Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:606

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
AUA201802936
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 25 september 2019

Behorend bij AUA201802936

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon naar Nederlands recht

GEMEENTE VENRAY,

te Venray, Nederland,

eiser, hierna te noemen: de Gemeente,

gemachtigde: de deurwaarder B.R. Roos,

tegen:

[naam gedaagde],

te Aruba,

gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek met producties;

- de conclusie van dupliek.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Bij brief van 24 juli 2014 heeft [gedaagde] de Gemeente verzocht om openbaarmaking van documenten op grond van de Nederlandse Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob). Dat verzoek luidde, voor zover van belang, als volgt:

“Ik ben bezig met een vergelijkend onderzoek en zou gaarne een antwoord op de volgende vragen willen hebben:

- Hoeveel aanvragen en bezwaarschriften heeft U sinds de inwerkingtreding van de

Wet dwangsom en beroep wegens niet tijdig beslissen ontvangen? Graag een onderverdeling maken in het onderwerp van de aanvraag en of er sprake is van een primair besluit of een bezwaarschrift?

- Hoe vaak heeft U een ingebrekestelling of klacht als bedoeld in artikel 9:4 van de Awb ontvangen?

- In hoeveel gevallen moest U een dwangsom betalen en wat is het totale bedrag?

- In hoeveel gevallen heeft U een WOB-verzoek aangemerkt als een verzoek artikel 7:4, vierde lid, van de Awb?

- In hoeveel gevallen heeft U toepassing gegeven aan artikel 4 van de WOB en is dat binnen een redelijk te achten termijn geweest?

- Overschreed U de beslistermijn vanwege capaciteitsgebrek, de complexiteit van de materie of een andere reden?

- Wordt een financieel jaarverslag in verband met uitbetalingen van dwangsommen bijgehouden?

- In hoeveel gevallen heeft U uit eigen beweging toepassing gegeven aan artikel 4:18 van de Awb?

- In hoeveel gevallen heeft is wettelijke rente over een dwangsom uitbetaald?

Voor wat betreft (al dan niet rechtsgeldige) ingebrekestellingen of bezwaarschriften wegens niet tijdig beslissen die zijn ingediend vanwege een WOB-verzoek of een verzoek om informatie op grond van het bepaalde in artikel 7:4, vierde lid, van de Awb in de periode van 01 oktober 2009 tot en met de datum van het onderhavige verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de WOB ontvang ik graag de bijbehorende documenten. Het gaat dan o.a. om het WOB-verzoek of verzoek artikel 7:4, vierde lid, van de Awb zelf, de ingebrekestelling, het dwangsombesluit, de beslissing op het WOB-verzoek, de beslissing op de ingebrekestelling en eventueel indien van toepassing rechterlijke uitspraken.”

2.2

Bij brief van 1 augustus 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray (hierna: het college) [gedaagde] te kennen gegeven voornemens te zijn het verzoek, voor zover dat ziet op in documenten vastgelegde informatie en aldus binnen de kaders van de Wob valt, met inachtneming van het daarin bepaalde, toe te wijzen en hem aldus verzocht om het verzoek te verduidelijken:

“Voordat wij een besluit kunnen nemen, verzoeken wij u uw verzoek te verduidelijken. Wenst u openbaarmaking en verstrekking van de documenten enkel met betrekking tot ingebrekestellingen en bezwaarschriften wegens niet tijdig beslissen naar aanleiding van Wob-verzoeken of verzoeken op grond van artikel 7:4, vierde lid, van de Awb in de relevante periode? Of wenst u eveneens openbaarmaking en verstrekking van de documenten (voor zover aanwezig) waarin de antwoorden op de negen door u (met gedachtestreepjes aangeduide) vragen vervat zijn?”

Het college heeft [gedaagde] in deze brief ook te kennen gegeven dat aan het maken van kopieën van de verzochte documenten kosten verbonden zijn.

2.3

Op deze brief heeft [gedaagde] niet gereageerd.

2.4

Bij besluit van 28 augustus 2014 heeft het college het verzoek van [gedaagde] ingewilligd. In dat besluit is verder onder meer het volgende vermeld:

“(…) U hebt niet gereageerd op deze brief. Dientengevolge moeten wij uw verzoek beantwoorden aan de hand van onze eigen interpretatie ervan.

