Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:572

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
13-09-2019
Zaaknummer
A.R. AUA201600872
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Bewijslevering ongeval voertuigen / motorrijtuig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 4 september 2019

Behorend bij AUA201600872 (A.R. 324 van 2016)

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[EISER],

te Aruba,

hierna ook te noemen: [Eiser],

gemachtigde: advocaat mr. M.O. Lopez,

tegen:

de naamloze vennootschap

TRESTON INSURANCE COMPANY N.V.,

te Aruba,

hierna ook te noemen: Treston,

gemachtigde: advocaat mr. H.U. Thielman,

en

[GEDAAGDE]

te Aruba,

hierna ook te noemen: [Gedaagde],

gemachtigde: advocaat mr. J.S. Croes, thans in persoon procederend.

1 DE PROCEDURE

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 maart 2017;

- de aktes uitlating bewijs van alle partijen van 14 november 2018;

- de processen verbaal van getuigenverhoor van 19 februari 2019 en 10 april 2019;

- de conclusie na enquête aan de zijde van [Eiser], respectievelijk [Gedaagde] van 15 mei 2019;

- de conclusie na enquête aan de zijde van Treston van 12 juni 2019.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VERDERE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

2.1

Bij voormeld tussenvonnis heeft het Gerecht de volgende bewijsopdrachten gegeven:

“laat [Eiser] toe tot het bewijs dat hij op het moment vóór het ongeval op 21 januari 2011 de ononderbroken streep ter hoogte van de ongevalslocatie niet heeft overschreden en dat hij bij het inhalen van de voertuigen met zijn voorlicht heeft geknipperd;

laat Treston en [Gedaagde] toe tot het bewijs dat [Eiser] ten tijde van het ongeval op 21 januari 2011 geen licht voerde”.

Ter voldoening aan deze bewijsopdracht heeft Treston de beide bestuurders [Eiser] en [Gedaagde] als getuigen doen horen. Ook [Gedaagde] heeft zichzelf en [Eiser] als getuigen voorgebracht. Daarnaast heeft hij een eigen analyse van het ongeval overgelegd. [Eiser] heeft volstaan met het in het geding brengen van documentatie van zijn motor.

Bij conclusies na enquête zijn geen stukken meer overgelegd. Het Gerecht oordeelt over de te leveren bewijzen als volgt.

2.2

Het overschrijden van de doorgetrokken streep door [Eiser]

2.2.1.

Het bewijs van de stelling dat [Eiser] de doorgetrokken streep niet heeft overschreden en dus op zijn eigen weghelft is gebleven was opgedragen aan [Eiser]. Hij heeft als bewijs van die stelling geen stukken in het geding gebracht en de getuigen [Eiser] en [Gedaagde] zijn niet voor deze stelling aangebracht, zij het dat zij daarover wel hebben verklaard. In zijn verklaring heeft [Eiser] verteld dat hij, gezien de breedte van de weg, “er tussendoor kon”. Dat is geen positief bewijs van de stelling. Uit de verklaring van [Gedaagde] kan evenmin worden afgeleid dat [Eiser] op zijn eigen weghelft is gebleven, omdat hij heeft verklaard dat hij al aan het inhalen was op het moment dat hij, rijdend op de rijbaan voor het tegemoetkomend verkeer, (naar zijn zeggen) werd aangereden door [Eiser].

2.2.2

In de eerder door [Eiser] overlegde stukken, waaronder een rapportage van de verkeersdeskundige [...], blijkt dat de weg ter plaatse van het ongeval acht meter breed was. Hoe dat precies is gemeten, staat niet vast. Naast de rijgedeeltes bevindt zich immers aan beide zijden een brede betonnen rand, die op gelijk niveau ligt als de weg. Onduidelijk is of die rand is meegerekend. Een weg van acht meter breed (en mogelijk zelfs minder) acht het Gerecht niet zodanig breed dat een motorrijder steeds op zijn eigen weghelft zal blijven tijdens het inhalen. Dat is mogelijk zo indien hij tussen de twee verkeersstromen doorrijdt, maar daarvan was geen sprake: er kwam geen tegemoetkomend verkeer aan - de reden waarom ook [Gedaagde] is gaan inhalen. Ook in het proces verbaal van de politie, dat niet erg uitgebreid is, is als omschrijving opgenomen dat de motorrijder ([Eiser]) één van de veroorzakers is van het ongeval en dat het hem verboden was om met enig deel van zijn voertuig de ononderbroken streep te overschrijden.

