Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:578

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
13-09-2019
Zaaknummer
AUA201902179
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG. Ontruiming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 4 september 2019

Behorend bij KG nr. AUA201902179

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[Eiser]

te Aruba,

EISER, hierna ook te noemen: eiser,

gemachtigde: mr. D.G. Kock,

tegen:

[Gedaagde],

te Aruba,

GEDAAGDE, hierna ook te noemen: gedaagde,

procederend in persoon.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingediend op 28 juni 2019;

- de mondelinge behandeling op 26 augustus 2019, waar zijn verschenen eiser bijgestaan door mr. E.M.J. Cafarzuza, occuperende voor mr. D.G. Kock en gedaagde in persoon.

1.2

Aan partijen is meegedeeld dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Eiser verhuurt aan gedaagde een pand gelegen te [adres] in Aruba (hierna: de woning) tegen een maandelijkse huurprijs van Afl. 300,-.

2.2

Gedaagde heeft sinds de maand oktober 2018 geen huurpenningen meer betaald.

2.3

Op 6 november 2018 heeft eiser een verzoek ingediend bij de Huurcommissie ter verkrijging van toestemming om de huurovereenkomst met gedaagde op te zeggen wegens huurachterstand, wanbetaling en verstoorde relatie.

2.4

Bij beschikking van de Huurcommissie van 14 december 2018 is aan eiser toestemming verleend om de huurovereenkomst met gedaagde op te zeggen c.q. te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van 1 maand, indien gedaagde de huurachterstand per 31 december 2018 niet heeft ingelopen.

2.5

Eiser heeft gedaagde per brief van 14 december 2018 gesommeerd om de huurachterstand te voldoen.

2.6

Eiser heeft bij deurwaardersexploot op 27 december 2018 gedaagde gesommeerd om de woning te ontruimen per 31 januari 2019, aan welke sommatie gedaagde geen gevolg heeft gegeven.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

Eiser vordert -naar het gerecht begrijpt- dat het gerecht, bij vonnis in kort geding en uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde veroordeelt om onmiddellijk na betekening van dit vonnis de woning te ontruimen, met afgifte van de sleutels en in goede staat ter vrije beschikking van eiser te stellen, met machtiging aan eiser om gedaagde zelf te doen ontruimen indien hij met die ontruiming in gebreke blijft, desnoods met behulp van de sterke arm der justitie en politie, op straffe van een dwangsom en gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiser de achterstallige huurpenningen ad Afl. 2.400,-, vermeerderd met Afl. 300,- per maand voor iedere maand dat gedaagde de woning niet zal hebben ontruimd, vermeerderd met de wettelijke rente, met veroordeling van gedaagde tot betaling van de proceskosten.

3.2

Eiser grondt de vordering erop dat gedaagde toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de uit huurovereenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen.

3.3

Gedaagde erkent dat sprake is van een huurachterstand en voert geen verweer tegen de hoogte daarvan. Gedaagde stelt echter dat hij in december 2018 de huurachterstand toen ad Afl. 900,- wilde betalen, maar dat eiser het geld niet wilde aannemen.

4 DE BEOORDELING

4.1

De spoedeisendheid van de gevraagde voorziening volgt uit de vordering.

4.2

Vooropgesteld dient te worden dat voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat de Huurcommissie toestemming heeft verleend aan eiser om de huurovereenkomst te beëindigen, tenzij gedaagde de huurachterstand van Afl. 900,- uiterlijk op 31 december 2018 heeft ingelopen. Gedaagde heeft voorts erkend dat hij vanaf oktober 2018 niets meer heeft betaald, terwijl hij wel gebruik is blijven maken van de woning. Het gerecht acht de (door eiser betwiste) stelling van gedaagde, dat eiser de huurpenningen van oktober 2018 tot en met december 2018 in december 2018 niet heeft willen aannemen zonder bewijslevering, waarvoor in het kader van dit kort geding geen plaats is, onvoldoende, aannemelijk geworden. Het gerecht is daarom voorshands van oordeel dat gedaagde in gebrek is gebleven om de huurachterstand in te lopen en dat eiser op basis daarvan de huurovereenkomst vervolgens rechtsgeldig heeft opgezegd met ingang van 31 december 2018.

4.3

Gelet op het voorgaande is het gerecht voldoende aannemelijk geworden dat in een bodemprocedure de vordering tot ontruiming van de woning zal worden toegewezen. Eiser heeft er voorts een voldoende gerechtvaardigd belang bij dat gedaagde de woning ontruimt. Op grond van redelijkheid en billijkheid zal aan gedaagde een termijn van 14 dagen na betekening van dit vonnis worden gegund om de woning te ontruimen.

4.4

Uit het eerste lid van artikel 556 Rv. volgt dat eiser de ontruiming niet zelf ter hand mag nemen, en dat gedwongen ontruiming het exclusieve terrein is van de deurwaarder. Eiser heeft voldoende aan dit vonnis om de deurwaarder te mogen inschakelen als gedaagde niet vrijwillig tot nakoming van de uit dit vonnis voortvloeiende verplichting tot ontruiming overgaat. In het licht daarvan moet de vordering om de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, worden afgewezen. De deurwaarder behoeft geen rechterlijke machtiging om bevoegd te zijn de hulp van de sterke arm van politie en justitie in te roepen indien gedaagde medewerking aan de ontruiming weigert. Die bevoegdheid ontleent de deurwaarder immers rechtstreeks aan artikel 557 Rv., waarin artikel 444 Rv. van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.

4.5

Voor het opleggen van een dwangsom ziet het gerecht geen aanleiding, nu eiser zelf de ontruiming met behulp van de deurwaarder kan doen bewerkstelligen. De gevorderde dwangsom wordt om die reden afgewezen.

4.6

Eiser vordert een bedrag van Afl. 2.400,- aan achterstallige huur berekend tot en met de maand mei 2019, vermeerderd met schade ter hoogte van de huurpenningen tot aan de tijdstip van ontruiming. Vaststaat dat de huurovereenkomst per 31 januari 2019 is opgezegd. Het gerecht is gelet hierop van oordeel dat vanaf 31 januari 2019 geen huur meer verschuldigd kan zijn bij gebrek aan huurovereenkomst. Een gelijk bedrag komt de eisende partij ter compensatie van schade wel toe, nu gedaagde gebruik is blijven maken van de woning. Het door eiser erkend bedrag aan achterstallige huur danwel schade komt, gelet op het voorgaande, voor toewijzing in aanmerking. De wettelijke rente zal worden gerekend vanaf de datum van opeisbaarheid van elk huurtermijn of schade tot aan de dag van volledige voldoening.

4.7

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden tot op heden begroot op Afl. 450,- aan griffierechten, Afl. 228,21 aan oproepingskosten en Afl. 1.000,- aan gemachtigdensalaris.

5 DE UITSPRAAK

Het gerecht:

5.1

veroordeelt gedaagde om, binnen veertien (14) dagen na betekening van dit vonnis, de woning te [adres], te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken tenzij deze zaken van eiser zijn, en om de woning onder afgifte van de sleutels daarvan ter vrije beschikking te stellen van eiser;

5.2

veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiser van een bedrag van Afl. 2.400,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de huurpenningen of schade betaald had moeten worden tot de dag der voldoening, voorts de schade ter hoogte van de huur te blijven doorbetalen tot aan het tijdstip van ontruiming,

5.3

veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op Afl. 450,- aan griffierecht, Afl. 228,21 aan oproepingskosten en Afl. 1.000,- aan gemachtigdensalaris.

5.4

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag, 4 september 2019 in aanwezigheid van de griffier.