Dat houdt in dat wij de door u gestelde vragen in uw verzoek opvatten als informatieve vragen, ter beantwoording waarvan u geen documenten wenst te ontvangen en die dus buiten de reikwijdte van de Wob en het wob-verzoek vallen. In verband daarmee merken wij op dat wij deze vragen dan ook niet kunnen beantwoorden, aangezien deze buiten de reikwijdte van de Wob vallen en wij niet beschikken over documenten waarin de gewenste informatie is vervat (…) Ten aanzien van uw verzoek overwegen wij dat er in de desbetreffende periode geen sprake is geweest van verzoeken op basis van artikel 7:4, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. (…) In zoverre kunnen wij dan ook geen documenten openbaar maken, noch aan u verstrekken. Met betrekking tot ingebrekestellingen en bezwaarschriften wegens niet tijdig beslissen naar aanleiding van Wob-verzoeken is uit onderzoek gebleken dat er in de relevante (bovengenoemde) periode sprake is geweest van drie ingebrekestellingen en géén bezwaarschriften wegens niet tijdig beslissen. Met in achtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Wob willigen wij uw verzoek in met betrekking tot deze drie zaken en maken deze hierbij openbaar met uitzondering van de daarin opgenomen persoonsgegevens (…) Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wob zijn wij bereid u afschriften van de documenten te doen toekomen die wij met dit besluit openbaar hebben gemaakt. Wij beschikken namelijk voor het overgrote deel niet over digitale afschriften van deze documenten. Zoals wij in onze brief van 4 augustus 2014 voorts hebben aangegeven, zijn voor het reproduceren daarvan kopieerkosten à € 0,30 verschuldigd (…).”

2.5

Tegen dat besluit heeft [gedaagde] bij brief, bij het college ingekomen op 1 oktober 2014, bezwaar gemaakt.

2.6

Bij besluit van 11 november 2014 heeft het college dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift niet de gronden van het bezwaar bevatte en [gedaagde] dit verzuim niet heeft hersteld binnen de hem daartoe gestelde termijn.

2.7

Tegen dat besluit heeft [gedaagde] beroep ingesteld.

2.8

Bij uitspraak van 2 februari 2016 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, (hierna: de rechtbank) dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

“Gelet op het voorgaande en alle misbruikindicatoren op zichzelf en in samenhang gewogen, is de rechtbank van oordeel dat gemachtigde van eiser de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen, heeft gebruikt met kennelijk geen ander doel dan om ten laste van de overheid geldsommen te incasseren. Hij heeft die bevoegdheid derhalve gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven zodanig, dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Gemachtigde van eiser heeft misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid om beroep in te stellen, nu dat beroep niet los kan worden gezien van het doel waarmee gemachtigde van eiser de Wob heeft gebruikt. De handelwijze van gemachtigde van eiser moet aan eiser worden toegerekend, aangezien gemachtigde van eiser de betrokken handelingen namens eiser heeft verricht en eiser hem daartoe heeft gemachtigd.”

Bij deze uitspraak heeft de rechtbank zich ook onbevoegd verklaard om over het verzoek om schadevergoeding van de Gemeente te oordelen en bepaald dat de vordering tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.

2.9

Tegen deze uitspraak heeft [gedaagde] hoger beroep ingesteld.

2.10

Bij uitspraak van 3 juni 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de ABRvS) het door [gedaagde] ingestelde hoger beroep na vereenvoudigde behandeling niet‑ontvankelijk verklaard, omdat storting of bijschrijving van het griffierecht niet binnen de wettelijke termijn heeft plaatsgevonden.

2.11

Bij uitspraak van 21 september 2016 heeft de ABRvS, voor zover hier van belang, het daartegen door [gedaagde] gedane verzet ongegrond verklaard.

2.12

Bij brief van 4 april 2016 heeft de Gemeente [gedaagde] onder meer het volgende geschreven:

“(…)

Tijdens de behandeling van het beroep heeft de gemeente Venray, zowel in het verweerschrift als tijdens de mondelinge behandeling, aangetoond dat u misbruik van recht heeft gemaakt. De bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen heeft u gebruikt met geen ander doel dan om ten laste van de overheid geldsommen te incasseren. De bevoegdheid is gebruikt met een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven. Dit is in de uitspraak van 2 februari 2016 door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond bevestigd.

De gemeente Venray heeft schade geleden door uw onrechtmatig handelen. De schade zullen wij op u verhalen. Wij stellen u dan ook bij dezen aansprakelijk op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Tijdens de zitting bij de rechtbank Limburg heeft de gemeente reeds aangekondigd een schadeclaim in voorbereiding te hebben. Een specificatie van de schade is tijdens de mondelinge behandeling van uw beroep reeds overhandigd aan uw gemachtigde. In de uitspraak van 2 februari 2016 heeft de rechtbank bevestigd dat de gemeente Venray schade heeft geleden.

