Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:60

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
04-02-2019
Zaaknummer
A.R. nr. 452 van 2016 / AUA201600860
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

maximale rentevergoeding van jaarlijks 18% in geval van consumentenkrediet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 30 januari 2019

Behorend bij A.R. nr. 452 van 2016 / AUA201600860

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap,

ISLAND FINANCE ARUBA N.V.,

gevestigd te Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: IFA,

gemachtigde: de advocaat mr. M.E.D. Brown,

tegen:

[Gedaagde],

wonende in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: de advocaat mr. M.O. Lopez.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure tot 19 september 2018 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. De bij dat vonnis gelaste comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2018. IFA is ter zitting verschenen bij haar gemachtigde (voor wie mr. E.H.J. Martis heeft geoccupeerd), die werd vergezeld door mw. [naam X] en dhr. [naam Y] (directeur respectievelijk assistent manager bij IFA). [gedaagde] is verschenen samen met haar gemachtigde. Ook de Centrale Bank van Aruba (hierna: CBA) is als informant ter zitting verschenen bij zijn advocaat mr. A.A.D.A. Carlo en mr. [naam Z](manager juridische afdeling bij de CBA). Partijen hebben het woord gevoerd, beiden mede aan de hand van toegelaten nadere producties, en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen. De CBA heeft eveneens het woord gevoerd, mede aan de hand van door hem overgelegde producties.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

IFA vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] veroordeelt om aan IFA te betalen Afl. 12.857,58, te vermeerderen met overeengekomen rente van 1,4% maandelijks per maand gerekend vanaf 31 januari 2014 tot een maximum van Afl. 12.921,13 en na het bereiken van dit maximum te vermeerderen met wettelijke rente, en voorts te vermeerderen met 15% aan overeengekomen en gemaakte incassokosten, kosten (waaronder begrepen die van het beslag) rechtens.

2.2 [

gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het door IFA verzochte, kosten rechtens.

3 DE VERDERE BEOORDELING

3.1

Het Gerecht volhardt in zijn in de tussenvonnissen neergelegde overwegingen en beslissingen. Hierbij zij opgemerkt dat bij het tussenvonnis van 2 mei 2018 reeds is vastgesteld dat IFA - anders dan voormeld petitum doet vermoeden - een hogere rentevergoeding dan 1,4% maandelijks in rekening brengt aan [gedaagde]. IFA brengt aan [gedaagde] in rekening een kredietvergoeding van nominaal 27,25% jaarlijks.

3.2

In het laatste tussenvonnis heeft het Gerecht het volgende overwogen: “In zijn vonnis van 24 juli 2018 in de (bodem)zaak met als registratienummer AR 66727/14 - H 45/16 - CUR2015H00014 heeft het Gemeenschappelijk Hof ter zake van (de hoogte van) overeengekomen rente - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende overwogen: “het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om in alle gevallen van kredietverlening zonder zekerheidstelling en ongeacht of sprake is van microkredietverstrekking of niet, te oordelen dat het in strijd met de goede zeden is om een hogere rente te bedingen dan 18%, zoals de oordelen in de drie kort geding vonnissen van 1999 in de rechtspraktijk zijn opgevat. Het is aan de wetgever of aan een overheidsorgaan zoals de Centrale Bank om, door middel van wetgeving, respectievelijk het instrument van vergunningverlening of ontheffing en binnen de marges van de Landsverordening Toezicht Bank- en Kredietwezen, al dan niet rekening houdend met een overgangsperiode en/of al dan niet met terugwerking, algemene regels te stellen met betrekking tot een toelaatbaar maximumtarief voor verschillende of voor alle financieringsvormen.” (zie rechtsoverwegingen 2.8 en 2.9 van dat vonnis).”.

