Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:598

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
25-09-2019
Zaaknummer
AUA201900970 t/m AUA201900972 en AUA201901130
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de hoogte van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Belanghebbende wenst een wegingsfactor van 2. Redengevend daarvoor is dat de inspecteur standaard de hoorplicht schendt, dat de inspecteur na een gegrond bezwaar standaard geen proceskostenvergoeding toekent, en dat de Belastingdienst nimmer uitvoering geeft aan een proceskostenveroordeling door de rechter. Deze factoren zijn algemeen van aard en hebben geen betekenis voor de zwaarte van de onderhavige zaak. Het gerecht ziet daarom geen aanleiding tot een andere wegingsfactor dan factor 0,5.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 18 september 2019

BBZ nrs. AUA201900970 t/m AUA201900972 en AUA201901130

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

Op het beroep in de zin van de

Landsverordening beroep in belastingzaken van:

[ Belanghebbende ], gevestigd te Aruba,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Aruba,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 6 augustus 2018 een naheffingsaanslag belasting op bedrijfsomzetten (BBO) over de periode januari 2018 opgelegd van Afl. 1.000.

1.2

Aan belanghebbende is op 6 augustus 2018 een naheffingsaanslag bestemmingsheffing AZV over de periode januari 2018 opgelegd van Afl. 1.000.

1.3

Aan belanghebbende is op 21 december 2018 een naheffingsaanslag BBO over de periode februari 2018 opgelegd van Afl. 1.000. Daarbij is een verzuimboete opgelegd van Afl. 100.

1.4

Aan belanghebbende is op 21 december 2018 een naheffingsaanslag bestemmingsheffing AZV over de periode februari 2018 opgelegd van Afl. 1.000. Daarbij is een verzuimboete opgelegd van Afl. 100.

1.5

Belanghebbende is op 17 januari 2019 tegen de naheffingsaanslagen januari 2018 in bezwaar gekomen.

1.6

Belanghebbende is op 23 januari 2019 tegen de naheffingsaanslagen februari 2018 in bezwaar gekomen.

1.7

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 22 februari 2019 de naheffingsaanslagen BBO en bestemmingsheffing AZV over de periode januari 2018 vernietigd.

1.8

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 1 maart 2019 de naheffingsaanslagen BBO en bestemmingsheffing AZV alsmede de verzuimboetes over de periode februari 2018 vernietigd.

1.9

Belanghebbende heeft op 27 maart 2019 beroep ingesteld. Daarvoor heeft belanghebbende Afl. 150 aan griffierecht betaald.

1.10

De Inspecteur heeft op 7 juni 2018 een verweerschrift ingediend.

1.11

Belanghebbende heeft op 23 juli 2019 een nader stuk ingediend.

1.12

De zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2019 te Oranjestad. Namens belanghebbende is verschenen [A], verbonden aan [Q]. Namens de Inspecteur is verschenen [B].

2 OVERWEGINGEN

Ontvankelijkheid bezwaar naheffingsaanslagen januari 2018

2.1

In artikel 17, lid 1, van de Algemene landsverordening belastingen (hierna: ALB) is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bewaarschrift kan indienen bij de Inspecteur.

2.2

De onderhavige aanslagbiljetten zijn gedagtekend op 6 augustus 2018. Het bezwaarschrift is op 17 januari 2019 ingediend. Dit bezwaarschrift is dus buiten de wettelijke termijn van twee maanden ingediend.

2.3

Een niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar op grond van termijnoverschrijding blijft echter achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaar in verzuim is geweest.

2.4

Belanghebbende stelt, hetgeen niet is weersproken, dat zij pas op 11 januari 2019 door de aanmaning op de hoogte is gekomen van de naheffingsaanslagen.

2.5

Als met vertraging is kennisgenomen van een aanslag, geldt dat het bezwaar zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk moet worden ingediend. Behoudens bijzondere omstandigheden merkt het Gerecht een termijn van drie weken aan als ‘zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk’ (GEA Curaçao 19 april 2018, nr. CUR201500175, ECLI:NL: OGEAC:2018:54). Belanghebbende heeft op 17 januari 2019 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen waarmee zij pas op 11 januari 2019 bekend is geworden. Dit is binnen de termijn van drie weken, zodat de bezwaartermijn niet is overschreden. Het bezwaar is daarom ontvankelijk.

Proceskostenvergoeding bezwaarfase

2.6

Belanghebbende betoogt in beroep uitsluitend dat de Inspecteur in zijn uitspraken op bezwaar ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend.