2.2.3

Op grond van al deze feiten en omstandigheden acht het Gerecht [Eiser] niet geslaagd in het bewijs van deze stelling.

2.3

het voeren van licht door [Eiser] en het knipperen met groot licht tijdens het inhalen

2.3.1

Het bewijs van de stelling dat [Eiser] zonder licht reed lag bij [Gedaagde] en het bewijs dat [Eiser] tijdens het inhalen met zijn (groot) licht knipperde moest geleverd worden door [Eiser]. [Gedaagde] heeft als getuige verklaard dat hij, voordat hij ging inhalen, in zijn spiegels heeft gekeken en dat hij tijdens het inhalen is aangereden door [Gedaagde]. Die had hij niet zien aankomen. Volgens [Gedaagde] was het licht van [Eiser] niet aan en dat zou [Eiser] bevestigd hebben nadat hij hem aansprak toen het ongeval had plaatsgevonden. [Eiser] heeft dit ontkend. [Eiser] heeft ook een deel van de manual van zijn motor overgelegd waaruit blijkt dat bij het inschakelen van de motor, ook (een deel van) de verlichting aangaat. Van een defect aan de motor is niet gebleken. Uit het proces verbaal van de politie blijkt dat de motor na de aanrijding total loss was. Het feit dat [Gedaagde] de motorrijder niet had zien aankomen is verder geen bewijs van de stelling dat die geen licht voerde. Iets wat evenmin vaststaat is dat [Eiser] met zijn licht heeft geknipperd. Alleen hijzelf verklaart hierover.

2.3.2

De conclusie is dan ook dat [Gedaagde] niet geslaagd is in het bewijs van de stelling dat [Eiser] geen licht voerde en dat [Eiser] niet geslaagd is in het bewijs dat hij knipperde met zijn grote licht tijdens het inhalen.

2.4

Overige oordelen over de toedracht en conclusie

2.4.1

In de getuigenverklaringen, als ook in de stellingen van partijen, is aandacht besteed aan de door [Gedaagde] gestelde toedracht dat hij al bezig was met inhalen (en zelfs al auto’s had gepasseerd) toen [Eiser] hém aanreed. Die lezing wordt door het Gerecht niet overgenomen. Daartoe wordt het volgende overwogen. De stelling van [Gedaagde] komt er eigenlijk op neer dat [Eiser] “tripleerde”. Dat is bij het normaal inhalen van voertuigen een zeer zeldzame situatie, terwijl die bij filerijden vrij veel voorkomt. Daarvan was echter geen sprake. [Gedaagde] heeft als bewijs van zijn stelling gewezen op het schadebeeld van zijn voertuig. Ook dat baat hem niet. In de door hem overgelegde rapportage van Boogaard blijkt de schade zich geheel aan de linkerzijde van het voertuig te bevinden, zij het ook aan de voorzijde van de wielkast van het linker achterwiel. De meeste schade bevindt zich aan de voorkant van de linkerzijde. Dat komt ook overeen met de door de politie genoteerde schade: linker voorspatscherm en linker voorportier. De motor van [Eiser], hoewel total loss, vertoonde significante schade aan de rechterzijde. Hoewel niet denkbeeldig is dat [Gedaagde] niet direct bij het uitvoegen [Eiser] heeft geraakt, maar eerst later, is dit gemakkelijk te verklaren dat door zijn manoeuvre [Eiser] naar de linkerzijde van de weg is gedrukt. Dat betekent echter niet dat [Eiser] de al inhalende [Gedaagde] heeft aangereden. [Gedaagde] diende [Eiser], die zich links, dan wel links dicht achter hem bevond, voorrang te verlenen aangezien vaststaat dat [Eiser] al bezig was met een inhaalmanoeuvre (art. 23 Landsbesluit verkeersregels).