3.3

Het Gerecht heeft in het licht van voormeld vonnis van het Hof nogmaals een comparitie van partijen gehouden om met partijen te bespreken wat dat vonnis met zich brengt of betekent voor de onderhavige zaak met betrekking tot de tussen partijen overeengekomen jaarlijkse rente ad 27,25% en het dienaangaande overwogene in rechtsoverwegingen 2.2 en 2.3 van het tussenvonnis van 2 mei 2018. Die overwegingen luiden als volgt:

2.2 In de zaak A.R. nr. 1740 van 2014, waarin op 12 april 2017 (tussen)vonnis is gewezen en in welke zaak sprake is van door een consument met IFA gesloten soortgelijke overeenkomst van geldlening als die in de onderhavige zaak (en dat meer in het bijzonder met betrekking [tot] de contractuele rente), is na deskundigenbericht vast komen te staan dat IFA een hogere dan het door dit Gerecht (althans ondergetekende rechter) maximaal aanvaardbare rentepercentage van 1.5% maandelijks of 18% jaarlijks in rekening brengt aan die consument. Het Gerecht heeft de in die zaak aan de orde zijnde overeenkomst van geldlening als zijnde strijdig met de goede zeden nietig geoordeeld voorzover de contractuele rente hoger is dan voormelde maximaal aanvaardbare rentepercentages.

2.3

Het Gerecht is met [gedaagde] van oordeel dat ook in dit geval sprake is van een door IFA bedongen rente die hoger is (te weten 9,25% hoger) dan het hiervoor vermelde maximaal aanvaardbare jaarpercentage van 18%, en dat de tussen partijen gesloten overeenkomst van geldlening in zoverre (partieel) nietig is als zijnde in strijd met de goede zeden. Het Gerecht ziet geen grond om de hele overeenkomst nietig te verklaren, zoals beoogd door [gedaagde].”.

3.4

IFA stelt zich op het standpunt dat het hofvonnis onverkort geldt voor de onderhavige zaak, terwijl [gedaagde] stelt dat - gehoord het standpunt van de CBA - daarvan geen sprake kan zijn. Het Gerecht overweegt als volgt, waarbij voorop wordt gesteld dat in de onderhavige procedure niet de vraag voorligt of in alle gevallen van kredietverlening zonder zekerheidsstelling en ongeacht of sprake is van microkredietverstrekking of niet, te oordelen dat het in strijd met de goede zeden is om een hogere rente te bedingen dan 18%, zoals de oordelen in de bij partijen genoegzaam bekende drie kort geding vonnissen van 1999 in de rechtspraktijk zijn opgevat. De vraag die in dit geschil voorligt is of daarvan in dit specifieke geval van consumentenkredietverlening sprake is. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

3.5

De CBA heeft ter zitting het woord gevoerd, mede aan de hand van door hem overgelegde hierna te vermelden producties, die allen zien op door de CBA ontworpen of geredigeerde concept-wetgeving met betrekking tot consumentenkredieten.

3.5.1

De aan de minister van Financiën en Overheidsorganisatie gerichte brief van de President van de CBA van 22 juni 2016 (waarin met “de Bank” wordt bedoeld de CBA). vermeldt onder meer:

“(…).

De voormalige minister van Economische zaken (…) heeft de CBA enkele jaren geleden verzocht om met een wetsvoorstel te komen om onoorbare praktijken rondom consumentenkrediet, waaronder de soms excessieve rente percentages waartegen consumentenkrediet wordt aangeboden, tegen te gaan. Tegen deze achtergrond doe ik u toekomen concepten voor een ontwerp-Landsverordening consumentenkrediet (Lck), een ontwerp Landsbesluit, houdende algemene maatregelen, tot wijziging van het Landsbesluit bestuurlijke handhaving sectorale toezichtwetgeving en een ontwerp-ministeriele regeling consumentenkrediet, alsmede concepten voor de bijbehorende memorie van toelichting en nota’s van toelichting.

(…).

De Lck schept een nieuw wettelijk kader voor het toezicht op aanbieders van consumentenkrediet. Onder consumentenkrediet wordt verstaan – samengevat – de beroeps- of bedrijfsmatige kredietverlening aan consumenten, de niet-zakelijke kredietnemer. Kredietverlening aan het bedrijfsleven valt dus niet onder de Lck. De doelstelling van het ontwerp is zorgvuldige behandeling van consumenten die een krediet aangaan en in ruimere zin cliënten die financiële producten afnemen. Financiële instellingen dienen hun (potentiele) cliënten goed voor te lichten over hun producten en diensten en tegenover hen ook verder de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen. Met het oog daarop bevat de Lck gedragsnormen waarbij een zorgvuldige behandeling van consumenten voorop staat. Gedragsnormen beogen daarnaast het vertrouwen van de consument in de financiële markten te waarborgen, zijnde een belangrijke voorwaarde voor een goed functionerende financiële sector en economie.

