Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:531

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
19-08-2019
Datum publicatie
29-08-2019
Zaaknummer
AUA201801971
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gaza - disciplinaire straf van ontslag - Het gerecht is van oordeel dat op grond van de bovenstaande feiten en omstandigheden verweerder heeft kunnen concluderen dat er sterke aanwijzingen zijn dat klaagster een huwelijk is aangegaan dat niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden verplichtingen maar met het oogmerk de heer [x] toelating te verschaffen tot Aruba.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 19 augustus 2019

Gaza nr. AUA201801971

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[KLAAGSTER]

wonende te Aruba,

KLAAGSTER

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 11 juni 2018 no. 16 (het bestreden besluit) heeft verweerder primair besloten om klaagster met toepassing van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder i, van de Landsverordening materiaal ambtenarenrecht (Lma) met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag op te leggen, subsidiair klaagster eervol ontslag te verlenen met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van de Lma.

Op 3 juli 2018 heeft klaagster bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft een contramemorie ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2019 waar klaagster bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, zijn verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Wettelijk kader

De toepasselijke wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

De feiten

1.1

Klaagster was van 11 januari 1990 tot 1 januari 2006 op arbeidscontract werkzaam bij verschillende overheidsdiensten. Van 10 september 2003 was klaagster werkzaam bij de Dienst Immigratie en Naturalisatie Aruba, onder meer in de functie van medewerker naturalisatie en schijnhuwelijken. Per 1 januari 2006 is klaagster in vast pensioengerechtigde dienst benoemd. Laatstelijk was klaagster werkzaam bij het Hulpbestuurskantoor Santa Cruz.

1.2

Op 28 november 2016 is klaagster te [plaats] (Venezuela) in het huwelijk getreden met [echtgenoot].

1.3

Op 6 november 2017 heeft de Dienst Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister (DBSB) klaagster bericht dat het huwelijk niet in de registers wordt ingeschreven wegens strijdigheid met de openbare orde.

1.4

Bij brief van 22 december 2017 heeft de minister van Algemene Zaken, Integriteit, Overheidszorg, Innovatie en Energie (hierna de minister) klaagster in de gelegenheid gesteld zich te verantwoorden met betrekking tot het vermeende plichtsverzuim door het sluiten van een schijnhuwelijk

1.5

Bij schrijven van 29 januari 2018 heeft klaagster gereageerd op de brief van 22 december 2017.

1.6

Bij brief van 22 februari 2018 heeft het hoofd DBSB de minister verzocht klaagster disciplinair te straffen;

1.7

Bij brief van 19 april 2018 heeft de directeur Departamento Recurso Humano de minister geadviseerd klaagster de disciplinaire straf van ontslag op te leggen subsidiair te ontslaan op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid;

1.8

Op 11 juni 2018 heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

De standpunten van partijen

2.1

Aan het landsbesluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat klaagster zich niet heeft gedragen als een goed ambtenaar betaamt doordat zij een schijnhuwelijk is aangegaan.

2.2.

Klaagster stelt primair dat er geen sprake is van een schijnhuwelijk. Klaagster is een oudere vrouw van destijds 56 jaar die blind van verliefdheid in het huwelijk is getreden met een jongere man van 31 jaar.

Beoordeling

3.1

Verweerder heeft zijn overtuiging dat klaagster een schijnhuwelijk is aangegaan gebaseerd op de weigering van de DBSB het huwelijk van klaagster in te schrijven in de registers van de burgerlijke stand wegens strijdigheid met de openbare orde. Verweerder heeft daarbij betrokken dat klaagster tegen dit besluit geen rechtsmiddel heeft ingesteld zodat het besluit in rechte vast is komen te staan.

3.2

Verweerder heeft voorts betrokken dat uit het onderzoek van de DBSB naar voren is gekomen dat:

  • -

    klaagster en de heer [echtgenoot] elkaar nauwelijks kenden voordat zij in het huwelijk treden en tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd omtrent hun woonsituatie en kennismaking;

  • -

    het verzoek om een verblijfstitel van de heer [echtgenoot] is afgewezen en hij op 28 oktober 2016 uit Aruba is verwijderd;

  • -

    er een groot leeftijdsverschil is tussen klaagster en de heer [echtgenoot];

  • -

    de heer [echtgenoot] heeft verklaard alle kosten te hebben betaald, waaronder de kosten van klaagsters paspoort, dat klaagster een deel van de kosten zou terugbetalen omdat het win-win situatie is;

  • -

    de heer [echtgenoot] zeven maanden samenwoonde met een Venezolaanse vrouw die ook illegaal op het eiland verbleef en bij haar vertrek in 2016 vier maanden zwanger was. Het kind is geboren in maart 2017 en door de heer [ echtgenoot] erkend. De heer [echtgenoot] heeft veel contact met de moeder en is voornemens het kind naar Aruba te brengen.