Het schadeoverzicht alsmede de factuur zijn als bijlage bij deze brief gevoegd. Wij verzoeken u en zo nodig vorderen wij om dit bedrag voor 1 mei te voldoen. Indien u nalaat deze betaling te voldoen zijn wij genoodzaakt deze kosten door middel van een gerechtelijke procedure af te dwingen. (…)”

In de bijlage bij deze brief is het volgende overzicht opgenomen:

“Datum Omschrijving Uren Uurloon Totaal

25-07-2014 WOB-verzoek bestuderen en analyseren 1 97,91 97,91

01-08-2014 Brief aan [gedaagde] voornemen instemmen WOB-verzoek 2 97,91 195,82

28-08-2014 Besluit tot instemming WOB-verzoek [gedaagde] 2,5 97,91 244,78

02-10-2014 Brief met verzoek om aanvulling gronden 1 97,91 97,91

21-10-2014 Brief afwijzing verzoek verlengen uitstel 1 97,91 97,91

23-10-2014 Voorbereiden afhandeling bezwaarschrift 3 97,91 293,73

05-11-2014 Beslissing op bezwaar 2 97,91 195,82

10-02-2015 Opstellen verweerschrift 4 97,91 391,64

05-01-2016 Voorbereiden zitting Rechtbank Roermond - Beroep 2 98,06 196,12

07-01-2016 Voorbereiden zitting Rechtbank Roermond (vervolg) 2 98,06 196,12

10-02-2016 Reistijd en zitting Rechtbank Roermond – Beroep 3 98,06 294,18

10-02-2016 Analyse uitspraak Rb Limburg misbruik van recht 2 98,08 196,12

16-02-2016 Juridische bestudering consequenties misbruik van recht 1,5 98,06 147,09

01-03-2016 Eerste opzet aansprakelijkstelling 2 98,06 196,12

15-03-2016 Definitieve brief aansprakelijkstelling 1 98,06 98,06

22-03-2016 Afronding en verzending aansprakelijkstelling 1 98,06 98,06

TOTALE SCHADE 3.037,39”

2.13

Bij diverse brieven heeft de Gemeente [gedaagde] aangemaand de vordering te voldoen.

2.14 [

gedaagde] heeft daaraan niet voldaan.

3 DE VORDERING EN HET VERWEER

3.1

De gemeente verzoek het gerecht om tegen [gedaagde] een betalingsbevel uit te vaardigen, waarbij hij, uitvoerbaar bij voorraad, wordt bevolen tot betaling van een bedrag van Afl. 5.920,92, vermeerderd met 15% aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2017 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald, en met de proceskosten.

3.2

Aan deze vordering heeft de Gemeente ten grondslag gelegd dat [gedaagde] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door misbruik te maken van de bevoegdheden om een Wob‑verzoek in te dienen en beroep in te stellen tegen het besluit van het college van 11 november 2014. Als gevolg daarvan heeft de Gemeente schade geleden. De geleden schade bestaat uit de kosten die de Gemeente heeft moeten maken voor het werk dat de betrokken gemeenteambtenaar heeft moeten verrichten in het kader van de voorbereiding van het besluit van 28 augustus 2014, de daarop volgende bezwaar- en beroepsprocedures, en in het kader van het verkrijgen van een vergoeding voor de als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] geleden schade.

3.3 [

gedaagde] heeft verweer gevoerd strekkende tot afwijzing van de vordering. Omdat artikel 8:75, eerste lid, van de Nederlandse Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd verklaart een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij moet maken in verband met de behandeling van het bezwaar tegen een besluit en van het beroep bij de bestuursrechter, is de Gemeente niet-ontvankelijk in zijn vordering tot vergoeding van kosten, gemaakt in de bezwaar- en de beroepsprocedures. Verder betwist [gedaagde] de hoogte van de gevorderde schadevergoeding wegens kosten, gemaakt ter voorbereiding van het besluit van 28 augustus 2014.

4 DE BEOORDELING

4.1

Als meest verstrekkend verweer heeft [gedaagde] aangevoerd dat de Gemeente niet‑ontvankelijk is in zijn vordering, omdat de vordering ziet op vergoeding van in de bezwaar- en beroepsprocedure gemaakte proceskosten. Ter zake is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd, aldus [gedaagde].

