Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:437

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
05-07-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
AUA201901893
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

civiel-kg-opheffing eigenbeslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 5 juli 2019

Behorend bij AUA201901893

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

RBC ROYAL BANK (ARUBA) N.V.,

te Aruba,

eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie,

hierna ook te noemen: de bank,

gemachtigden: de advocaten mrs. W.G.T.M. Kloes en L.A.M. Leeuwe,

tegen:

1. de naamloze vennootschap

[Naam gedaagde sub 1],

2. [Naam gedaagde sub 2],

3. de naamloze vennootschap

A.G. REAL ESTATE N.V.,

hierna ook gezamenlijk te noemen: gedaagden in conventie, eisers in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties;

- producties zijdens partijen;

- de pleitnota van de bank;

- de pleitnota van gedaagden;

- de mondelinge behandeling op 27 juni 2019.

1.2

Aan partijen is medegedeeld dat vandaag vonnis zou worden gewezen.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Gedaagde sub 1 is een lasbedrijf dat onder meer diensten aan de raffinaderij verleende.

2.2

Tussen gedaagde sub 1 en de bank is op 22 september 2005 en vervolgens op 17 november 2009 een geldleenovereenkomst tot stand gekomen. De tweede geldleenovereenkomst hield een herfinanciering in.

2.3

Gedaagde sub 1 heeft bij akte van 22 september 2005 een aantal roerende zaken in fiduciair eigendom overgedragen aan de bank. Gedaagde sub 2 en sub 3 hebben bij akte van 23 november 2005 als zekerheid voor de terugbetaling van het geleende geldbedrag door gedaagde sub 1 onder meer een eerste hypotheekrecht verleend ten behoeve van de bank. Voorts heeft gedaagde sub 2 middels overeenkomst van 22 september 2005 zich voor het geleende geldbedrag borg gesteld.

2.4

Een aantal van de in fiduciair eigendom overgedragen goederen zijn in het jaar 2009 door de belastingdienst in beslag genomen.

2.5

Gedaagde sub 1 is in het jaar 2010 failliet verklaard.

2.6

De vordering van de bank op gedaagden is per 21 maart 2019 begroot op

Afl. 1.490.835,--

2.7

De bank heeft een deel van de onroerende goederen die door gedaagde sub 2 en sub 3 zijn ondergezet executoriaal onderhands verkocht.

2.8

Bij beschikking van dit gerecht d.d. 24 mei 2019 is aan gedaagden onder meer verlof verleend tot het leggen van eigenbeslag op de vordering die de bank op hun heeft uit hoofde van de geldleningovereenkomst, met begroting van de vordering van gedaagden op de bank op Afl. 1.600.000,--

2.9

Op 27 mei 2019 hebben gedaagden eigenbeslag gelegd.

3 DE VORDERING

In conventie

3.1

De bank vordert dat het gerecht in kort geding, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, het door gedaagden op 27 mei 2019 gelegde eigenbeslag op de vordering die de bank op gedaagden heeft op te heffen, althans en in ieder geval de vordering op een lager bedrag te begroten, zoals het gerecht in goede justitie mocht vernemen, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

3.2

De bank legt aan haar vordering allereerst ten grondslag dat het beslag onnodig is. Daarnaast stelt de bank dat gedaagden onrechtmatig handelen door eigenbeslag te leggen en het te handhaven, althans dat gedaagden misbruik maken van (beslag)recht door conservatoir beslag ten laste van een bankinstelling te leggen (enkel en alleen) om de executoriale onderhandse verkoop van hun onroerende goederen te frustreren.

3.3

Gedaagden hebben verweer gevoerd dat, voor zover nodig, bij de beoordeling aan de orde komt.

In voorwaardelijke reconventie

3.4

Gedaagden hebben een voorwaardelijke eis in reconventie ingesteld voor het geval het gerecht zou oordelen dat de vordering van gedaagden jegens de bank summierlijk ondeugdelijk zou zijn.

3.5

De bank heeft verweer gevoerd dat, voor zover nodig, bij de beoordeling aan de orde komt.

4 DE BEOORDELING

4.1

De vraag die aan de orde is, is of het door gedaagden gelegde eigenbeslag dient te worden opgeheven.

4.2

De opheffing van een conservatoir beslag kan, ingevolge artikel 705 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba (RV), onder meer worden uitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld.

4.3

De bank stelt zich op het standpunt dat het beslag onnodig, omdat gedaagden geen enkel risico lopen dat de bank, na een eventuele verkrijging van een executoriale titel door gedaagden ten aanzien van hun beweerdelijke vordering op de bank, geen verhaal kan bieden. De bank wijst erop dat zij een balanstotaal heeft van

US$ 957.000.000,- en dat gedaagden derhalve niet hoeven te vrezen dat de bank geen verhaal biedt indien de bank zou worden veroordeeld om aan gedaagden een geldbedrag van Afl. 1.234.030,30 te betalen ten behoeve waarvan het eigenbeslag is gelegd.

4.4

Het gerecht stelt voorop dat conservatoir beslag enkel bedoeld is om een geldvordering veilig te stellen. In dit verband heeft de bank onbetwist gesteld dat zij een balanstotaal heeft van US$ 957.000.000,-. Reeds gelet hierop is het gerecht van oordeel dat de bank over voldoende liquide middelen beschikt om een eventuele vordering van gedaagden te kunnen voldoen. Voor zover gedaagden zich op het standpunt stellen dat de bank, indien gedaagden te zijner tijd over een veroordelend vonnis beschikken, geen verhaal zal kunnen bieden, is het gerecht van oordeel dat dit niet aannemelijk is geworden. De bank dient immers te voldoen aan de eisen die gelden ten aanzien van solvabiliteit en liquiditeit en daarop wordt door de Centrale Bank van Aruba toezicht gehouden. Gelet op het bovenstaande en nu verder niet gesteld noch gebleken is dat er een reƫel risico bestaat dat de bank haar vermogensbestanddelen aan verhaal zal onttrekken, is het gerecht van oordeel dat dat het eigenbeslag onnodig is. Op grond van artikel 705 Rv zal het gerecht het eigenbeslag dan ook opheffen.

4.5

Nu het eigenbeslag wordt opgeheven vanwege de onnodigheid daarvan, is de voorwaarde waaronder gedaagden de voorwaardelijke eis in reconventie hebben ingesteld, niet in vervulling gegaan. Het gerecht komt derhalve niet toe aan beoordeling van de voorwaardelijke eis in reconventie.

4.6

Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5 DE UITSPRAAK

Het gerecht, rechtdoende in kort geding:

heft op het door gedaagden op 27 mei 2019 gelegde eigenbeslag op de vordering die de bank op gedaagden heeft;

veroordeelt gedaagden in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van de bank worden begroot op Afl. 450,00 aan griffierecht, Afl. 205,65 aan explootkosten en Afl. 1.000,-- aan salaris van de gemachtigde;

wijst het meer of anders gevorderde af;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Verheijen, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 5 juli 2019 in aanwezigheid van de griffier.