2.4.2

Het bovenstaande leidt tot de conclusies dat beide partijen verkeersfouten hebben gemaakt: [Eiser] heeft de doorgetrokken streep overschreden en [Gedaagde] heeft een inhaalverbod genegeerd, eveneens de doorgetrokken streep overschreden en geen voorrang verleend aan de reeds inhalende [Eiser]. De stelling van Treston en [Gedaagde] dat [Eiser] het ongeval zelf heeft veroorzaakt, zal het Gerecht mede opvatten als een beroep op eigen schuld in de zin van art. 6:101 BW. Bij de weging van de wederzijdse verkeersfouten zijn die van [Gedaagde] zwaarder dan die van [Eiser]. Het Gerecht zal de fouten waarderen in die zin dat [Gedaagde] voor 75% schuld heeft aan het ongeval en [Eiser] voor 25%. Gezien de meer kwetsbare positie van een motorrijder als verkeersdeelnemer, het feit dat [Eiser] letsel heeft opgelopen en de omstandigheid dat [Gedaagde] tegen wettelijke aansprakelijkheid is verzekerd, zal het Gerecht toepassing geven aan de billijkheidscorrectie in die zin dat de schadevergoedingsplicht van Treston en [Gedaagde] op 80% zal worden bepaald. De eerste en tweede vordering van [Eiser] zal in deze zin worden toegewezen. De rente is toewijsbaar vanaf het moment dat de schade opeisbaar is.

2.5

overige beslissingen

2.5.1 [

Eiser] heeft naast vaststelling van de aansprakelijkheid en de veroordeling tot vergoeding van de schade ook een voorschot op de schadevergoeding gevorderd van Afl. 50.000,- Hij heeft dat gemotiveerd met de stelling dat sprake is van blijvend letsel dat hem nog steeds hindert bij zijn bezigheden. Treston, en in het verlengde daarvan [Gedaagde], heeft in de kern aangevoerd dat (de omvang van) het letsel nog niet vaststaat. Het door [Eiser] overgelegde rapport van de bedrijfsarts […], verbonden aan Concearn Caribbean van 2012 en een medische verklaring van de neuroloog [neuroloog] te Caracas van 9 juni 2015 geven wel enig inzicht. In deze stukken wordt gesproken over enkelletsel, zonder duidelijke breuk en letsel aan de nervus peroneus aan de linkervoet. In het bericht van [neuroloog] wordt ook gesproken over een hernia op het niveau L4-L5. In hoeverre dit in relatie staat met het ongeval is onduidelijk. Voorts heeft [Eiser] een aantal bonnen overgelegd die betrekking hebben op kosten die hij heeft gemaakt.

2.5.2

Gezien het feit dat het debat over de omvang van de schade zich nog nauwelijks heeft ontwikkeld en op dat terrein nog het nodige onderzoek dient plaats te vinden, is terughoudendheid bij de toekenning van een voorschot op zijn plaats. Anderzijds staat wel met voldoende zekerheid vast dat letsel is ontstaan en dat [Eiser] kosten heeft gemaakt. Dit leidt ertoe dat het Gerecht een voorschot onder algemene titel zal toekennen van Afl. 10.000,-. Nu het hier gaat om de betaling van een geldsom is voor oplegging van een dwangsom geen plaats.

2.5.3

Ten aanzien van de kosten ex art. 6:96 BW overweegt het Gerecht dat die in de schadestaatprocedure aan de orde kunnen komen. Voor toewijzing vooruitlopend op die (eventuele) procedure ziet het Gerecht onvoldoende grond.

2.5.4

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen zullen Treston en [Gedaagde] in de proceskosten worden veroordeeld. Aan [Eiser] zal tenslotte toestemming worden verleend kosteloos te procederen, gezien het overgelegde bewijs van onvermogen.

5 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

verleent [Eiser] gratis admissie;

verklaart voor recht dat [Gedaagde] voor 80% aansprakelijk is voor de door [Eiser] opgelopen schade als gevolg van het ongeval van 21 januari 2011;

veroordeelt Treston en [Gedaagde] hoofdelijk tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de regels der wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid van de schade tot de dag der voldoening;

veroordeelt Treston en [Gedaagde] hoofdelijk tot betaling van Afl. 10.000,- als voorschot op de door [Eiser] geleden en nog te lijden schade;

veroordeelt Treston en [Gedaagde] hoofdelijk in de kosten van de procedure, aan de zijde van [Eiser] tot op heden begroot op Afl. 1.200,- aan griffierecht; Afl. 360,20 aan explootkosten en Afl. 5.000,- (4 punten) aan salaris van de gemachtigde;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Sap, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 4 september 2019 in aanwezigheid van de griffier.