Het aanbieden van consumentenkrediet is momenteel beperkt gereguleerd. Kredietinstellingen, die onder meer consumentenkrediet aanbieden, moeten op grond van artikel 4 van de Landsverordening toezicht kredietwezen (AB 1998 no. 16) (Ltk) weliswaar beschikken over een vergunning van de Bank, maar de waarborgen voor een zorgvuldige behandeling van consumenten zijn relatief beperkt en niet specifiek. (…). Ook zijn er aanbieders van consumentenkrediet die thans in het geheel niet zijn gereguleerd. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan winkelbedrijven in witgoed en electronica, die hun (potentiele) kopers tevens de mogelijkheid bieden om hun producten op krediet te kopen.

Gedragsnormen

Het gedragstoezicht is in Aruba een relatief nieuw fenomeen dat in dit ontwerp nadrukkelijk wordt verankerd. (…). In het algemeen kan worden gesteld dat de achtergrond van de gedragsnormen voor de financiële instellingen is gelegen in het belang van de cliënt, in het bijzonder de consument. De noodzaak tot regelgeving ter bescherming van de consument is ingegeven door het belang dat financiële producten spelen in het leven van de consument. Gedragsnormen beogen daarnaast het vertrouwen van de consument in de financiële markten te waarborgen. Dit is een belangrijke voorwaarde voor een goed functionerende financiële sector en economie. Gelet op het hiervoor geïllustreerde belang van financiële producten voor de consument, is het wenselijk dat de aanschaf zorgvuldig geschiedt en dat het product aansluit bij de behoefte en situatie van consumenten. Daarnaast dient de consument zich bewust te zijn van de kosten en mogelijke risico’s van het financiële product.

Samengevat introduceert de Lck de onderstaande gedragsnormen.

Algemene zorgvuldigheidsnorm

In de Lck wordt een algemeen uitgangspunt van zorgvuldige behandeling van de consument door een kredietaanbieder geïntroduceerd. Of er sprake is van onzorgvuldig handelen zal per geval beoordeeld moeten worden. Een algemeen geformuleerde zorgvuldigheidsnorm is wenselijk. Het is immers mogelijk dat, mede door het toezicht op kredietaanbieders, onzorgvuldige en/of onwenselijke gedragingen aan het licht komen die niet zijn voorzien in de navolgende artikelen.

Maximaal toegestane kredietvergoeding

In de Lck wordt een maximaal toegestane kredietvergoeding geïntroduceerd. Kredietvergoeding omvat rente en andere kosten die een kredietaanbieder in rekening brengt. Ook worden regels gesteld met betrekking tot een maximaal toegestane vertragingsvergoeding. Deze regels beogen excessieve kosten voor de consument tegen te gaan en kredietaanbieders te bewegen tot een restrictief, althans passend acceptatiebeleid. Bescherming tegen woekerrentes en onevenredig hoge vertragingsvergoedingen die in rekening worden gebracht in geval van wanbetaling is gewenst. De maximale vergoedingen worden nader ingevuld in de ministeriele regeling. De hoogst toegestane kredietvergoeding wordt uitgedrukt in een effectief percentage op jaarbasis aan totale kosten ten opzichte van het kredietbedrag. Voorgesteld wordt om als maximale kredietvergoeding 18 procent op jaarbasis te hanteren. De hoogst toegestane vertragingsvergoeding wordt op maandbasis berekend en bedraagt conform het huidige voorstel 2 procent. (…)

Indien een kredietovereenkomst wordt afgesloten waarbij hogere vergoedingen worden gevraagd van de consument dan is toegestaan, dan is die consument bevoegd om de overeenkomst te laten vernietigen.

(…).”.

3.5.2

Het aan voornoemde minister door de CBA voorgelegde concept voor een ontwerp Landsverordening houdende regels inzake het toezicht op het aanbieden van consumentenkrediet (Landsverordening consumentenkrediet) vermeldt onder meer:

(…).

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze landsverordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

kredietvergoeding: alle kosten, in welke vorm dan ook, die een kredietaanbieder in verband met een krediet in rekening brengt aan de consument, met uitzondering van vertragingsvergoeding en vergoeding voor vervroegde aflossing;

(…);

vertragingsvergoeding: alle kosten die een kredietaanbieder in verband met niet-nakoming of te late betaling door de consument van aflossing of rente in rekening brengt aan de consument, met uitzondering van buitengerechtelijke incassokosten;

(…).

