9 lid 2 van de Landsverordening minimumlonen (hierna: Lv minimumlonen) uitsluitend of in de hoofdzaak huishoudelijke diensten heeft verricht in de huishouding van de moeder van verweerster.

4.2

Artikel 9 lid 2 van de Lv minimumlonen bepaalt dat het minimumloon van een werknemer van achttien jaar en ouder die uitsluitend of in de hoofdzaak huishoudelijke diensten verricht in de huishouding van een natuurlijk persoon Afl. 798,30 per maand bedraagt.

4.3

Ingevolge artikel 2 sub a jo. artikel 7 van de Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomst kan een vrouwelijke werknemer, die uitsluitend of in hoofdzaak huishoudelijke of persoonlijke diensten in de huishouding van een private personen verricht, niet de nietigheid van het ontslag van haar werkgever inroepen.

4.4

Verzoekster stelt dat zij aanspraak maakt op het verschil in loon dat zij van verweerster heeft ontvangen en het minimumloon, zoals opgenomen in artikel 9 lid 2 van de Lv. Minimumlonen, nu zij als een dienstbode in de zin van dit artikel dient te worden aangemerkt. Ter onderbouwing van dit standpunt voert verzoekster aan dat zij gedurende de periode van augustus 2017 tot en met juli 2018 elke dag van 21:00 uur tot 7:00 uur bij de woning van de moeder van verweerster aanwezig moest zijn en dat zij daarvoor Afl. 15,- per dag ontving. Verzoekster stelt dat zij gedurende die uren beschikbaar moest zijn voor de verzorging van de moeder van verweerster, die suikerpatiënt is en dat zij bovendien huishoudelijke werkzaamheden diende te verrichtten zoals de afwas doen, honden voeren en kleren opbergen en/of wassen. Verder stelt verzoekster dat zij stipt om 7:00 uur uit de woning van de moeder van verweerster moest vertrekken en zich dan overdag bij vrienden of bij ander werk bezighield. Verzoekster stelt dat zij daarnaast zowel voor de moeder van verweerster als voor verweerster zelf een keer in de week gedurende vier uren schoonmaakwerkzaamheden verrichtte en dat zij daarvoor Afl. 50,- per keer ontving.

4.5

Verweerster erkent dat verzoekster bij haar moeder woonde, maar betwist dat verzoekster in de avonduren tussen 21:00 uur en 7:00 uur haar moeder diende te verzorgen of dat zij enige huishoudelijk werkzaamheden verrichtte. Volgens verweerster verzorgde haar moeder zichzelf. Verweerster stelt dat verzoekster slechts een keer per week voor verweerster en een keer per week voor de moeder van verweerster gedurende vier uren schoonmaakwerkzaamheden verrichtte en dat zij daarvoor maandelijks in totaal Afl. 450,- ontving. Volgens verweerster is haar vader in 2016 overleden en vond haar moeder het nadien prettig om haar woning met iemand te delen. Verzoekster was daarvoor niet tot enige tegenprestatie verplicht. Verder stelt verweerster dat zij slechts als vriendendienst en op verzoek van verzoekster voor haar garant stond zodat zij een vergunning tot tijdelijk verblijf kon krijgen. De afspraken met betrekking tot de wekelijkse schoonmaakwerkzaamheden bleven volgens verweerster na het verkrijgen van de vergunning hetzelfde en verzoekster verrichtte bovendien ook voor derden schoonmaakwerkzaamheden.

4.6

Gelet op de standpunten van partijen staat vast dat verzoekster een keer per week voor verweerster en een keer per week voor de moeder van verweerster schoonmaakwerkzaamheden verrichtte. Verder heeft verweerster ter zitting erkend dat verzoekster vanaf 2017 tot het einde van de dienstbetrekking bij de moeder van verweerster heeft gewoond. Verweerster stelt weliswaar dat verzoekster geen tegenprestatie verschuldigd was voor het verblijf bij haar moeder en verweerster slechts als vriendendienst voor haar garant stond voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning, maar dit standpunt wordt niet gevolgd. Vast staat immers dat aan verzoekster een vergunning is verleend, waarbij verweerster voor haar als inwonende dienstbode garant stond. Voor het verlenen van een “vriendendienst” is een dergelijke vergunning immers niet noodzakelijk. Dat verweerster bij brief van 7 augustus 2018 de garantstelling heeft ingetrokken maakt dat niet anders. In Aruba is het, gelet op de hoge kosten en de strenge eisen, bovendien niet gebruikelijk dat iemand als vriendendienst voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor een ander garant staat. Een en ander geeft voldoende aanleiding om aan te nemen dat verzoekster, anders dan verweerster stelt, als dienstbode werkzaam was. Verweerster heeft ook erkend dat zij maandelijks een (min of meer) vast bedrag aan verzoekster betaalde. De omstandigheid dat verzoekster, op initiatief van verweerster niet alleen bij de moeder, maar ook bij de dochter werkzaam was, betekent niet dat niet langer van een inwonende dienstbode kan worden gesproken en de op die verhouding geldende regeling niet van toepassing zou zijn.