4.2

Ingevolge artikel 8:75 Awb is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar tegen een besluit en van het beroep bij de bestuursrechter. Met deze bepaling is beoogd het oordeel omtrent de vergoeding van deze kosten bij uitsluiting op te dragen aan de bestuursrechter. De burgerlijke rechter dient daarom de eiser die vergoeding van de kosten van een bestuursrechtelijke bezwaar- of beroepsprocedure vordert, in beginsel niet-ontvankelijk te verklaren, ook als die vordering gegrond is op onrechtmatige daad. Voor aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter ter zake van een vergoeding voor kosten van bezwaar of beroep is dan ook geen plaats, tenzij het een aanspraak betreft die de belanghebbende redelijkerwijs niet op de voet van artikel 8:75 Awb aan de bestuursrechter (dan wel op de voet van artikel 7:15 Awb aan het bestuursorgaan) heeft kunnen voorleggen (Hoge Raad 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1456).

4.3

De gevorderde schadevergoeding heeft betrekking op kosten voor werkzaamheden van een ambtenaar ter voorbereiding van het besluit van 28 augustus 2014 en in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep, ter vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid, en ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Artikel van de 8:75 Awb ziet op de kosten, die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar, redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze bepaling ziet dan ook niet op de kosten, die de Gemeente stelt te hebben gemaakt ter voorbereiding van het besluit van 28 augustus 2014, ter vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid, en ter verkrijging van voldoening buiten rechte. In zoverre faalt het verweer.

4.4

Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding, voor zover deze betrekking heeft op de kosten die de Gemeente stelt te hebben gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep, overweegt het gerecht als volgt. Gelet op het hiervoor onder 4.2 weergegeven kader, dient te worden onderzocht of het gerecht, als burgerlijke rechter, in dit geval ter zake van de gevorderde proceskostenvergoeding aanvullende rechtsbescherming dient te bieden. In dit verband overweegt het gerecht het volgende.

4.5

In artikel 8:75 Awb wordt onder meer artikel 7:15, tweede lid, Awb van toepassing verklaard. Daarin is bepaald dat de kosten die een belanghebbende in verband met het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed worden op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Voor vergoeding aan een bestuursorgaan van door hem bij de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten door een natuurlijk persoon biedt de Awb dan ook geen grondslag.

In dit geval gaat het niet om kosten die een belanghebbende in verband met het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, maar om de kosten die de Gemeente, het desbetreffende bestuursorgaan, heeft moeten maken. Verder is het besluit van 28 augustus 2014, het bestreden besluit, niet herroepen wegens aan de Gemeente te wijten onrechtmatigheid. Aldus betreft de aanspraak die de Gemeente maakt op vergoeding van kosten van bezwaar geen aanspraak die hij redelijkerwijs op de voet van artikel 8:75 Awb aan de bestuursrechter dan wel op de voet van artikel 7:15 Awb aan het bestuursorgaan heeft kunnen voorleggen.

4.6

In artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) is limitatief opgesomd op welke kosten een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb betrekking kan hebben. Ingevolge die bepaling kan een zodanige veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus biedt artikel 8:75 Awb, gelezen in verbinding met artikel 1 Bpb, geen grondslag voor vergoeding van kosten voor werkzaamheden van ambtenaren in dienst van het desbetreffende bestuursorgaan. In een afwijkingsmogelijkheid ter zake voorziet het Bpb niet, anders dan de mogelijkheid die het Bpb in artikel 2, derde lid, de bestuursrechter biedt om in afwijking van de voorschreven forfaitaire vergoeding van kosten een hogere vergoeding toe te kennen (vergelijk voormeld arrest van de Hoge Raad van 29 november 2013). Het voorgaande brengt met zich dat de aanspraak die de Gemeente maakt op vergoeding van kosten van beroep, bestaande uit kosten voor de door de betrokken gemeenteambtenaar in het kader van de behandeling van het beroep verrichtte werkzaamheden, geen aanspraak is die hij redelijkerwijs op de voet van artikel 8:75 Awb aan de bestuursrechter heeft kunnen voorleggen.

4.7

Voor aanvullende rechtsbescherming waar het gaat om verletkosten in verband met het reizen naar en het bijwonen van de zitting bij de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, is evenwel geen plaats. Het betreft geen aanspraak die de Gemeente redelijkerwijs niet aan de bestuursrechter heeft kunnen voorleggen. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, Bpb kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb betrekking hebben op verletkosten van een partij. Voorts sluit artikel 8:75 Awb niet uit dat een natuurlijk persoon in de proceskosten kan worden veroordeeld (zie in dit verband ook ABRvS 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1655).

4.8

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Gemeente in zijn vordering kan worden ontvangen, met uitzondering van de gevorderde verletkosten van een bedrag van € 294,18.