HOOFDSTUK 2

Zorgvuldige kredietverlening

Artikel 4

Een kredietaanbieder neemt jegens consumenten de nodige zorgvuldigheid in acht. Hij houdt zich daartoe in ieder geval aan de ingevolge dit hoofdstuk op hem van toepassing zijnde regels.

Artikel 5

1. Een kredietaanbieder brengt geen hogere kredietvergoeding, vertragingsvergoeding of vergoeding voor vervroegde aflossing in rekening dan is toegestaan krachtens het tweede en derde lid.

2. De hoogst toegestane kredietvergoeding, bedoeld in het eerste lid wordt uitgedrukt in een effectief percentage op jaarbasis aan totale kosten ten opzichte van het kredietbedrag. De hoogst toegestane kredietvergoeding wordt, de Bank gehoord, vastgesteld bij regeling van de Minister.

3. Bij of krachtens de regeling, bedoeld in het tweede lid worden voorts, de Bank gehoord, regels gesteld met betrekking tot de hoogst toegestane vertragingsvergoeding (…).

4. Een overeenkomst in strijd met de krachtens het tweede of derde lid gestelde regels is vernietigbaar. Op deze vernietigingsgrond kan uitsluitend de consument een beroep doen.

(…).”.

3.5.3

De concept Memorie van Toelichting behorende bij voormeld concept voor een ontwerp Landsverordening houdende regels inzake het toezicht op het aanbieden van consumentenkrediet (Landsverordening consumentenkrediet) vermeldt onder meer:

(…).

Artikelsgewijze toelichting

(…).

Ad artikel 5

Dit artikel bepaalt dat bij regeling van de Minister de maximaal toegestane kredietvergoeding, vertragingsvergoeding, vergoeding voor vervroegde aflossing of buitengerechtelijke incassokosten worden vastgesteld. Het beoogt excessieve kosten voor de consument tegen te gaan en kredietaanbieders te bewegen tot een restrictief acceptatiebeleid. Van diverse kanten is kritiek geleverd op de hoge kredietvergoedingspercentages. Zeker voor kredieten geldt dat deze soms worden aangegaan vanuit door de desbetreffende consument gepercipieerde noodzaak, waarbij de kredietvergoeding voor lief wordt genomen. Bescherming tegen woekerrentes en tegen onevenredig hoge vertragingsvergoedingen is dan ook gewenst. Ook de bedragen die in rekening worden gebracht van wanbetaling kunnen soms hoog oplopen. (…). Indien een overeenkomst wordt afgesloten waarbij hogere vergoedingen worden gevraagd dan ingevolge dit artikel, dan is die consument bevoegd om de overeenkomst te (…) vernietigen (derde lid). De kredietaanbieder komt dit recht niet toe, omdat de bescherming van dit artikel zich richt tot de consument. De vernietigingsgrond is opgenomen om de effectiviteit van deze bepaling te optimaliseren.

(…).”.

3.5.4

De concept Ministeriële Regeling behorende bij voormeld concept voor een ontwerp Landsverordening houdende regels inzake het toezicht op het aanbieden van consumentenkrediet (Landsverordening consumentenkrediet) vermeldt onder meer:

De minister van Financiën en Overheidsorganisatie

In overweging genomen hebbende:

dat het in het belang van de bescherming van consumenten wenselijk is regels te stellen met betrekking tot de hoogst toegestane kredietvergoeding en vertragingsvergoeding en de normbedragen voor kredietwaardigheidstoets;

(…);

HEEFT BESLOTEN:

(…).

Artikel 4

1. De ten hoogste toegestane kredietvergoeding, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Landsverordening consumentenkrediet, bedraagt 18 procent op jaarbasis.

2. De ten hoogste toegestane vertragingsvergoeding, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Landsverordening consumentenkrediet, wordt uitgedrukt in een percentage op maandbasis aan totale kosten ten opzichte van achterstallige betalingen aan kredietvergoedingen en aflossingen. De hoogst toegestane vertragingsvergoeding bedraagt 2 procent op maandbasis.

(…).”.