4.7

Dit betekent dat ingevolge artikel 9 lid 2 van de Lv minimumlonen het door verweerster verschuldigde loon maandelijks Afl. 789,30 bedraagt. Verweerster heeft niet gesteld, noch is dit aannemelijk geworden dat sprake was van een dienstbetrekking die een omvang had van minder dan 22 uren per week. Gezien de omvang waarin verzoekster te werk werd gesteld, lijkt het daar ook niet op. Nu verweerster verder geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van het bedrag, waarop verzoekster aanspraak maakt, namelijk het verschil tussen hetgeen zij van verweerster heeft ontvangen en het minimumloon, zijnde ((Afl. 798,30- -/- Afl. 450,-)x12=) Afl. 4.179, 60, zal de vordering zoals verzocht worden toegewezen.

4.8

Nu de opzeggingstermijn ingevolge artikel 7A:1615i BW door verweerster niet in acht is genomen en verweerster de hoogte van het verzochte loon over een maand opzegtermijn niet heeft bestreden, zal daarnaast een bedrag van Afl. 798,30 worden toegewezen.

4.9

Tevens is niet komen vast te staan dat het dienstverband door toedoen van verzoekster tot een einde is gekomen. Verzoekster heeft om die reden ingevolge artikel 3 van de Cessantiaverordening recht op een cessantia-uitkering. De gevorderde cessantia-uitkering ten bedrage van Afl. 184,22 is door verweerster niet bestreden en zal om die reden worden toegewezen.

4.10

Tot slot is niet bestreden dat verzoekster wegens het eindigen van de arbeidsrelatie recht heeft op vergoeding van niet genoten vakantiedagen. Verzoekster becijfert deze op vijftien vakantiedagen. Nu verweerster het aantal niet genoten vakantiedagen niet heeft betwist, zal het bedrag van Afl. 460,55 reden worden toegewezen.

4.11

Het gerecht zal de wettelijke verhoging op grond van artikel 7A:1614q BW zoals gebruikelijk matigen tot 15%. De wettelijke verhoging zal worden toegewezen vanaf de datum van het indienen van het verzoekschrift, nu de ingebrekestelling bij brief van 18 februari 2019, waar verzoekster in het verzoekschrift naar verwijst, niet is overgelegd.

4.12

Als de in het ongelijk te stellen partij zal verweerster worden veroordeeld in de proceskosten van verzoekster.

4.13

Gezien het overgelegde bewijs van onvermogen zal aan verzoekster toestemming worden verleend om kosteloos te mogen procederen. Het gerecht treedt thans niet in de vraag of het verzoek rechtsgeldig is gedaan. Het gerecht zal dus afgaan op de juistheid van het bewijs van onvermogen van de Dienst Sociale Zaken.

5. DE BESLISSING

Het gerecht:

- verleent verzoekster toestemming om kosteloos te mogen procederen;

- veroordeelt verweerster om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan verzoekster te betalen Afl. 4.179, 60 aan achterstallig loon, Afl. 798,30 ter zake de opzeggingstermijn, Afl. 460,55 ter zake de niet uitbetaalde vakantiedagen en Afl. 184,22 ter zake de cessantia-uitkering, vermeerderd met de wettelijke verhoging tot een maximum van 15% vanaf 3 april 2019 tot de dag der voldoening;

- veroordeelt verweerster in de kosten van de procedure, die aan de zijde van verzoekster tot op heden worden begroot op nihil aan griffierechten en Afl. 2.500,- aan gemachtigdensalaris;

- verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Sap, rechter in dit gerecht, en werd in het openbaar uitgesproken op dinsdag 17 september 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.