4.9

Met de uitspraak van de ABRvS van 21 september 2016 is de uitspraak van de rechtbank van 2 februari 2016 in kracht van gewijsde gedaan. Daarmee heeft het oordeel van de rechtbank dat het Wob-verzoek van [gedaagde] en het door hem ingestelde beroep bij de rechtbank misbruik van recht inhouden gezag van gewijsde verkregen. Daarmee staat de onrechtmatigheid van het handelen van [gedaagde] ter zake jegens de Gemeente tussen partijen vast. Niet in geschil is dat de Gemeente als gevolg daarvan schade heeft geleden. Het geschil spitst zich in zoverre verder toe op de vraag naar de omvang van de aldus geleden schade.

Werkzaamheden ter voorbereiding besluit van 28 november 2014

4.10

De Gemeente heeft de vordering in zoverre onderbouwd dat een gemeenteambtenaar aan de voorbereiding van het besluit van 28 november 2014 in totaal 5,5 uren heeft besteed. Het uurtarief van de desbetreffende ambtenaar is € 97,91, zodat de te vergoeden schade € 538,51 bedraagt.

4.11 [

gedaagde] heeft de hoogte van de schade in zoverre betwist, door te betogen dat de voorbereiding van het besluit van 28 november 2014 geen omvangrijke werkzaamheden met zich mee heeft gebracht. De werkzaamheden, gemoeid met het opstellen van de brief van 1 augustus 2014, overlappen die gemoeid met het komen tot het besluit van 28 november 2014, en de door hem verzochte stukken zijn hem uiteindelijk niet toegezonden, aldus [gedaagde].

4.12

Het gerecht stelt voorop dat het uurtarief van de gemeenteambtenaar onbetwist is gebleven. Verder acht het gerecht voldoende aannemelijk gemaakt dat het Wob-verzoek van [gedaagde] de gestelde werkzaamheden voor de Gemeente met zich heeft gebracht. Uit de brief van 1 augustus 2014 en het besluit van 28 november 2014 valt afdoende af te leiden dat dat verzoek aanleiding heeft gegeven voor de door het college gestelde werkzaamheden, onder meer gelet op de aard en omvang van het verzoek, de benodigde maar uitgebleven verduidelijking daarvan door [gedaagde], en het van de zijde van het college vereiste onderzoek om te achterhalen op welke documenten het verzoek zag.

Werkzaamheden in het kader van bezwaar en beroep

4.13

Het gerecht acht voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat de gevorderde vergoeding van €1.469,25 de door de Gemeente daadwerkelijk gemaakte kosten voor de werkzaamheden van een ambtenaar voor de behandeling van het bezwaar en het beroep niet overschrijdt. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat voor het opstellen van verweerschriften en het bijwonen van een zitting volgens het Bpb een vergelijkbaar bedrag, te weten €1.536,- (3 punten), aan kosten zou worden toegekend, indien deze werkzaamheden door een derde beroepsmatig zouden zijn verleend.

Kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid

4.14 [

gedaagde] heeft de gevorderde kosten ter vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid van € 539,33 niet gemotiveerd betwist. Gelet hierop en nu deze kosten redelijkerwijs noodzakelijk zijn geweest en naar hun aard en omvang redelijk zijn, zal de vordering in zoverre worden toegewezen.

Kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte

4.15

De Gemeente heeft onbetwist gesteld dat daadwerkelijk en in redelijkheid buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt, hetgeen het gerecht ook is gebleken. Deze komen dan ook conform het Procesreglement 2018 voor civiele zaken voor toewijzing in aanmerking. De Gemeente heeft in het verzoekschrift niet betoogd dat en waarom een begroting conform het Procesreglement niet op haar plaats is, zodat de daarboven gevorderde kosten van € 196,12 voor het opstellen en verzenden van de brief van 4 april 2016, waarbij [gedaagde] aansprakelijk wordt gesteld voor de door de Gemeente geleden schade en hij gemaand wordt deze te vergoeden, niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.16

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering tot een bedrag van € 2.547,09 (€ 538,51+ €1.469,25 + € 539,33) toewijsbaar is.

4.17 [

gedaagde] dient, als grotendeels in het ongelijk gestelde partij, op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

5 DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

5.1

veroordeelt [gedaagde] om aan de Gemeente een bedrag te betalen van € 2.547,09, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2017 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald;

5.2

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de Gemeente van een bedrag van Afl. 750,- wegens buitengerechtelijke incassokosten;

5.4

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van de Gemeente worden begroot op Afl. 100,- aan griffierecht en Afl. 1.000,- (2 punten in tarief 3) aan salaris van de gemachtigde;

5.5

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.6

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 25 september 2019 in aanwezigheid van de griffier.