3.6

In het licht van voormelde concept wetsontwerpen en de concept toelichtingen daarop heeft de CBA ter zitting verklaard dat hij is gekomen tot de door hem beoogde maximale kredietvergoeding - zijnde dus alle kosten, in welke vorm dan ook, die een kredietaanbieder in verband met een krediet in rekening brengt aan de consument, met uitzondering van vertragingsvergoeding en vergoeding voor vervroegde aflossing - ad maximaal 18% jaarlijks na uitgebreid veldonderzoek onder Arubaanse kredietinstellingen met betrekking tot hun verdienmodellen. De CBA heeft vastgesteld dat de meeste kredietinstellingen in Aruba thans in geval van consumentenkredieten niet meer dan 18% aan rente bedingen (welk rentepercentage dus met zich brengt dat sprake is van een hogere kredietvergoeding dan jaarlijks 18%) en dat wat hem betreft alle kredietinstellingen in Aruba, waaronder begrepen IFA, hun verdienmodellen met de invoering van de Landsverordening consumentenkrediet zoals beoogd door de CBA moeten en ook kunnen aanpassen overeenkomstig en in lijn met een kredietvergoeding van jaarlijks maximaal 18%. Voorts heeft de CBA verklaard dat hij niet over instrumenten beschikt waarmee hij thans - vooruitlopend op de (mogelijke) totstandkoming van de Landsverordening consumentenkrediet in de door de CBA beoogde zin - kan bewerkstelligen dat Arubaanse kredietinstellingen, waaronder begrepen IFA, geen hogere kredietvergoeding dan jaarlijks 18% in rekening brengen aan consumenten. In het licht daarvan heeft de CBA tot slot verklaard dat hij van mening is dat het wel degelijk de (rechtsvormende) taak is van de rechter om - zolang de wetgever te dezen zwijgt - in te grijpen teneinde de consument de nodige bescherming te bieden tegen kredietverstrekkers die woekerrentes in rekening brengen.

3.7

Het Gerecht sluit zich aan bij voormelde slotverklaring van de CBA, en dat mede om het navolgende.

3.7.1

In het licht van de verklaringen van de CBA kan niet langer worden gezegd dat een maximale rentevergoeding van jaarlijks 18% in geval van consumentenkrediet zomaar uit de lucht is gegrepen, zoals door IFA is betoogd. De CBA heeft naar het oordeel van het Gerecht te gelden als dé onafhankelijke autoriteit die zicht heeft op en onderzoek heeft verricht met betrekking tot het verdienmodel van kredietverstrekkers als IFA, en hij is als zodanig in staat om te bepalen of het voor zo’n kredietverstrekker al dan niet mogelijk is om dat verdienmodel aan te passen aan de door de CBA beoogde maximale kredietvergoeding van jaarlijks 18% in geval van consumentenkredieten. Die vraag heeft de CBA in algemene zin bevestigend beantwoord, dus ook met betrekking tot IFA. Overigens is in het licht van die verklaring van de CBA gesteld noch gebleken dat IFA door aanpassing van haar verdienmodel in de door CBA beoogde zin haar hoofd niet langer boven water zal kunnen houden en de Arubaanse financiële markt niet langer zal kunnen bedienen.

3.7.2

IFA heeft ter zitting betoogd dat het een vergunning heeft op grond van artikel 4 van de Landsverordening toezicht kredietwezen en dat zij onder toezicht staat van de CBA. Aldus is de CBA bekend met het verdienmodel van IFA, op grond waarvan IFA er op mag vertrouwen dat de door haar aan consumenten in rekening gebrachte rente, ad in dit geval 27,25% jaarlijks, maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het Gerecht volgt IFA niet in die door [gedaagde] bestreden stelling. Het enkel hebben van bedoelde vergunning en het niet in strijd handelen met de bij die vergunning gestelde voorwaarden brengt nog niet zonder meer met zich dat de vergunninghouder niet onrechtmatig of niet in strijd met de goede zeden kan handelen ten opzichte van derden, in dit geval kredietnemers zijnde consumenten. Dit klemt temeer gelet op het hiervoor onder 3.5.1 vermelde schrijven van de CBA: “Het aanbieden van consumentenkrediet is momenteel beperkt gereguleerd. Kredietinstellingen, die onder meer consumentenkrediet aanbieden, moeten op grond van artikel 4 van de Landsverordening toezicht kredietwezen (AB 1998 no. 16) (Ltk) weliswaar beschikken over een vergunning van de Bank, maar de waarborgen voor een zorgvuldige behandeling van consumenten zijn relatief beperkt en niet specifiek.”. Uit de hiervoor omschreven stukken van de CBA blijkt telkens dat hij met de door kredietinstellingen jegens consumenten te betrachten zorgvuldigheid onder meer doch met name bedoelt dat die instellingen geen woekerrentes in rekening brengen aan consumenten, terwijl voorts blijkt dat de CBA onder woekerrente verstaat in elk geval een rentevergoeding (niet zijnde dus de door de CBA beoogde maximale kredietvergoeding) van meer dan 18% jaarlijks. In het hiervoor omschreven verband mocht IFA er naar het oordeel van het Gerecht allerminst op vertrouwen dat de CBA de in dit geval door IFA bedongen rentevergoeding ad 27,25% jaarlijks maatschappelijk aanvaardbaar zou vinden. Gebleken is juist in deze procedure dat de CBA zich ondubbelzinnig distantieert van dat standpunt en een dergelijke vergoeding als ontoelaatbare woekerrente ziet.