3.3

Het gerecht is van oordeel dat op grond van de bovenstaande feiten en omstandigheden verweerder heeft kunnen concluderen dat er sterke aanwijzingen zijn dat klaagster een huwelijk is aangegaan dat niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden verplichtingen maar met het oogmerk de heer [ echtgenoot ] toelating te verschaffen tot Aruba. Klaagster is er niet in geslaagd deze aanwijzingen te weerleggen. De enkele stelling van klaagster dat zij volledig verliefd is geraakt op een jongere man is daartoe onvoldoende. In het bijzonder wijst het gerecht erop dat klaagster geen afdoende verklaring heeft gegeven voor de tegenstrijdige verklaringen die zij en de heer [ echtgenoot ] hebben afgelegd over hun ontmoeting en woonsituatie. Zo heeft klaagster verklaard dat zij de heer [ echtgenoot ] in augustus/september 2015 voor het eerst heeft ontmoet en daarna weer in augustus/september 2016. De heer [ echtgenoot ] verklaart echter dat hij klaagster heeft ontmoet in juni/juli 2015 en daarna weer in juni/juli 2016. Klaagster heeft verklaard dat zij met zijn tweeën in haar huis woonden terwijl de heer [ echtgenoot ] heeft verklaard dat in het huis ook een kamer werd verhuurd aan een Venezolaan […] en een kamer aan zijn broer […]. Van klaagster en de heer [ echtgenoot ] mag worden verwacht dat zij eenduidig verklaren over dergelijke basale elementen van hun relatie.

4. Het subsidiaire betoog van klaagster dat het sluiten van een schijnhuwelijk een private kwestie is waarop een maatregel van ontslag niet kan worden gebaseerd faalt eveneens. Het aangaan van een schijnhuwelijk is in strijd met de openbare orde en goede zeden. Daarbij komt dat met het sluiten van een schijnhuwelijk de overheid misleid wordt. Verweerder heeft dit als een ernstige integriteitsschending kunnen aanmerken en op goede gronden geconcludeerd dat klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim in de zin van artikel 82 Lma.

5. Het bezwaar is ongegrond.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. M. Soffers, rechter in ambtenarenzaken te Aruba, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 augustus 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, La).

BIJLAGE

Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht

Artikel 83

1. De disciplinaire straffen, welke kunnen worden toegepast, zijn:

a. schriftelijke berisping;

b. buitengewone dienst op andere dagen dan de zondag en de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen, zonder beloning of tegen een lagere dan de normale beloning;

c. geldboete;

d. inhouding, geheel of gedeeltelijk, van inkomen;

e. terugzetting in bezoldiging of stilstand van periodieke verhoging van bezoldiging;

f. uitsluiting van bevordering;

g. terugzetting in rang, al of niet voor een bepaalde tijd en met of zonder vermindering van bezoldiging;

h. schorsing voor een bepaalde tijd met inhouding, geheel of gedeeltelijk, van inkomen;

i. ontslag.

Artikel 84

1. De straf wordt niet opgelegd dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich, ter keuze van de tot het opleggen van straffen bevoegden, mondeling of schriftelijk, binnen zeven dagen tegenover deze te verantwoorden. Bij zijn verantwoording mag de ambtenaar van de hulp van anderen gebruik maken.

2. Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan aanstonds proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem te wiens overstaan de verantwoording plaats heeft en door de ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding der redenen, melding gemaakt.

3. Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en degene, van wiens hulp hij bij zijn verantwoording gebruik maakt, in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten of andere bescheiden, welke op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben, met uitzondering echter van de stukken tegen welker kennisneming het openbaar belang zich bepaaldelijk verzet.

4. De strafoplegging moet schriftelijk geschieden en is met redenen omkleed.

5. De tot het opleggen van straffen bevoegden geven aan de gestrafte onverwijld kennis van de strafoplegging door toezending van een afschrift van het desbetreffend besluit.

6. Indien de strafoplegging plaats vindt door de krachtens artikel 83, tweede lid, aangewezenen, wordt in het besluit tot strafoplegging tevens medegedeeld, dat binnen veertien dagen na ontvangst daarvan bij de betrokken minister schriftelijk beroep van de betrokkene onder aanvoering van gronden open staat, tenzij die minister ingevolge het tweede lid van artikel 83 is aangewezen. De betrokken minister is verplicht binnen drie maanden na de dag waarop de ambtenaar in beroep is gekomen, deze een met redenen omklede beslissing toe te zenden.