2.7

Ingevolge artikel 22a, lid 2, ALB worden, op verzoek van de belastingplichtige, de kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover de aanslag wordt herroepen wegens aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Het verzoek moet worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in het Landsbesluit proceskostenvergoeding in belastingzaken (hierna: het Landsbesluit).

2.8

Belanghebbende heeft in haar bezwaarschriften verzocht om een kostenvergoeding. Het Gerecht is met partijen van oordeel dat belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, nu de naheffingsaanslagen en de verzuimboetes zijn vernietigd wegens een aan de Inspecteur toe te rekenen onrechtmatigheid.

2.9

Ingevolge artikel 3, lid 1, Landsbesluit, worden samenhangende zaken voor de proceskostenvergoeding beschouwd als één zaak. Samenhangende zaken zijn door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren, die door het bestuursorgaan gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van die zaken nagenoeg identiek konden zijn.

2.10

Partijen zijn eensluidend van mening dat onderhavige zaken in de bezwaarfase niet samenhangen. Het Gerecht sluit zich daarbij aan.

2.11

Ingevolge de bijlage bij het landsbesluit wordt het gewicht van een zaak uitgedrukt in een wegingsfactor, die varieert van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. Het gewicht van een zaak moet worden beoordeeld naar de aard, het belang, de ingewikkeldheid en de omvang van de in het kader van de verleende rechtsbijstand te verrichten werkzaamheden (vgl. HR 23 september 2011, nr. 10/04238, ECLI:NL:HR:2011:BT2293).

2.12

Op basis van voornoemde uitgangspunten kent het Gerecht een wegingsfactor 0,5 toe aan deze zaak. In bezwaar is uitsluitend aangevoerd dat de naheffingsaanslagen vernietigd moeten worden omdat belanghebbende geen bedrijfsactiviteiten verricht. Een wegingsfactor 0,5 is in overeenstemming met de geringe bewerkelijkheid en gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de gemachtigde.

2.13

Belanghebbende heeft betoogd dat een wegingsfactor 2 gerechtvaardigd is. Redengevend daarvoor is volgens belanghebbende onder meer dat de Inspecteur standaard in de bezwaarfase de hoorplicht schendt, dat de Inspecteur na een gegrond bezwaar standaard geen proceskostenvergoeding toekent, en dat de Belastingdienst nimmer uitvoering geeft aan een proceskostenveroordeling door de rechter. Deze door belanghebbende aangevoerde factoren zijn algemeen van aard en hebben geen betekenis voor de zwaarte van de onderhavige zaak. Het Gerecht ziet daarom geen aanleiding tot een andere wegingsfactor dan factor 0,5.

2.14

Gelet op het voorgaande stelt het Gerecht de proceskosten op de voet van het Landsbesluit vast op Afl. 100 (2 x 1 punt voor het indienen van twee bezwaarschriften, met een waarde per punt van Afl. 100, wegingsfactor van 0,5 (gewicht licht)). De Inspecteur heeft ten onrechte geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. Het beroep van belanghebbende is mitsdien gegrond.

3 PROCESKOSTENVERGOEDING EN GRIFFIERECHT

3.1

Ingevolge artikel 15, lid 1, Landsverordening beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in het Landsbesluit.

3.2

Het Gerecht merkt onderhavige zaken in de beroepsfase aan als samenhangend. De werkzaamheden van de gemachtigde bestonden in de beroepsfase uit het indienen van één beroepschrift in beide zaken, waarin is opgemerkt dat de Inspecteur ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. Gelet hierop komen de proceskosten in de beroepsfase maar één keer voor vergoeding in aanmerking.

3.3

Nu in beroep uitsluitend de proceskosten in geschil zijn, wordt als wegingsfactor voor het gewicht van de zaak 0,25 aangehouden. Het Gerecht ziet in de door belanghebbende aangevoerde factoren (zie 2.13) geen aanleiding voor een hogere wegingsfactor.

3.4

In artikel 1 van dit Landsbesluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op Afl. 350 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt Afl. 700, wegingsfactor 0,25 (uitsluitend proceskosten in geschil).

3.5

Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 4, LBB, het betaalde griffierecht van Afl. 150 aan belanghebbende te vergoeden.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover daarin geen proceskostenvergoeding is toegekend;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor de bezwaarfase ten bedrage van Afl. 100;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor de beroepsfase ten bedrage van Afl. 350; en

- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van Afl. 150 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. A.J.H. van Suilen, rechter, en is uitgesproken op 18 september 2019, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noël-van der Biezen BSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:

belastinggriffieAUA@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: Afl. 75

- personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300