3.7.3

IFA heeft voorts ter zitting onbestreden betoogd dat het in het onderhavige geval gaat om een geldlening zonder zekerheid, en dat zij met het verstrekken van dergelijke leningen - die volgens IFA net als in dit geval vaak worden aangegaan door consumenten die bij andere financiële instellingen geen krediet meer kunnen krijgen - voorziet in een behoefte op de Arubaanse financiële markt. Dat alles kan zijn, maar rechtvaardigt naar het oordeel van het Gerecht nog niet dat IFA woekerrentes in rekening brengt aan consumenten.

3.7.4

Ter zitting heeft IFA verder - met een beroep op de vrijheid van partijen tot contracteren zoals zij hebben gedaan - gesteld dat [gedaagde] de Nederlandse en Engelse Taal beheerst, dat zij precies wist wat de met IFA gesloten overeenkomst van geldlening inhield en dat het voor haar bekend en duidelijk was welke betalingsverplichtingen er voor haar precies voortvloeiden uit die overeenkomst. Ook deze stelling en dat beroep kunnen IFA naar het oordeel van het Gerecht niet baten. Het kan zijn dat [gedaagde] precies wist wat de inhoud was van de door haar met IFA gesloten overeenkomst van geldlening en wat precies haar betalingsverplichtingen waren onder die overeenkomst waaronder begrepen de hoogte op jaarbasis van door haar te betalen rentevergoeding, maar dat laat onverlet dat de contracteervrijheid van partijen wordt begrensd door onder meer de open norm van het bepaalde in het eerste lid van artikel 3:40 BW, terwijl het aan het Gerecht is om die norm in dit concrete geval in te vullen en zo nodig gevolgen daaraan te verbinden. Dit klemt temeer omdat naar eigen zeggen van IFA het vaak zo is dat haar cliënten, zoals ook in het onderhavige geval, bij andere kredietinstellingen geen krediet meer kunnen krijgen. De reden daarvan zal naar het oordeel van het Gerecht met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gelegen zijn in de omstandigheid dat dergelijke consumenten door die andere instellingen niet of onvoldoende kredietwaardig worden bevonden. Consumenten behoeven en verdienen als zijnde de doorgaans zwakkere partij ten opzichte van de professioneel of bedrijfsmatige handelende partij waarmee zij contracteren vaak bescherming. Dat heeft naar het oordeel van het Gerecht temeer te gelden voor consumenten die niet zelden noodgedwongen en tegen voor lief nemende betaling van woekerrentes in zee gaan met kredietverstrekkers als IFA.

3.7.5

De stelling van IFA dat de jegens [gedaagde] bedongen rentevergoeding van 27,25% een standaard vergoeding betreft die aan alle cliënten van IFA in rekening wordt gebracht kan haar evenmin baten, omdat die omstandigheid het in rekening brengen van woekerrente evenmin rechtvaardigt en niet maakt dat geen sprake kan zijn van strijd met de goede zeden. Hetzelfde geldt voor de door IFA gestelde doch niet onderbouwde omstandigheid dat zij niet de enige is die een dergelijke rente in rekening brengt.

3.8

Zoals hiervoor reeds gezegd is het Gerecht gelet op al het vorenstaande van oordeel dat het wel degelijk zijn taak is om de Arubaanse consument bescherming te bieden tegen in dit geval een kredietverlener die het goed vindt om een woekerrente in rekening te brengen aan in dit geval [gedaagde] met wie zij een overeenkomst van geldlening heeft gesloten, en dat zolang de wetgever daar om voor hem moverende redenen niet aan toekomt. Het Gerecht is verder van oordeel dat ter invulling van bedoelde open norm van 3:40 lid 1 BW de CBA hem ruim voldoende informatie heeft verschaft, zoals hiervoor omschreven. Uit die informatie, die het Gerecht tot de zijne maakt, volgt in elk geval dat een rentevergoeding van meer dan 18% jaarlijks heeft te gelden als woekerrente. Verder volgt uit die informatie dat het voor IFA mogelijk is om haar verdienmodel aan te passen, zodat zij ook zonder het in rekening brengen van woekerrente en zonder ten koste van de consument naar het oordeel van het Gerecht exorbitante winsten te maken de financiële markt met betrekking tot consumenten kan bedienen.

3.9

De slotsom luidt dat het Gerecht van oordeel is dat het hiervoor onder 3.2 vermeld vonnis van het Hof (dat ziet op een Curaçaose zaak) geen betekenis heeft voor en/of niet ziet op de onderhavige (Arubaanse) kwestie. Aldus volhardt het Gerecht onder aanvulling of verbetering van gronden in zijn eerdere hiervoor onder 3.3 herhaalde en geciteerd weergegeven overwegingen, in het licht van welke overwegingen het Gerecht het volgende verder heeft overwogen (hetgeen thans weer of nog steeds aan de orde is):

2.4 In het licht van vorenstaande dient IFA bij akte een heldere berekening te overleggen wat [gedaagde] volgens IFA thans nog verschuldigd is aan IFA als [gedaagde] over het door haar van IFA geleende bedrag ad Afl. 14.999,27 (van meet af aan) een rente verschuldigd is van 1,5% maandelijks. Bij die berekening dient IFA uit te gaan van het na iedere aflossing dan nog verschuldigde bedrag. De zaak zal dienaangaande onder peremptoirstelling worden verwezen naar de in het dictum vermelde rolzitting. Uit het niet of niet helder uitvoeren van deze opdracht kan het Gerecht de hem geraden gevolgen verbinden.”.

3.10

De hiervoor bedoelde akte heeft IFA genomen op 30 mei 2018, en [gedaagde] heeft in het licht daarvan op 27 juni 2018 een antwoordakte genomen. Naar het oordeel van het Gerecht heeft IFA niet de door het Gerecht gevraagde heldere berekening in het geding gebracht. IFA heeft immers nagelaten aan te geven hoeveel [gedaagde] thans nog verschuldigd zou zijn indien zij over het door haar van IFA geleende bedrag ad Afl. 14.999,27 (van meet af aan) een rente verschuldigd is van 1,5% maandelijks, bij welke berekening IFA dient uit te gaan van het na iedere aflossing dan nog verschuldigde bedrag. Wel heeft IFA duidelijk aangegeven op welke data precies betalingen door [gedaagde] hebben plaatsgevonden, alsmede wat telkens precies het bedrag is van die betalingen. Dat overzicht en die bedragen heeft [gedaagde] naar het oordeel van het Gerecht onvoldoende onderbouwd bestreden. Die bedragen zal het Gerecht daarom in aanmerking nemen om te komen tot het volgende dictum, welk dictum het Gerecht geraden voorkomt als gevolg van het niet naar behoren uitvoeren door IFA van voormelde door het Gerecht aan haar verstrekte opdracht.

3.11

De door IFA gevorderde vergoeding voor kosten van verkrijging van voldoening buiten rechte zal worden afgewezen, nu is gebleken dat IFA buiten rechte een veel hoger dan het daadwerkelijk aan haar verschuldigde bedrag heeft trachten te incasseren bij [gedaagde].

3.12

In de uitkomst van deze procedure, partijen zijn over en weer in het (on)gelijk gesteld, ziet het Gerecht grond om de proceskosten te compenseren tussen partijen, aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

4 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-veroordeelt [gedaagde] om aan IFA te betalen (14.999,27 minus 8.734,78 =) Afl. 6.264.49, te vermeerderen met de door het Gerecht gematigd vastgestelde rente van 18% jaarlijks of 1,5% maandelijks gerekend vanaf 1 september 2015 tot en met 17 maart 2017 en vanaf 18 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening te vermeerderen met wettelijke rente;

-verklaart voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

-compenseert de proceskosten tussen partijen, aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

-wijst af het meer of anders door IFA verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 30 januari 2019 in aanwezigheid van de griffier.